| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AD9662 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/2955
NABW en 99/2956 NABW |
| Datum
uitspraak: |
8
januari 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
13, 14, 66
en 68 (oud) Abw
(= 18, 18,
53a en –
Wwb) / 4:5
en
8:72 Awb |
| Trefwoorden: |
inlichtingenverplichting;
akte van scheiding en deling; bank- en giroafschriften
ex-echtgenoot; niet behandelen aanvraag; aanspraak op vermogen
na echtscheiding; onderbedeling; maatregel |
| Essentie: |
Terecht
buiten behandeling laten bijstandsaanvraag, omdat niet
de verlangde bewijsstukken (akte van scheiding en deling en
bank- en giroafschriften ex-echtgenoot) zijn overgelegd, terwijl
betrokkene er redelijkerwijs de beschikking over had kunnen
krijgen en anders deze in rechte had moeten opeisen. Terechte
oplegging maatregel 10% gedurende 1,5 jaar wegens verwijtbare
onderbedeling (te lage taxatie echtelijke woning). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/2955
NABW en 99/2956 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Wijchen,
gedaagde.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Namens appellante heeft mr. M.A.M. Becking, thans advocaat te
Arnhem, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 19
april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting
van 20 november 2001, waar partijen - zoals aangekondigd - niet
zijn verschenen.
II. Motivering
Met betrekking tot het geding nr. 99/2955 NABW
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten
en omstandigheden, waarvan de juistheid door partijen niet is
bestreden.
Appellante is in 1979 in algehele gemeenschap van goederen
gehuwd met [A] (hierna: [A]). In verband met echtscheiding heeft
appellante op 6 maart 1996 de echtelijke woning verlaten.
Appellante heeft op 13 maart 1996 gedaagde onder meer verzocht
haar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toe te
kennen. Uit het naar aanleiding van die aanvraag opgemaakte
rapport van 26 april 1996 blijkt dat gedaagde appellante verzocht
heeft nadere gegevens te verstrekken omtrent het vermogen dat zij
en [A] samen hebben en dat appellante te kennen heeft gegeven dat
zij niet over die gegevens beschikt. Bij besluit van 25 april 1996
heeft gedaagde de aanvraag van 13 maart 1996 buiten behandeling
gelaten. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen
aangewend.
Bij vonnis in 1996 is tussen appellante en [A] de echtscheiding
uitgesproken, welk vonnis op 26 juni 1996 is ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand. Op 12 juli 1996 is de akte tot
scheiding en verdeling van de ontbonden
huwelijksgoederengemeenschap van appellante en [A] verleden.
Ondertussen had appellante op 20 juni 1996 zich wederom tot
gedaagde gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor
een uitkering ingevolge de Abw.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft gedaagde bij brief van 21
juni 1996 aan appellante onder meer meegedeeld dat zij nadere
gegevens moest verstrekken met betrekking tot het
gemeenschappelijk vermogen van haar en [A], zoals de bank- en
giroafschriften van [A] van de afgelopen drie maanden alsmede
alle gegevens waaruit de boedelscheiding blijkt. Appellante is in
de gelegenheid gesteld die ontbrekende gegevens over te leggen op
een volgende afspraak op 10 juli 1996. Nadat appellante tijdens
die afspraak niet alle gevraagde gegevens had overgelegd, heeft
gedaagde bij brief van 8 augustus 1996 zijn verzoek tot
overlegging van vorenvermelde bescheiden herhaald. Tevens heeft
gedaagde appellante meegedeeld dat, indien de gevraagde gegevens
niet op 22 augustus 1996 in bezit zijn, haar aanvraag op grond van
artikel 68, vierde lid, (oud) van de Abw
buiten behandeling wordt
gelaten.
Bij besluit van 27 augustus 1996 heeft gedaagde de aanvraag van
appellante van 20 juni 1996 met toepassing van artikel
68, vierde
lid, (oud) van de Abw buiten behandeling gelaten. Gedaagde heeft
daartoe het volgende overwogen:
"Uit de brief van uw advocaat hebben wij begrepen dat u niet
over de opgevraagde gegevens kunt beschikken. Daarnaast wordt in
de brief d.d. 31 juli 1996 aangegeven dat de definitieve akte van
scheiding en deling reeds gepasseerd is, waardoor u geen rechten
meer kan doen gelden.
Bij beschikking van 25 april 1996, verzonden 5 juni 1996, is een
eerdere aanvraag in verband met onvoldoende informatie buiten
behandeling gesteld. Terwijl u op de hoogte was gebracht welke
relevante informatie ter bepaling van het recht op bijstand
verstrekt diende te worden, heeft u bij de aanvraag van 20 juni
1996 wederom niet alle informatie verstrekt. Er blijken geen
gegronde redenen aanwezig waarom u niet over deze informatie zou
kunnen beschikken; u had de opgevraagde informatie alvorens
akkoord te gaan met de definitieve verdeling kunnen bedingen."
Het namens appellante tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift
is bij besluit van 7 februari 1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens
appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 7 februari 1997
ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd - kort weergegeven -
dat zij al het mogelijke heeft gedaan om gedaagde zo volledig
mogelijk te informeren.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van artikel 67, eerste lid, van de
Abw stellen
burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke
aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is,
ambtshalve vast.
Burgemeester en wethouders stellen ingevolge artikel
68, eerste
lid, van de Abw binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag
vast of recht op bijstand bestaat.
Ingevolge het derde lid (oud) van artikel
68 wordt de termijn voor
het nemen van een besluit opgeschort met ingang van de dag waarop
burgemeester en wethouders de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan
te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de
daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Artikel 68, vierde lid, (oud) van de Abw
bepaalt dat indien de
belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn
aanvult, burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet te
behandelen.
Laatstgenoemde bepaling dient - zoals de Raad
onder meer heeft
geoordeeld in zijn uitspraak van 18 maart 1997 (gepubliceerd in
USZ 97/143) - in samenhang te worden gelezen met afdeling 4.1.1
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
paragraaf 2 van
hoofdstuk V van de Abw.
De Raad is van oordeel dat van de door appellante over te leggen
bewijsstukken in elk geval de bank- en giroafschriften van [A]
over de laatste drie maanden vóór 20 juni 1996 en de definitieve
akte van scheiding en deling nodig waren om een zo volledig
mogelijk beeld te krijgen van de omvang van de tussen appellante
en [A] bestaand hebbende gemeenschap en, voor het geval de
instemming van appellante met de verdeling voldoende grond zou
blijken te bieden voor toepassing van artikel 14 van de
Abw, om de
hoogte van de te treffen maatregel met inachtneming van het derde
lid van dat artikel daarop af te kunnen stemmen. Gedaagde was dan
ook gerechtigd om die gegevens van appellante te verlangen om een
goede beoordeling van haar aanvraag mogelijk te maken.
Vaststaat dat appellante niet deze bescheiden heeft overgelegd
binnen de door gedaagde geboden hersteltermijn. Niet is gesteld of
gebleken dat de geboden hersteltermijn ontoereikend was teneinde
kopieën van de gevraagde giro- of bankafschriften bij de bank van
[A] te kunnen verkrijgen.
Naar het oordeel van de Raad is er evenmin grond om te oordelen
dat appellante niet redelijkerwijs over die kopieën de
beschikking had kunnen krijgen. Reeds in april 1996 en nogmaals
bij brief van 21 juni 1996 is haar om die kopieën verzocht.
Indien [A] tegenover haar weigerachtig zou zijn gebleven om kopieën
van zijn giro- of bankafschriften te verstrekken, had zij
juridische stappen kunnen, en - bezien vanuit een oogpunt van
toepassing van de Abw - in dit geval ook moeten
ondernemen. In dit
verband wijst de Raad er nog op dat ingevolge artikel 3:189,
tweede lid, in verbinding met het eerste lid van de artikelen
3:190 en 3:194 van het Burgerlijk Wetboek een deelgenoot in een
gemeenschap als de onderhavige niet kan beschikken over zijn
aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk,
zonder toestemming van de andere deelgenoot en voorts kan vorderen
dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.
Hetgeen van de zijde van appellante op dit punt is aangevoerd,
heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
De Raad concludeert op grond van het vorenstaande dat gedaagde
terecht heeft besloten de aanvraag van appellante van 20 juni 1996
niet te behandelen.
Er zijn in dit geding geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb.
Met betrekking tot het geding nr. 99/2956 NABW
Op 5 februari 1997 heeft appellante gedaagde andermaal verzocht
haar ter voorziening in algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan en voor de kosten van orthomanuele therapie bijstand toe
te kennen.
Bij besluit van 26 februari 1997 heeft gedaagde die aanvraag
afgewezen.
Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt voor zover haar
geen algemene bijstand is toegekend.
Bij het bestreden besluit van 18 juni 1997 heeft gedaagde het
ingediende bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Gedaagde heeft
alsnog aan appellante met ingang van 5 februari 1997 een uitkering
ingevolge de Abw toegekend, berekend naar de norm voor een
alleenstaande ouder, doch daarop op grond van artikel 13 van de
Abw bij wijze van maatregel een verlaging toegepast van 10%
gedurende 1,5 jaar. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat
appellante blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door bij
de scheiding en verdeling van de ontbonden
huwelijksgoederengemeenschap in te stemmen met een overbedeling
van [A], waardoor zij eerder op bijstand is aangewezen geraakt.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens
appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 18 juni 1997
ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er geen sprake is
van overbedeling van [A]. Voorts heeft zij betwist dat haar in
deze een verwijt kan worden gemaakt.
De Raad merkt op dat gedaagde ten onrechte de bij wijze van
maatregel toegepaste verlaging heeft gebaseerd op artikel 13 van
de Abw. Het besluit van 18 juni 1997 berust derhalve op een
onjuiste wettelijke grondslag en komt wegens strijd met de wet
voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak,
waarbij dat besluit in stand is gelaten, dient te worden
vernietigd.
De vraag of met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen
worden gelaten, beantwoordt de Raad op grond van het volgende
bevestigend.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, (oud) van de
Abw stemmen
burgemeester en wethouders indien de belanghebbende blijk heeft
gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
voor de voorziening in het bestaan, het recht op en de hoogte van
de bijstand daarop af. Evenals gedaagde en de rechtbank is ook de Raad
van oordeel dat in het geval van appellante van
tekortschietend besef in genoemde zin sprake is.
Uit de eerder vermelde, op 12 juli 1996 verleden akte van scheiding
en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap blijkt
immers dat aan [A] de toenmalige echtelijke woning is toegedeeld
voor een waarde van ƒ140.000,- (€|63.529,23) en dat deze
waarde in onderling overleg is vastgesteld. Van de zijde van
appellante is meegedeeld dat deze waardebepaling steunde op de
taxatiewaarde in het kader van de onroerendezaakbelasting (OZB)
met als peildatum 1 januari 1991. Gelet op het tijdstip van
ontbinding (medio 1996) en de algemene waardeontwikkeling van
woningen in Nederland sedert 1991 had appellante redelijkerwijs
kunnen begrijpen dat dit uitgangspunt voor de waardebepaling van
de toenmalige echtelijke woning bij de scheiding en verdeling niet
reëel was. Dit blijkt ook uit het feit dat de waardebepaling van
laatstbedoelde woning voor de OZB per de volgende peildatum, 1
januari 1995, is gesteld op ƒ186.000,- (€|84.403,12). Rekening
houdend met enig achterstallig onderhoud heeft gedaagde vervolgens
de waarde van de toenmalige echtelijke woning ten tijde in geding
vastgesteld op ƒ180.000,- (€|81.680,44). Naar de mening van
gedaagde is [A] op deze wijze overbedeeld met ƒ20.000,- (€|9075,60).
De Raad
heeft geen aanleiding gezien om dit door gedaagde
geschatte bedrag als onjuist te beschouwen. De mogelijk nog
resterende onzekerheid omtrent het exacte bedrag van de
overbedeling kan niet ten voordele van appellante strekken,
aangezien zij die onzekerheid zelf in het leven heeft geroepen.
De Raad
neemt tevens in aanmerking dat appellante in 1996 slechts
over een (tijdelijke) werkloosheidsuitkering beschikte. Dat
leverde haar een inkomen op dat aanzienlijk lager was dan het
normbedrag voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder. In
dat licht bezien had van appellante mogen worden verwacht dat zij
bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap
haar rechtmatige aandeel zou hebben gevorderd teneinde zo lang
mogelijk zelf te kunnen voorzien in haar bestaanskosten. Hetgeen
van de zijde van appellante op dit punt naar voren is gebracht,
heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. In
aanmerking genomen de overige middelen van appellante en de
toepasselijke vermogensgrens is appellante, doordat zij tot een
bedrag van
ƒ20.000,- (€|9075,60) is onderbedeeld, eerder op
bijstand aangewezen geraakt.
Gelet op het vorenstaande diende gedaagde het recht op en de
hoogte van de door appellante gevraagde bijstand op het gebleken
tekortschietend besef af te stemmen.
Ingevolge artikel 14, derde lid, (oud) van de
Abw worden de omvang
en duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, afgestemd op
de ernst van het feit, de omstandigheden van de belanghebbende en
de mate van verwijtbaarheid.
Alle omstandigheden in aanmerking nemende, is de Raad
van oordeel
dat gedaagde de bestreden verlaging van de bijstandsuitkering van
appellante heeft kunnen vaststellen op 10% gedurende 1,5 jaar
zonder in strijd te komen met enige regel van geschreven of
ongeschreven recht. Hem is niet gebleken dat de ernst van het
feit, de omstandigheden van appellante of de mate van
verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven de
opgelegde maatregel te mitigeren.
De Raad
acht, ten slotte, in dit geding termen aanwezig om op
grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op €|644,- in beroep en op
€|322,- in hoger beroep, wegens
verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep
tegen het besluit van 18 juni 1997 ongegrond is verklaard;
verklaart het beroep tegen dat besluit gegrond en vernietigt dat
besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand
blijven;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag groot €|966,-, te betalen door de gemeente
Wijchen aan
de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Wijchen aan appellante het gestorte recht
tot een bedrag van
ƒ225,- (€|102,10) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 8 januari 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE0154 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
01/1587
NABW |
| Datum
uitspraak: |
17
januari 2002 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65 en 69
Abw
(= 17 en 54
Wwb) |
| Trefwoorden: |
hoofdverblijf;
adres; schending inlichtingenverplichting; beëindiging
bijstand; hersteltermijn; incassokosten; acute financiële
noodsituatie; voorschotten |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand, omdat betrokkene niet woont op het
opgegeven adres en hij weigerde zijn werkelijke verblijfplaats
mede te delen; een hersteltermijn behoefde niet te worden
geboden. Dreigende incassokosten leiden niet tot een acute
financiële noodsituatie en bovendien is een nieuwe
bijstandsaanvraag ingediend waarbij voorschotten zijn verstrekt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter
Rechtbank
Zutphen
01/1587 NABW
U I T S P R A A K
op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil
tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Apeldoorn, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 14 december 2001, waarbij - voor
zover hier van belang - het recht op bijstand van verzoeker met
ingang van 1 december 2001 is beëindigd.
2. Procesverloop
Namens verzoeker heeft mr. C. Lucassen bij brieven van 19 december
2001 bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening als
bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 januari 2002, waar
verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde, en waar verweerder werd vertegenwoordigd door mr. T.
Hummelman-van Maaren.
3. Motivering
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb
dient te worden nagegaan of
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige
voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het
geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze
uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet
bindend voor de beslissing in die procedure.
Verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt
dat de verstrekking van de bijstandsuitkering naar de norm van een
alleenstaande per 1 december 2001 voor de duur van de
bezwaarprocedure wordt voortgezet.
Gebleken is dat verzoeker op 17 december 2001 opnieuw een
bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat hem in verband daarmee
reeds driemaal voorschotten zijn verstrekt tot een bedrag van
totaal
€|356,-. Verzoeker heeft verklaard onderdak te hebben,
waarvoor hij geen huur is verschuldigd. Ter zitting zijn brieven
van een tweetal schuldeisers - Zilveren Kruis ter zake van
ziekenfondspremie over een periode voorafgaand aan 1 september
2001 en een tandarts ter zake van tandheelkundige verrichtingen - overgelegd waarin deze hebben aangekondigd tot incasso te zullen
overgaan en de kosten daarvan aan verzoeker in rekening te zullen
brengen.
Gezien het voorgaande en mede gelet op hetgeen overigens ter
zitting naar voren is gebracht, kan niet worden gezegd dat
verzoeker in een acute financiële noodsituatie is komen te
verkeren. Voor het aannemen van zodanige situatie is niet
voldoende dat verzoeker over enige tijd zal worden geconfronteerd
met incassokosten.
Onder deze omstandigheden is er slechts plaats voor het treffen
van een voorziening als gevraagd indien het besluit tot beëindiging
van de uitkering per 1 december 2001 evident onjuist is te achten.
Dit besluit is gebaseerd op een rapport van de sociale recherche
waarin is geconstateerd dat verzoeker niet woont op het adres dat
hij destijds bij de aanvraag om uitkering had opgegeven en waarop
hij ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. Op
26 november 2001 heeft verzoeker dit tegenover de sociaal
rechercheur erkend en tevens geweigerd te zeggen op welke adres
hij doorgaans verblijft. Verweerder heeft de uitkering beëindigd
op grond van het standpunt dat verzoeker aldus zijn
inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op
bijstand niet kan worden vastgesteld.
Namens verzoeker is aangevoerd dat verweerder het recht op
bijstand met toepassing van artikel 69,
eerste lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw) had dienen op te schorten en verzoeker
een termijn had moeten geven voor herstel van het verzuim om
informatie over zijn verblijfplaats te verstrekken.
Er is grond voor twijfel omtrent de vraag of de regeling van
artikel 69, eerste lid, van de Abw
in een geval als het
onderhavige - waarin eerst een onjuist woonadres is opgegeven en
vervolgens wordt geweigerd om de werkelijke verblijfplaats mede te
delen - toepassing dient te vinden. Daarom kan niet worden
gezegd dat het bestreden besluit evident onjuist is omdat
verweerder heeft nagelaten toepassing te geven aan de
opschortingsregeling.
Ook overigens is er vooralsnog onvoldoende grond voor het oordeel
dat de beëindiging van de uitkering per 1 december 2001 evident
onjuist is. Weliswaar heeft verzoeker bij zijn nieuwe aanvraag om
uitkering wel mededeling gedaan van zijn huidige woonadres en
heeft hij ter zitting verklaard dat hij daar vanaf november 2001
woont, maar dit is op zichzelf nog niet voldoende om thans aan te
nemen dat verzoeker per 1 december 2001 wel recht heeft op een
bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.
Het verzoek om een voorlopige voorziening zal derhalve worden
afgewezen.
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
4. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar
uitgesproken op 17 januari 2002 in tegenwoordigheid van de
griffier.
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE0165 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/5273
NABW |
| Datum
uitspraak: |
29
januari 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3, 65 en 69
Abw (= 3,
17 en 54
Wwb) |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; schending
inlichtingenverplichting; beëindiging bijstand; gezamenlijk
hoofdverblijf; erkenning kind; eigen toegang; onderhuurder;
onweerlegbaar rechtsvermoeden; EVRM; equality of arms |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een
onderhoudsplichtige, omdat met name het gezamenlijk
hoofdverblijf in dezelfde woning, het ontbreken van een eigen
toegang zonder daarbij vertrekken te hoeven passeren waarover
anderen als huurder of eigenaar zeggenschap hebben en de
(verzwegen) erkenning door betrokkene van het kind van zijn
"verhuurster" een onweerlegbaar rechtsvermoeden
opleveren van gezamenlijke huishouding, zonder dat daarbij het
beginsel van equality of arms uit het EVRM is geschonden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/5273
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Dordrecht, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellant heeft mr. C.J. van der Waarde, advocaat te
Dordrecht, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 25
augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar
voor appellant is verschenen mr. Van der Waarde, voornoemd,
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.
Franssen, werkzaam bij de gemeente
Dordrecht.
II. Motivering
Bij besluit van 9 juni 1999 heeft gedaagde het bezwaarschrift
ongegrond verklaard dat namens appellant was ingediend tegen het
besluit van 8 oktober 1998 tot beëindiging van de eerder naar de
norm voor een alleenstaande aan appellant toegekende uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1
september 1998.
De in dat bezwaarschrift genoemde bezwaren waren in hoofdzaak
gericht tegen de door gedaagde aangenomen gezamenlijke huishouding
van appellant en [C] (hierna: [C]) met toepassing van artikel
3,
vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Volgens de gemachtigde
van appellant was niet voldaan aan de voorwaarde van het hebben
van hoofdverblijf in dezelfde woning en ook niet aan de tweede
voorwaarde voor een gezamenlijke huishouding; dit laatste in
verband met het volgende: "Cliënt heeft de dochter van
mevrouw [C] erkend, doch dit houdt wel een vermoeden in dat er
sprake is van elkaar over en weer verzorgen, doch tegen dit
vermoeden moet altijd tegenbewijs mogelijk zijn. Cliënt is van
mening dat hij kan bewijzen dan wel aannemelijk kan maken dat er
in het geval van hem en mevrouw [C] geen sprake van het over en
weer verzorgen is."
Gedaagde heeft deze bezwaren verworpen, omdat beiden op hetzelfde
adres woonden en omdat uit onderzoeksbevindingen tijdens een
huisbezoek en uit informatie verkregen van de eigenaar van de
woning onder meer was gebleken dat er geen sprake was van een
eigen toegang. Indien zich een situatie zoals genoemd in artikel
3, vierde lid, van de Abw voordoet, is er, aldus gedaagde, sprake
van een onweerlegbaar rechtsvermoeden.
Naar aanleiding van het tegen het besluit van 9 juni 1999
ingediende beroepschrift heeft gedaagde er in het bij de rechtbank
ingediende verweerschrift onder meer op gewezen dat een eigen
toegang inhoudt dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij
vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover
anderen zeggenschap hebben, omdat zij de huurder of eigenaar zijn.
Voorts is in dat verweerschrift onder meer opgemerkt:
"De Raad van State heeft in 1993 bezwaar gemaakt tegen het
systeem van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, maar in een viertal
situaties is het gehandhaafd omdat in die gevallen geen redelijke
twijfel kan bestaan over de benoeming van een gezamenlijke
huishouding. Uit de kamerstukken I 1994/95 p.26-1096 [Handelingen
I 1994-1995, 26, blz. 1096, red.] blijkt dat de Minister van SZW in de Eerste Kamer het volgende heeft gezegd:
"De Raad van State heeft erop gewezen dat bekeken moet worden
hoe één en ander in de praktijk gaat werken, waarbij het de vraag
is of er wel voldoende gelegenheid is voor degene die zich in zijn
recht aangetast voelt om over een laatste rechtsmiddel te
beschikken en dat via de rechterlijke weg tot uitdrukking te
brengen. Daar heeft de heer Van de Zandhulp een vraag over
gesteld. Hij zei dat hetgeen geregeld wordt via het
individualiseringsbeginsel in artikel 13, vierde lid, uitsluitend
betrekking heeft op een bevoegdheid van B&W en dat het geen
rechtsmiddel is. Ik wijs hem erop dat, als B&W eenmaal tot een
afwijzende beschikking zouden komen, het vervolgens aan
betrokkenen vrijstaat bij de rechter bezwaar aan te tekenen tegen
de afwijzende beschikking [bezwaar te maken bij B&W en
vervolgens beroep in te stellen bij de rechter, red.]. Dat is, het zij toegegeven, een wat
gecompliceerde weg, maar het is niet uitgesloten dat alsnog via de
rechter de redelijkheid kan worden getoetst van de toepassing van
het onweerlegbaar rechtsvermoeden, zoals in de wet
opgenomen".
Ons inziens had het op de weg van appellant gelegen om aan te
tonen dat het onredelijk is om onweerlegbaar rechtsvermoeden toe
te passen."
De rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Daartoe is in die uitspraak onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of
er sprake is van het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde
woning in de zin van artikel 3, vierde lid, van de
Abw.
In dit verband hebben verweerders blijkens de gedingstukken en
overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1993-1994, nr. 18, p. 87 [Kamerstukken II 1993-1994,
22 545, nr. 18, blz. 87, red.]) aansluiting gezocht bij
hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet individuele
huursubsidie (hierna te noemen: de WIH). In de uitvoering van de
WIH wordt onder een woning een zelfstandige woning verstaan, dat
wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij
geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en
kookgelegenheid en toilet en met andere woningen worden gedeeld.
Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder
daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren
waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar
zijn.
De rechtbank is met verweerders van oordeel dat niet gezegd kan
worden dat eiser en mevrouw [C] hun hoofdverblijf niet in
dezelfde woning hebben. Eiser heeft niet aannemelijk weten te
maken, gelet op de indeling van de woning en de hem ten dienste
staande faciliteiten, dat hij over zelfstandige woonruimte
beschikt, te meer nu noch uit de gemeentelijke basisadministratie
noch uit de daaromtrent afgelegde en onvoldoende weersproken
verklaring van de eigenaar van de woning een aanknopingspunt is te
vinden voor een andere conclusie.
Gelet op het vorenstaande alsmede gelet op het feit dat eiser het
kind van mevrouw [C] heeft erkend, kan geen andere conclusie
worden getrokken op grond van artikel 3, vierde lid, van de
Abw,
dan dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Met betrekking tot eisers grief dat het onweerlegbare
rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onderdeel
b, van de Abw in
strijd is met artikel 6 van het EVRM [Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, red.], is de rechtbank van oordeel
dat deze niet kan slagen.
De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Het EVRM
verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke
rechtsvermoedens. Verdragstaten moeten daarbij wel redelijke
grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening
wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven.
In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een
strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM,
doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen
van eiser in het kader van het geldend maken van een aanspraak op
een uitkering ingevolge de Abw, zodat in casu artikel 6, eerste
lid, van het EVRM van toepassing is. Uit artikel
3, vierde lid,
van de Abw volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar
rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan één van de onder a
tot en met d genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet
derhalve gedragen worden door twee objectief vast te stellen feiten.
Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd
worden dat met het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de
grenzen van het redelijke worden overschreden, noch dat anderszins
sprake is van strijdigheid met het EVRM."
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de juistheid
van deze overwegingen bestreden en voorts gesteld dat het
appellant redelijkerwijs niet duidelijk is geweest dat een
erkenning van een kind van invloed zou kunnen zijn op zijn recht
op bijstand en bestreden dat hem valt te verwijten dat hij
gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of niet volledig heeft
verstrekt.
De Raad, zich beperkend tot de in hoger beroep aangevoerde
grieven, overweegt het volgende.
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellant en
[C]
ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde
woning, reeds omdat de woonruimte van appellant geen eigen toegang
had in de zin zoals deze in de wetsgeschiedenis van artikel 3 van
de Abw is verduidelijkt (Kamerstukken II
1993-1994, 22 545, nr.
18, blz. 87). Uit de gedingstukken komt immers genoegzaam naar voren
dat appellant zijn woonvertrekken niet kon bereiken zonder trappen
en gangen te hoeven passeren waarover [C] als verhuurster
zeggenschap had.
De Raad acht voorts nog van belang dat appellant een kamer
gebruikte op de tweede verdieping waar ook [C] haar
woonvertrekken had en somtijds ook de badkamer en de keuken in het
woongedeelte van [C] gebruikte.
De tweede opgeworpen grief stelt de vraag aan de orde of het in
artikel 3, vierde lid, van de Abw
bepaalde in overeenstemming is
met de beginselen van een eerlijk proces, meer in het bijzonder
met de uit artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden voortvloeiende eis van "equality of arms".
Uit de ontstaansgeschiedenis van de betreffende bepaling komt naar
voren dat de wetgever artikel 3, vierde (voorheen: derde) lid, van
de Abw heeft ingevoerd om in een viertal situaties, waarin
overduidelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, zonder
nadere bewijsvoering - en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs -
ervan uit te kunnen gaan dat betrokkenen een gezamenlijke
huishouding voeren. Het feitelijk bestaan van minstens één van
deze situaties plus het feitelijk hebben van hoofdverblijf in
dezelfde woning brengen mee dat de betrokken personen voor de
toepassing van de Abw en de daarop berustende bepalingen
materieelrechtelijk gezien als deel uitmakend van een gezin in de
zin van artikel 4, onderdeel c, ten eerste of ten tweede, van
die wet
worden beschouwd.
Meergenoemd artikel 3, vierde lid, belet belanghebbenden niet om
zowel het feitelijk bestaan van (één van) de vier daarin
omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, daarvoor relevante
argumenten aan te dragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan aan
de rechter te presenteren.
Die betwisting, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal
kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig
worden getoetst.
Uit de wetsgeschiedenis komt verder naar voren dat een eerdere
registratie als partner bij een andere instantie voor betwisting
vatbaar is en tot het buiten toepassing laten van die bepaling kan
leiden indien de betrokkene aannemelijk kan maken dat er sprake is
van een foutieve registratie.
Blijkt het geleverde bewijsmateriaal voor één en ander ten gedinge
niet toereikend te zijn, dan betekent dat niet meer en niet minder
dan dat de belanghebbende in die omstandigheden niet desondanks
met vrucht kan stellen dat hij voor de toepassing van de Abw als
alleenstaande of alleenstaande ouder moet worden beschouwd.
Bezien in het licht van hetgeen hiervoor is vastgesteld, vermag de Raad
daarin niet een belemmering te zien die onverenigbaar zou
zijn met de uit voormelde verdragsbepaling voortvloeiende eis van
"equality of arms".
De Raad merkt verder nog op dat in het kader van de Abw
het mede
als gehuwd aanmerken van ongehuwden die geacht worden met een
ander een gezamenlijke huishouding te voeren niet geheel uitsluit
dat er situaties kunnen zijn waarin aanleiding bestaat om hieraan
voorbij te zien en het recht op en de hoogte van de bijstand
afwijkend vast te stellen indien dit gelet op alle omstandigheden
noodzakelijk is. Van dergelijke omstandigheden is in het
onderhavige geval niet gebleken.
De laatste te bespreken grief acht de Raad
voldoende weerlegd met
hetgeen gedaagde daaromtrent in het verweerschrift in hoger beroep
heeft opgemerkt. De Raad volstaat hier dan ook met op te merken
dat een bijstandsontvanger als appellant redelijkerwijs had kunnen
begrijpen dat de aanwezigheid van een eigen, in dezelfde woning
wonend kind van invloed kan zijn op het recht op bijstand. De op
inlichtingenformulieren steeds terugkerende vraag naar het hebben
van één of meer inwonende kinderen onderstreept dit. Het verwijt
van gedaagde dat appellant na de geboorte van zijn dochter deze
vraag onjuist heeft beantwoord en geen informatie heeft verstrekt
over de middelen van [C] is dan ook terecht gemaakt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan
slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de
Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari
2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep
ingevolge de Algemene bijstandswet
kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de
wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de
op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een
beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der
Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Gw / Awb |
x
LJN: |
x
AE0174 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
AWB
1/633 NABW Z |
| Datum
uitspraak: |
10
januari 2002 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39
Abw (= 35
Wwb) / 1
Gw / 8:73
Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten wasmachine en koelkast; gemeentelijke
beleidsregel duurzame gebruiksgoederen; gelijkheidsbeginsel;
renteschadevergoeding |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van een wasmachine en
koelkast, omdat
betrokkene ten onrechte niet tot de doelgroepen van de
gemeentelijke beleidsregel wordt gerekend nu het onderscheid naar
leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op
redelijke en objectieve gronden berust. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht
AWB 1/633 NABW Z
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht, gevestigd te
Maastricht, verweerder.
Datum bestreden besluit: 11 april 2001.
Kenmerk: 42944427.
Behandeling ter zitting: 29 november 2001.
I. Ontstaan en loop van het geding
In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11
april 2001 heeft verweerder aan eiseres mededeling gedaan van een
besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet
(Abw),
waarbij haar bezwaarschrift ongegrond is verklaard.
Bij schrijven van 15 mei 2001 is namens eiseres door mr. L.
Bovenkamp, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp
Maastricht, ter
griffie van deze rechtbank beroep ingesteld tegen dit besluit.
De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede
het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres
gezonden.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 29
november 2001, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. Bovenkamp voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door M.J.W. Bruijnzeels, ambtenaar der gemeente.
II. Overwegingen
a. De feiten
Eiseres heeft zich tot verweerder gewend met - voor zover in dezen
van belang - een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van
de aanschaf van een wasmachine en van een ijskast.
Bij besluit van 4 januari 2001 heeft verweerder dit verzoek
afgewezen.
Hiertegen is door eiseres een bezwaarschrift ingediend. Eiseres
heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift
tijdens de op 27 maart 2001 gehouden hoorzitting nader toe te
lichten.
b. Het bestreden besluit
In zijn beslissing op het bezwaarschrift heeft verweerder de
bezwaren ongegrond verklaard. Met een verwijzing naar de artikelen
6, 7 en 39 van de
Abw heeft verweerder hieraan ten grondslag
gelegd dat:
- de aanschaf, vervanging of reparatie van duurzame
gebruiksgoederen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan behoort, welke kosten dienen te worden voldaan via
reservering vooraf dan wel aflossing op een geldlening achteraf;
- eiseres niet voldoet aan het door verweerder
vastgestelde beleid, conform welk beleid bijzondere bijstand voor
duurzame gebruiksgoederen wordt verleend aan de minima die
gedurende minimaal drie jaar de zorg voor minderjarige kinderen
hebben en aan personen van 65 jaar of ouder zijn die gedurende
drie jaar een minimaal inkomen hebben; de ratio achter dit beleid
is dat de betreffende belanghebbenden geacht wordt geen
reserverings- dan wel aflossingsruimte te hebben;
- niet gebleken is van bijzondere omstandigheden als
bedoeld in artikel 39 van de Abw.
c. Het beroep
Namens eiseres zij de navolgende gronden van het beroep
aangevoerd:
- het besluit is in strijd met de artikelen 3:4 en
3:46 van de Awb, omdat verweerder geen rekening heeft gehouden met
de omstandigheid dat eiseres niet eerder voor deze kosten bijstand
heeft aangevraagd als gevolg van onvoldoende voorlichting als
bedoeld in artikel 119 van de Abw;
- in het geval van eiseres zijn de bijzondere
omstandigheden gelegen in het feit dat zij sedert 1981 in
bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert en gedurende die
periode de zorg voor vier kinderen heeft gehad; als gevolg hiervan
heeft zij geen reserveringsruimte gehad; daarnaast wordt eiseres
geconfronteerd met hoge huurlasten en energiekosten;
- eiseres verkeert in een vergelijkbare situatie met
de doelgroepen als bedoeld in het door verweerder gevoerde beleid;
nu eiseres zonder redelijke en objectieve gronden ongelijk wordt
behandeld zijn deze beleidsregels in strijd met het bepaalde in
artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
d. De rechtsvraag
De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de
rechterlijke toets kan doorstaan.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of
verweerder terecht en op goede gronden de aanvraag om vergoeding
van aanschafkosten voor een wasmachine en een koelkast heeft
afgewezen. Deze vraag spitst zich toe op het beroep van eiseres op
het gelijkheidsbeginsel.
e. De beoordeling
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in
Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Ingevolge
de tweede volzin van dit artikel is discriminatie wegens
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht
of op welke grond dan ook niet toegestaan.
Gelijk de rechtbank ook in haar eerdere uitspraak van 13 januari
2000, JABW 2000/43, welke uitspraak aan verweerder als destijds
verwerende partij bekend is, heeft overwogen, moet discriminatie
op grond van leeftijd worden aangemerkt als discriminatie "op
welke grond ook" als bedoeld in artikel 1 van de
Grondwet. De
rechtbank heeft in de betreffende uitspraak echter tevens
overwogen dat niet ieder onderscheid naar leeftijd discriminatie
oplevert in de zin van deze bepaling. Indien daarvoor redelijke en
objectieve gronden bestaan, is het maken van onderscheid naar
leeftijd geoorloofd.
Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet
en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming
door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van
welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige
bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere
overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom,
geboorte of andere status.
Op grond van artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten
en vrijheden die in dit verdrag zijn vermeld, worden verzekerd
zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras,
kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of
maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale
minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 39, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat onverminderd
hoofdstuk II van de Abw de alleenstaande of het gezin recht op
bijzondere bijstand heeft voor zover deze niet beschikt over de
middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten
naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden
voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld
in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
In het gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzame
gebruiksgoederen is bepaald dat aan meerjarige minima met de zorg
voor kinderen om de drie jaar bijzondere bijstand om niet kan
worden verstrekt indien men reeds meer dan drie jaren een minimaal
inkomen heeft. Hetzelfde geldt voor personen van 65 jaar of ouder
die gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben. Tot
duurzame gebruiksgoederen worden door verweerder ook koelkasten en
wasmachines gerekend. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat
onder minimaal inkomen een inkomen ter hoogte van 105% van de
toepasselijke bijstandsnorm inclusief gemeentelijke toeslag wordt
bedoeld.
Met dit beleid maakt verweerder een onderscheid naar leeftijd ten
aanzien van de voorwaarden met betrekking tot de aanspraken op
bijzondere bijstand in de kosten van de aanschaf van duurzame
gebruiksgoederen door vast te stellen dat personen van 65 jaar of
ouder die gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben
[...?, red.].
Niet in geschil is dat eiseres jonger is dan 65 jaar en langer dan
drie jaar een minimaal inkomen heeft. Eiseres verkeert derhalve in
een gelijke situatie als een persoon van 65 jaar of ouder die
gedurende ten minste drie jaar een minimaal inkomen heeft en een
aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand heeft ingediend in
de kosten van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen.
In het licht van de onderhavige procedure stelt de rechtbank
voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien in het
licht van het doel van de hiervoor geformuleerde beleidsregel voor
het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke
rechtvaardiging ontbreekt.
Zoals door verweerder ook ter zitting is bevestigd, is het doel
van de onderhavige beleidsregel een vereenvoudigde afdoening van
aanvragen om toekenning van bijzondere bijstand aan bepaalde
groepen bijstandsgerechtigden. Het feit dat de belanghebbende
reeds sedert minimaal drie jaar een minimaal inkomen heeft, leidt
ertoe dat de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel
39,
eerste lid, van de Abw zijn gegeven. Indien tevens sprake is van
noodzakelijke kosten van het bestaan, waartoe verweerder de
aanschaf van duurzame gebruiksgoederen als een koelkast en een
wasmachine rekent, dan is het recht op bijzondere bijstand
gegeven.
Ten opzichte van de belanghebbende die 65 jaar of ouder en
bijstandsgerechtigd is, verkeert eiseres als bijstandsgerechtigde
alleenstaande op twee punten in een andere positie:
- aan eiseres komt een andere bijstandsnorm
toe dan de
bijstandsgerechtigde oudere en
- aan eiseres zijn de verplichtingen als bedoeld in
artikel 113, eerste lid, van de Abw
opgelegd, terwijl deze
verplichtingen niet aan de oudere bijstandsgerechtigde worden
opgelegd.
Ten aanzien van het eerste aspect merkt de rechtbank op dat zowel
de op eiseres toepasselijke bijstandsnorm als de op de oudere
bijstandsgerechtigde toepasselijke norm binnen de grenzen van het
door verweerder gehanteerde begrip "minimaal inkomen" blijven.
Ten aanzien van het tweede aspect merkt de rechtbank op dat
eiseres weliswaar door middel van betaalde arbeid een hoger
inkomen zou kunnen verwerven en daardoor geen aanspraak op
bijstand zou behoeven te maken, doch dat dit gegeven slechts ziet
op een mogelijke toekomstige situatie en de actuele behoefte aan
bijstand onverlet laat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder
ten onrechte eiseres niet tot de doelgroepen van de hiervoor
genoemde beleidsregel heeft gerekend nu het onderscheid naar
leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op
redelijke en objectieve gronden berust.
Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor gegrond worden
gehouden en komt het bestreden besluit voor vernietiging in
aanmerking.
Gelet op deze gegrondverklaring behoeft hetgeen overigens namens
eiseres is aangevoerd geen bespreking.
f. Verzoek schadevergoeding, griffierecht en
proceskosten
Ter zake de namens eiseres gevorderde veroordeling van verweerder
tot schadevergoeding merkt de rechtbank
op dat haar niet is
gebleken dat eiseres inmiddels tot aanschaf van de koelkast en de
wasmachine is overgegaan. Als gevolg hiervan kan niet worden
vastgesteld dat eiseres renteverlies heeft geleden. De rechtbank
ziet dan ook onvoldoende gronden om thans reeds tot de namens
eiseres gevorderde veroordeling over te gaan.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de
Awb acht de rechtbank
verweerder gehouden het door eiseres ter zake van haar beroep
betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.
Gelet op de gegrondverklaring van het beroep acht de rechtbank
termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de
behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken. Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de
kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De rechtbank kent daarbij ter zake van
de verrichte proceshandelingen twee punten toe voor de indiening
van het beroepschrift (1,0) en het verschijnen ter zitting (1,0)
en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud
van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de
kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb te worden
betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Met inachtneming van het bovenstaande en op grond van het bepaalde
in de artikelen 8:70, 8:72,
8:73, 8:74 en
8:75 van de Awb
komt de
rechtbank tot de onder III geformuleerde beslissing.
III.
Beslissing
De Rechtbank Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
2. draagt verweerder op met inachtneming van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van
eiseres;
3. wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot
schadevergoeding af;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van deze
procedure ten bedrage van €|644,37
(ƒ1420,-), te betalen
door de gemeente Maastricht aan de griffier van de
arrondissementsrechtbank te Maastricht, en bepaalt voorts dat de
gemeente Maastricht het door eiseres betaalde griffierecht ten
bedrage van €|27,23 (ƒ60,-) aan haar vergoedt.
Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr.
C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10
januari 2002 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van
voornoemde griffier.
w.g. F.A.G.M. Vluggen
w.g.
C. Schrammen
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 22 januari 2002.
Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de
uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij
de Centrale
Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De
termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken
na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in
artikel 21 van de Beroepswet juncto
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
de President van de Centrale Raad van Beroep op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|