| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE3275 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
AWB
00/11811 ABW |
| Datum
uitspraak: |
2
oktober 2001 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7 en 12 Abw
(= 11 en –
Wwb) |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met
Nederlander; verblijfsvergunning; IVBPR; EVSMB;
Turken |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand, omdat
een
definitieve negatieve beslissing op het verzoek om toelating
is genomen en aan
na de inwerkingtreding
van de Koppelingswet ingediende verzoeken om toelating geen aanspraak op bijstand
kan worden ontleend. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
's-Gravenhage
AWB 00/11811 ABW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den
Haag, verweerster.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 27 april 2000 heeft verweerster aan eiser, een
vreemdeling van Turkse nationaliteit, medegedeeld dat zijn recht op een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan met ingang van 25
mei 2000 wordt beëindigd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 juni 2000 bezwaar gemaakt.
Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om omtrent zijn
bezwaar te worden gehoord.
Bij besluit van 29 september 2000, verzonden op 9 oktober 2000, heeft
verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 november 2000, bij de
rechtbank per fax op diezelfde datum ingekomen, beroep ingesteld.
Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd
en tevens bij brief van 6 september 2001 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 25 september 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat
mr. B. Hiddinga.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.
II. Motivering
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit
van 29 september 2000 in rechte kan standhouden.
Vaststaat en niet in geschil is dat eiser geen aanspraak op bijstand kan
ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de
Abw, aangezien hij geen rechtmatig
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort
tot de personenkring, bedoeld in
artikel 7, derde lid, van de Abw,
in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het
Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz.
Eiser is, kort gezegd, van mening dat hij op grond van artikel 26 van
het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
en artikel 11 juncto artikel 1 van het Europees verdrag betreffende
sociale en medische bijstand (EVSMB) aanspraak maakt op een
bijstandsuitkering.
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
De rechtbank stelt vast dat de
Centrale
Raad van Beroep
in zijn uitspraken van 26 juni 2001 (nrs. 99/2787 en 99/2382 NABW,
gepubliceerd in RSV 2001/188 [LJN AB2277
en LJN AB2276,
red.]) heeft geoordeeld dat bij artikel 7
van de
Abw, waarbij aan vreemdelingen
slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan
Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair
een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen
de werkingssfeer van artikel 26 van het IVBPR ligt. De Raad is voorts
van oordeel dat de gerechtvaardigdheid van bedoeld onderscheid in ieder
geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1
juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans niet in toereikende
mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met
toepassing van artikel 12 (oud) van de
Abw bijstand is verleend. Ten
aanzien van laatstbedoelden, degenen die op 1 juli 1998 hun
verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mochten afwachten en op
basis daarvan bijstand ontvingen, bestaat, mede gelet op hetgeen de Raad
in zijn uitspraken van 26 juni 2001 in het kader van de
werknemersverzekeringen (nr. 00/4666 ALGEM [LJN
AB2323,
red.]) en de Algemene Kinderbijslagwet (nrs.
AWB 00/3097, 00/2440, 99/4942, 99/4945, 99/4941, 99/4944, 99/4943 en
00/2399 AKW; gepubliceerd in Jurisprudentie Vreemdelingenrecht 2001, nr.
2001/204 en RSV 2001/216 [LJN
AB2325,
red.]) heeft overwogen, onvoldoende grond om de verworven
rechtspositie op andere wijze te beëindigen dan als voorzien in artikel
1b, aanhef en onder 3, van de Vw, te weten eerst wanneer sprake is van
een (definitieve) negatieve beslissing op het verzoek om toelating.
Vaststaat dat eiser op 1 juli 1998 in de situatie verkeerde dat hij zijn
verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten en op basis
daarvan bijstand ontving. Dit betekent dat hij ten tijde van de
inwerkingtreding van de Koppelingswet behoorde tot de categorie
vreemdelingen voor wie de gerechtvaardigdheid van het onderscheid naar
nationaliteit in het kader van de toepassing van artikel 7
van de
Abw volgens de
Raad
niet,
althans niet in toereikende mate, opgaat.
Dit neemt evenwel niet weg dat de gerechtvaardigdheid van dit
onderscheid naar nationaliteit in de situatie van eiser wel ten
volle opgaat vanaf 17 november 1998, aangezien op dat moment een
definitieve negatieve beslissing op voornoemd verzoek om toelating
is genomen. Het feit dat verweerster als gevolg van ontwikkelingen
in de rechtspraak en tussentijdse ministeriële circulaires met
betrekking tot dit onderwerp eerst met ingang van 25 mei 2000 tot
het daadwerkelijk beëindigen van de bijstandsuitkering is
overgegaan, doet hieraan niet af. Aan de na de inwerkingtreding
van de Koppelingswet ingediende verzoeken om toelating van 7
december 1998 en 13 november 1999 kan eiser, gelet op de
uitspraken van de Raad, geen aanspraak op bijstand ontlenen.
Eisers beroep op artikel 11 juncto artikel 1 van het EVSMB faalt
evenzeer. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 26 maart 2001
(AWB 00/11800 ABW; gepubliceerd in JABW 2001/112 [LJN
AD9356,
red.]) heeft geoordeeld, valt rechtmatig verblijf in
Nederland op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van
de Vw, niet onder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van
het EVSMB. Het feit dat eiser de beslissing op zijn verzoeken om
toelating van 7 december 1998 en 13 november 1999 in Nederland mag
afwachten, op grond waarvan hij hier rechtmatig verblijf geniet in
de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, brengt
dan ook niet mee dat hij op grond van artikel 11 van het EVSMB
aanspraak op bijstand maakt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond
dient te worden verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III.
Beslissing
De Arrondissementsrechtbank
's-Gravenhage,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. E.J.M. Heijs en in het openbaar
uitgesproken op 2 oktober 2001, in tegenwoordigheid van de
griffier mr. C.G.M. van Ede.
Voor eensluidend afschrift: de griffier van de
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
Verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan
hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale
Raad van Beroep.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AE3551 |
| Instantie:xxxxxxx |
Gerechtshof
's-Gravenhage |
| Zaaknummer: |
761-H-01 |
| Datum
uitspraak: |
10
april 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
92 en 99
Abw (= 61
en 61 Wwb) |
| Trefwoorden: |
verhaal;
schenking; vermogen in eigen woning; gemeenschappelijke
juridische eigendom; economische eigendom; onverteerde inkomsten |
| Essentie: |
Terecht
verhaal op de ex-echtgenoot van een schenking gedaan door zijn
bijstandsgerechte ex-echtgenote ter grootte van
haar
aandeel in de overwaarde van de voormalig echtelijke woning, omdat
de woning, ieder voor de onverdeelde helft, de
gemeenschappelijke juridische eigendom van beiden was en van de
door de man gestelde economische eigendom niets is gebleken. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Gerechtshof
's-Gravenhage 761-H-01
B E S C H I K K
I N G
in de zaak van:
[appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man,
procureur: mr. J.P.H. Thissen,
tegen
gemeente Den Haag, zetelende te Den Haag, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mevr. drs. S. van Eik.
1. Procesverloop
De man is in 2001 in hoger beroep gekomen van een beschikking
van de rechtbank te Den Haag in 2001.
De gemeente heeft op 21 december 2001 een verweerschrift
ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij brief van 2 oktober 2001 de
stukken uit de eerste aanleg ingekomen. Voorts zijn van zijn zijde
aanvullende stukken ingekomen bij brief van 26 oktober 2001.
Op 20 februari 2002 is de zaak mondeling behandeld.
2. Vaststaande
feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting
staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen
het volgende vast.
De man is gehuwd geweest met [Y] (hierna te noemen: de vrouw),
van 21 maart 1979 tot 17 juni 1999. Uit dit huwelijk is op 1
november 1985 een kind geboren, hierna te noemen: de minderjarige.
Tussen de man en de vrouw gold op grond van huwelijkse voorwaarden
uitsluiting van gemeenschap van goederen, met verrekening van
onverteerde inkomsten.
Op 2 mei 1983 hebben de man en de vrouw gezamenlijk een woning
gekocht voor
ƒ177.500,- Bij de koopakte is onder meer bepaald
dat de man en de vrouw "verklaarden te hebben gekocht en bij deze
in volle en vrije eigendom aan te nemen, ieder voor de onverdeelde
helft: het recht van appartement, omvattende ...".
Bij akte van verdeling van 18 december 1998 is de woning aan de
man toegedeeld en heeft de vrouw afstand gedaan van haar
eigendomsaandeel.
De gemeente heeft bijstand aan de vrouw verleend, mede ten behoeve
van de minderjarige: van 9 augustus 1999 tot en met 31 oktober 1999, van 11 november
1999 tot en met 2 december 1999, van 20 januari 2000 tot en met 18
maart 2000 en van 30 maart 2000 tot en met 21 december 2000, ter
hoogte van de norm voor een alleenstaande ouder.
Met ingang van 22 december 2000 verleent de gemeente bijstand aan
de vrouw naar de norm voor een alleenstaande.
Reeds tijdens het huwelijk van de partijen had de gemeente
gezinsbijstand verleend, over de periode van 29 oktober 1997 tot
en met 22 december 1998.
Bij verhaalsbesluit van 10 juli 2000 is de man ervan op de hoogte
gesteld dat de gemeente ter zake aan de vrouw met ingang van 9
augustus 1999 verleende bijstand een bedrag van
ƒ55.541,83 op de man verhaalt, met het verzoek dit bedrag binnen
één maand over te maken aan de gemeente. De man heeft geen
betalingen verricht.
Bij verzoekschrift dat op 10 januari 2001 bij de rechtbank te
Den Haag is ingekomen, heeft de gemeente verzocht te bepalen -
gelet op artikel 92 juncto 99
Algemene bijstandswet - dat de man een
bedrag van ƒ55.541,83 aan de gemeente verschuldigd is, op grond
van een schenking van de vrouw aan de man ter grootte van haar
aandeel in de overwaarde van de voormalig echtelijke woning.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de
gemeente toegewezen.
3. Beoordeling
van het hoger beroep
1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en,
opnieuw beschikkende, het verzoek van de gemeente af te wijzen,
met veroordeling van de gemeente in de kosten.
2. De gemeente heeft de grieven van de man gemotiveerd weersproken
en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
3. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat
er sprake is van een schenking van de vrouw aan de man doordat de
vrouw ten gunste van de man afstand heeft gedaan van haar aandeel
in de eigendom van de voormalig echtelijke woning.
Daartoe voert de man aan dat de woning weliswaar op beider naam
was gesteld, maar dat de vrouw nimmer bedoeld heeft een
vermogensaanspraak aan de woning te ontlenen. Het uitsluitende
oogmerk was om de woning uit de handen van eventuele schuldeisers
van het bedrijf van de man te houden. De man stelt dat de vrouw
slechts juridisch eigenaar was, terwijl de economische eigendom
voor 100% bij hem berustte, aangezien de koopsom, behoudens voor
zover gefinancierd uit een hypothecaire lening, geheel door hem
uit zijn eigen middelen is voldaan. Ook de betalingen uit hoofde
van de hypotheeklening zijn door de man gedaan.
Volgens de man heeft de vrouw dan ook op goede gronden afstand
gedaan van haar eigendom en heeft zij redelijkerwijze het
standpunt kunnen innemen dat van een schenking richting de man
geen sprake was.
4. De gemeente voert aan dat uit de koopakte onomstotelijk blijkt
dat de man en de vrouw de woning in gemeenschappelijke eigendom
hadden. Dat de man voor 100% economisch eigenaar zou zijn is niet
alleen niet aangetoond, maar bovendien niet van belang, volgens de
gemeente. Voorts stelt de gemeente dat de door de man gestelde
bedoelingen van de verwerving in gemeenschappelijke eigendom van
de woning niets afdoen aan de juridische
eigendom.
Aangezien de vrouw wist dat het niet uitgesloten was dat zij een
beroep op de Algemene bijstandswet zou moeten doen, had zij geen
afstand mogen doen van haar helft van de waarde van de woning.
5. Het hof overweegt als volgt.
Vaststaat dat de woning op naam van de man en de vrouw stond en
dat zij deze in gemeenschappelijke eigendom, ieder voor de
onverdeelde helft, hebben verworven. Van de door de man gestelde
economische eigendom is niets gebleken. Het feit dat de man
aflossingen op de hypotheekschuld heeft gedaan, betekent niet dat
hij voor 100% de economische eigendom heeft verworven. De man
heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit geen betalingen uit
onverteerde inkomsten betrof. Ook uit de overmaking van een
bedrag van 20.000,- dollar uit Egypte op de rekening van de man,
welke storting volgens de man afkomstig was van zijn moeder uit
Egypte voor de aankoop van het huis, blijkt niet wat de herkomst
van dat geld is en dat het geen onverteerde inkomsten betreft. Uit
de koopakte van de woning blijkt bovendien op geen enkele wijze
dat de bedoelingen van de man en de vrouw erop gericht waren dat
de man de volledige economische eigendom van de woning zou
verwerven.
Voor zover de partijen andere bedoelingen hebben gehad dan uit de
koopakte blijkt, kan dit niet afdoen aan het bestaan van de
gemeenschappelijke juridische eigendom, ieder voor de onverdeelde
helft.
Naar het oordeel van het hof is voorts uit de stukken en het
verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de vrouw ten
tijde van het doen van afstand van haar eigendomsrecht de
noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijze heeft kunnen
voorzien, zodat de vordering van de gemeente tot verhaal van het
bedrag van de schenking gegrond is. Het door de gemeente
gevorderde verhaalsbedrag als zodanig is door de man niet betwist.
6. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking dient te
worden bekrachtigd.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker,
Pannekoek-Dubois en Duindam, bijgestaan door mr. Verkuil als
griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10
april 2002.
Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste
raadsheer.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3698 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/4819
ABW en 99/4821 NABW |
| Datum
uitspraak: |
7
mei 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3
Abw (= 3
Wwb) / 7:12
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; broers en zussen; wederzijdse zorg;
onderhoudsplicht; herzieningsverzoek; revisie; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing herzieningsverzoek om de aanmerking als gezamenlijke
huishouding ongedaan te maken, omdat sprake is van evident
onjuiste besluiten nu niet is gesteld of gebleken dat betrokkene
en haar broer
ten opzichte van elkaar, in
vergelijking met de twee andere broers die met hen samenwonen,
blijk geven van een bijzondere mate van zorg. Onterechte
beëindiging bijstand wegens voldoende inkomsten van de broer,
omdat sprake is van woningdeling en niet van gezamenlijke
huishouding, welke enkel kan bestaan tussen twee personen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/4819
ABW en 99/4821 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den
Helder, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van
de gedingen
Als gemachtigde van appellante heeft mr. drs. W.A.Th. Hoefs,
verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te
Alkmaar, op de bij het
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
door de rechtbank Alkmaar op 5 augustus 1999 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 26 maart 2002, waar
appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. Hoefs voornoemd, terwijl gedaagde zich, zoals
aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. Motivering
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Appellante bewoont samen met drie broers de woning aan de [P]straat
[...] te [woonplaats]. De huur, de vaste lasten, de verzekeringen
en de kosten van de huishouding worden naar rato van de inkomsten
gedeeld.
Appellante heeft van 1 maart 1993 af een uitkering ontvangen
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
Bij besluit van 26 november 1996 heeft gedaagde die uitkering met
ingang van 1 juli 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw). Gedaagde heeft in dat besluit bepaald
dat appellante op grond van artikel 3 van de
Abw als gehuwd met
haar oudste broer [broer 1] wordt aangemerkt omdat zij met hem een
gezamenlijke huishouding voert en dat haar uitkering met ingang
van 1 januari 1997 dienovereenkomstig zal worden aangepast.
Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 29 november 1996 heeft gedaagde de uitkering van
appellante op grond van artikel 3 van de
Abw met ingang van 1
januari 1997 vastgesteld op de helft van de norm voor gehuwden
minus 5% omdat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan met
anderen kan delen. Gedaagde heeft daaraan toegevoegd dat indien de
inkomsten uit arbeid van [broer 1] de voor hem geldende norm
overschrijden, de meerinkomsten met ingang van 1 januari 1997 op
de uitkering van appellante in mindering zullen worden gebracht.
Appellante heeft ook tegen dit besluit geen rechtsmiddel
aangewend.
Bij zijn besluit van 12 januari 1998 heeft gedaagde de uitkering
ingevolge de Abw van appellante met ingang van 1 december 1997
ingetrokken op de grond dat de inkomsten uit arbeid van de broer
van appellante, [broer 1], sedert 18 augustus 1997 hoger zijn dan
de voor appellante en haar broer geldende gehuwdennorm.
Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, stellend -
voor zover nog van belang - dat zij en haar broer [broer 1] geen gezamenlijke huishouding voeren omdat zij met haar
drie broers samenwoont, terwijl ingevolge de Abw
van een
gezamenlijke huishouding slechts sprake is indien twee personen
hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
In haar bezwaarschrift heeft appellante gedaagde tevens verzocht
terug te komen van zijn hiervoor vermelde besluiten van 26 en 29
november 1996.
Bij zijn besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde het bezwaarschrift
van appellante tegen het besluit van 12 januari 1998 ongegrond
verklaard. Het verzoek van appellante om terug te komen van de
besluiten van 26 en 29 november 1996 is daarbij niet gehonoreerd.
Het door appellante tegen het laatstvermelde onderdeel van het
besluit van 25 mei 1998 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij zijn
besluit van 20 oktober 1998 als ongegrond afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door appellante
tegen de besluiten van 25 mei 1998 en 20 oktober 1998 ingestelde
beroepen ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in zoverre gemotiveerd tegen die uitspraak
gekeerd.
De Raad heeft het volgende overwogen.
a. Het besluit van 20 oktober 1998
Bij dit besluit heeft gedaagde, onder verwijzing naar het advies
van de Commissie voor de bezwaarschriften ingevolge de Abw,
Ioaw
en Ioaz, zijn weigering gehandhaafd om terug te komen van zijn
besluiten van 26 en 29 november 1996. In het bedoelde advies is
die weigering als volgt gemotiveerd:
"In het bestuursrecht wordt het algemeen aanvaard dat een
bestuursorgaan ten gunste van een betrokkene kan terugkomen op een
rechtens onaantastbaar geworden besluit. Volgens de jurisprudentie
is deze bevoegdheid echter discretionair van aard en het
bestuursorgaan kan zulks ook weigeren. Een dergelijke weigering
wordt in het algemeen geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere
besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige
omstandigheden hebben voorgedaan dat men in redelijkheid niet had
mogen weigeren het eerdere besluit ongedaan te maken.
Daarbij kan gedacht worden aan strijd met enig beginsel van
behoorlijk bestuur dan wel evidente missers. In het onderhavige
geval is er geen sprake van feiten of omstandigheden die bij de
eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld dan wel van
evidente onjuistheden van de genomen besluiten.
Wat in het beroepschrift naar voren is gebracht, was al bekend ten
tijde van zowel het primaire besluit als van het besluit op het
bezwaarschrift.
De besluiten waarvan herziening wordt gevraagd, waren evenmin in
strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De
sociale dienst blijft van mening dat de gemeente de ruimte heeft
om te bepalen dat (in dit geval) de oudste broer en zuster een
gezamenlijke huishouding vormen en dat de twee andere broers
geacht worden in te wonen. Het kan bovendien nimmer de bedoeling
van de wetgever zijn geweest om binnen een groep van meer dan twee
personen, die stellen met elkaar een gezamenlijke huishouding te
voeren, ieder persoon afzonderlijk als alleenstaande aan te merken
en, in voorkomende gevallen, uitkering als alleenstaande te
verstrekken."
De Raad is van oordeel dat het besluit van 20 oktober 1998 niet
kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde,
hiervoor aangehaalde motivering, omdat de besluiten van 26 en 29
november 1996 evident onjuist zijn wegens strijd met artikel
3,
tweede lid (oud), van de Abw.
Ingevolge die bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake
indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Appellante heeft niet alleen met haar broer [broer 1], maar ook met
haar broers [broer 2] en [broer 3] hoofdverblijf in dezelfde
woning, waarbij tevens sprake is van het delen van diverse kosten
en het in enige mate zorgdragen voor elkaar.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van
de Abw kan zich de situatie voordoen dat twee personen, getoetst
aan de beoordelingscriteria van artikel 3, tweede lid (oud), van
de Abw, een gezamenlijke huishouding voeren, óók indien nog
één
of meer andere personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf
hebben. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte
van elkaar blijk geven van een mate van zorg die niet aanwezig is
ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde
woning hun hoofdverblijf hebben.
In het onderwerpelijke geval is echter niet gesteld of gebleken
dat appellante en haar broer [broer 1] ten opzichte van elkaar, in
vergelijking met de twee andere broers die met hen samenwonen,
blijk geven van een bijzondere mate van zorg, zoals gedaagde
kennelijk meent. Appellante en haar broer [broer 1] kunnen dan ook
niet geacht worden een gezamenlijke huishouding in de zin van de
wet te voeren. Daarbij zij aangetekend dat, anders dan gedaagde
van mening is, artikel 3, tweede lid (oud), van de
Abw de
gemeentebesturen niet de ruimte biedt om, wanneer meer dan twee
personen op min of meer gelijke voet hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben, aan de hand van andere dan de wettelijke criteria,
zoals in casu op grond van leeftijd, te bepalen wie een
gezamenlijke huishouding voert en wie alleenstaande is.
Gelet op het vorenoverwogene dient het besluit van 20 oktober 1998
wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.
b. Het besluit van 25 mei 1998
De Raad stelt vast dat, gezien de hiervoor onder
a gegeven
overwegingen, de grondslag aan dit besluit, waarbij de intrekking
van de uitkering van appellante is gehandhaafd op de grond dat de
inkomsten van haar broer [broer 1] de uitkeringsnorm voor gehuwden
overschrijden, is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit wegens
strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de
Awb dient te worden
vernietigd.
De aangevallen uitspraak komt, voor zover daarbij de beroepen
tegen de besluiten van 25 mei 1998 en 20 oktober 1998 ongegrond
zijn verklaard, eveneens voor vernietiging in aanmerking.
Appellante heeft ten slotte nog verzocht gedaagde op grond van
artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de
schade die appellante stelt te hebben geleden.
Dienaangaande is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet
voor toewijzing in aanmerking komt omdat gedaagde, met
inachtneming van de uitspraak van de Raad, nadere besluiten op de
bezwaren van appellante moet nemen. De Raad heeft daarbij
onvoldoende inzicht in de omvang van de door appellante geleden
schade. Wel zal gedaagde bij de voorbereiding van de nadere
besluitvorming ter uitvoering van 's Raads uitspraak van heden
tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er
termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van
appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op €|966,- in beroep en op
€|644,- in
hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten van 25 mei
1998 en 20 oktober 1998 gegrond en vernietigt die besluiten;
bepaalt dat gedaagde nadere besluiten neemt op de bezwaarschriften
van appellante met inachtneming van het in deze uitspraak
overwogene;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag groot €|1610,-, te betalen door de gemeente Den
Helder aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Den Helder aan appellante het door haar
betaalde griffierecht van in totaal €|127,06
(ƒ280,-),
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.
(get.) Th. C. van Sloten.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
Tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep
ingevolge de
Algemene bijstandwet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de
wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de
op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een
beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der
Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / WW |
x
LJN: |
x
AE3704 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
00/5701
NABW |
| Datum
uitspraak: |
7
mei 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7
Abw (= 11
Wwb) /
31 WW |
| Trefwoorden: |
inkomsten;
WW-voorschotten; terugvordering; weigering bijstand met
terugwerkende kracht |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijstand met terugwerkende kracht, omdat betrokkene in
de periode in geding WW-voorschotten heeft ontvangen en aldus
beschikte over voldoende middelen van bestaan; de omstandigheid
dat de voorschotten nadien zijn teruggevorderd, doet daar niets
aan af. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 00/5701
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Drimmelen, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op
5 oktober 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen. Mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden, heeft zich
als gemachtigde van appellant gesteld en bij schrijven van 27
april 2001 de gronden voor het beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad
op 26 maart 2002,
waar namens appellant is verschenen mr. Klinkert, voornoemd,
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.
Suykerbuyk, werkzaam bij de gemeente
Drimmelen.
II. Motivering
Aan de aangevallen uitspraak - waarin voor eiser en verweerder
moet worden gelezen appellant en gedaagde - ontleent de Raad
de
volgende feiten en omstandigheden.
"Nadat eiser op 16 september 1997 werkloos werd, ontving hij
vanaf de eerste werkloosheidsdag tot en met 28 maart 1999
voorschotten van het GAK in het kader van de
WW, in afwachting van
de beslissing op zijn aanvraag om een WW-uitkering.
Bij besluit van 10 mei 1999 is de WW-aanvraag afgewezen omdat
eiser verwijtbaar werkloos werd geacht. Daarbij is overwogen dat
eisers protest tegen het ontslag op staande voet niet geleid heeft
tot intrekking van het ontslag noch tot loondoorbetaling.
Bij besluit van 11 mei 1999 zijn de onverschuldigd betaalde
voorschotten over de periode vanaf 17 september 1997 tot en met 28
maart 1999 - in totaal
ƒ49.802,22 bruto - van hem teruggevorderd.
Eiser heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.
Na zich op 12 mei 1999 bij verweerder gemeld te hebben, heeft
eiser op 23 juni 1999 een aanvraag ingediend voor een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) voor de periode
van 15 september 1997 tot en met 31 december 1997. Dit is de
periode waarin hij woonachtig was in de gemeente
Drimmelen.
Bij besluit van 12 juli 1999 (hierna: primaire besluit) heeft
verweerder afwijzend beschikt op deze aanvraag, onder verwijzing
naar artikel 7, eerste lid, van de Abw.
Verweerder stelt dat eiser over de gehele voornoemde periode
middelen heeft gehad om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
te voorzien. Dat de WW-uitkering ten onrechte is verstrekt en dat
deze wordt teruggevorderd, doet hier niets aan af, aldus
verweerder.
Tegen het primaire besluit heeft eiser bij brief van 20 juli 1999
bezwaar aangetekend. Op 19 augustus 1999 vond er in dit verband
een hoorzitting plaats.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaarschrift
ongegrond verklaard."
De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of
het bestreden besluit van 2 september 1999, waarbij gedaagde de
bezwaren tegen de afwijzing van de aanvraag van appellant om
bijstand over de periode van 16 september 1997 tot 2 januari 1998
ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden. Evenals de
rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt
de Raad deze vraag bevestigend.
De Raad overweegt dat tussen partijen
vaststaat dat appellant ten
tijde hier in geding een voorschot op een uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet ontving ter hoogte van ten minste de
toepasselijke bijstandsnorm. Derhalve beschikte appellant in het hier in geding
zijnde tijdvak over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Appellant heeft zich erop beroepen dat hij gelet op het rechtens
onaantastbaar geworden besluit van 11 mei 1999 van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) gehouden is de ontvangen
voorschotten terug te betalen, aan welke verplichting hij
inmiddels deels heeft voldaan. De Raad kan aan deze omstandigheid
evenwel niet die betekenis toekennen die appellant daaraan
kennelijk gehecht wil zien. De omstandigheid dat naderhand een
terugbetalingsverplichting is ontstaan jegens het Lisv brengt naar
het oordeel van de Raad niet mee dat het karakter van de aan
appellant destijds uitbetaalde voorschotten achteraf anders dient
te worden beoordeeld.
Naar aanleiding van hetgeen verder namens appellant naar voren is
gebracht, merkt de Raad op dat het in dit geding gaat om de vraag
of appellant in het betrokken tijdvak over voldoende middelen van
bestaan om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,
heeft beschikt en dat niet aan de orde is de vraag of appellant
verzuimd heeft tijdig een aanvraag ingevolge de Abw
in te dienen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr.
J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AE3712 |
| Instantie:xxxxxxx |
Centrale
Raad van Beroep |
| Zaaknummer: |
99/3200
NABW |
| Datum
uitspraak: |
7 mei 2002 |
| Soort
procedure: |
hoger
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
13,
17, 33, 38
en 39 Abw
(= 18, 15,
25, 30
en 35 Wwb)
/ 7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; onderhuurder; gederfde huursubsidie;
onderhuurprijs; Huurprijzenwet woonruimte; bijzondere bijstand;
woonkostentoeslag; voorliggende voorziening; gemeentelijke
verordening; individualisering; motivering |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing verzoek om verhoging van de toeslag (in verband met
onderhuur vastgesteld op 5% WML), omdat in dit individuele
geval, in afwijking van de gemeentelijke verordening, de toeslag
hoger dient te worden vastgesteld nu vanwege de onderhuur
huursubsidie wordt gederfd en geen hogere onderhuurprijs kan
worden bedongen. Woonkostentoeslag, waarbij de Huursubsidiewet
i.c. geen toereikende voorliggende voorziening is, is dan niet
meer aan de orde. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Centrale
Raad van Beroep 99/3200
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Eindhoven, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Namens appellante heeft mr. J.M.G. Cox, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 29 april 1999 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft
vervolgens daarop gereageerd.
Gedaagde heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van
26 februari 2002, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn
verschenen.
II. Motivering
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad
uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
Appellante, die een bijstandsuitkering naar de norm voor een
alleenstaande ontvangt, is huurster van een vierkamerwoning met
een kale huur van (ten tijde van belang)
ƒ606,45 en
ƒ30,42
servicekosten per maand. Zij verhuurt aan mevrouw [A] (hierna:
[A]) een kamer voor
ƒ200,40 per maand en
ƒ50,- als bijdrage in
de kosten van water en energie. In verband hiermee ontvangt zij
minder huursubsidie doordat op de subsidiabele huur een aftrek van
25% wordt toegepast.
Tot 1 september 1996 is op de uitkering van appellante op grond
van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van het
Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) een korting toegepast,
welke korting vanaf 8 april 1991 met toepassing van artikel 2,
tweede lid, van het Bln is verminderd met het bedrag van de door
appellante in verband met de onderverhuur gederfde huursubsidie.
Bij besluit van 21 augustus 1996 is de bijstandsuitkering van
appellante met ingang van 1 september 1996 omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw). Appellante is
een uitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend,
verhoogd met een toeslag van 5% van het wettelijk
minimumloon,
omdat zij geacht werd zowel de woonkosten als de overige
woonkosten te delen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is
bij besluit van 30 september 1997 wegens termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 4 augustus 1997 heeft appellante, voor zover hier van
belang, verzocht om toekenning van een hogere toeslag, dan wel om
bijzondere bijstand in verband met gederfde huursubsidie.
Gedaagde heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten
bij besluit van 29 september 1997 afgewezen op de grond dat voor
het gevraagde een voorliggende voorziening bestaat, te weten de Huursubsidiewet, dat deze voorziening passend en toereikend wordt
geacht en dat niet van dringende redenen is gebleken om van dit
uitgangspunt af te wijken.
Appellante heeft tegen het besluit van 29 september 1997 bezwaar
gemaakt; deze bezwaren betreffen de afwijzing van de bijzondere
bijstand alsmede het uitblijven van een besluit op haar verzoek om
een hogere toeslag.
Bij besluit van 3 februari 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen
het uitblijven van een besluit op de aanvraag om een hogere
toeslag gegrond verklaard en deze aanvraag alsnog afgewezen en
het bezwaar tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor
woonkosten ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 3
februari 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellante
gemotiveerd bestreden. Appellante meent in aanmerking te komen
voor een hogere toeslag dan wel voor bijzondere bijstand. Daartoe
is onder meer aangevoerd dat zij door de samenloop van derving van
huursubsidie
(ƒ152,- in plaats van
ƒ295,50 per maand) en de
beperking van de toeslag tot 5% maandelijks
ƒ220,-
tekortkomt
en voorts dat zij van [A] geen hogere bijdrage in de woonkosten
kan bedingen, nu zowel de huurprijs als de overige
betalingsverplichtingen van [A] in overeenstemming zijn met de
Huurprijzenwet woonruimte. Appellante meent dat in haar geval ten
onrechte individualisering met toepassing van artikel
38, vierde
lid, in verbinding met artikel 13 van de
Abw achterwege is
gebleven.
Met betrekking tot de hoogte van de toeslag overweegt de Raad
het
volgende.
Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de
Abw verhogen burgemeester
en wethouders voor een alleenstaande, of een alleenstaande ouder,
van 21 jaar of ouder de bijstandsnorm met een toeslag
voor zover de
belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van
het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een
ander. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw
(Kamerstukken II 1993-1994, nr. 18, blz. 30) is de aanvulling als
bedoeld in artikel 33 geen vrijblijvende bevoegdheid van de
gemeenten, maar een uitdrukkelijke verantwoordelijkheid om de
bijstand op een zodanig bedrag vast te stellen dat in de
noodzakelijke bestaanskosten is voorzien.
Artikel 38, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat het gemeentebestuur
bij verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm
wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de
hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
Ter uitvoering van artikel 38 van de Abw
heeft de raad van de
gemeente Eindhoven de Verordening toeslagen en verlagingen Abw
(hierna: de verordening) vastgesteld.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de
verordening wordt, indien een huurwoning wordt bewoond, onder
woonkosten verstaan: de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de
Huursubsidiewet. Blijkens artikel 1, aanhef en onder
j, van de verordening en de toelichting op deze bepaling worden tot de
overige woonkosten onder meer gerekend de kosten van verzekeringen
en belastingen verbonden aan een woning, de kosten van de
kabelaansluiting, vastrecht van de nutsbedrijven, van een
telefoonabonnement, luister- en kijkgeld en de kosten van duurzame
gebruiksgoederen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 3,
zesde lid, aanhef en onder c, van de verordening bedraagt de
toeslag 5% van de norm, genoemd in artikel 30, onderdeel c, van
de wet
(het wettelijk minimumloon), indien zowel de woonkosten als de
overige woonkosten kunnen worden gedeeld.
De Raad stelt vast dat appellante een deel van haar woning
onderverhuurt en zowel de woonkosten als (althans een deel van) de
overige woonkosten met [A] kan delen. Dit betekent dat in het
geval van appellante artikel 3, zesde lid, aanhef en onder c, van
de verordening van toepassing is. De Raad merkt daarbij op dat
niet bepalend is of de woonkosten en de overige woonkosten door
appellante en [A] feitelijk worden gedeeld, maar dat die kosten
kunnen worden gedeeld. De Raad merkt in dit verband voorts op dat
de verordening overeenkomstig artikel 38 van de
Abw uitgaat van
een categoriale benadering, waarbij ervan wordt uitgegaan dat
personen die met anderen een woning bewonen in beginsel kosten
kunnen delen en dat in dat kader geen plaats is voor een op de
persoon gerichte individuele beoordeling.
Deze vaststelling laat echter onverlet dat gedaagde op grond van
artikel 13 van de Abw de bijstand afwijkend dient vast te stellen
als de individuele omstandigheden van de betrokkene daartoe
aanleiding geven. De Raad wijst in dit verband tevens op artikel
38, vierde lid, van de Abw, waarin is bepaald dat verhoging of
verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de
toeslag plaatsvindt onverminderd artikel 13, eerste lid, van de
Abw.
Ter zake komt uit de gedingstukken naar voren dat appellante
aanspraak had op huursubsidie
ter hoogte van ƒ152,- per maand.
Als gevolg van de onderverhuur van een kamer aan [A] is daarbij
een met 25% verlaagde rekenhuur tot uitgangspunt genomen met als
effect dat zij een aanzienlijk lagere huursubsidie ontvangt dan
wanneer van onderverhuur geen sprake was geweest.
Daarnaast is er bij de vaststelling van de toeslag in feite van
uitgegaan dat appellante in verband met de inwoning van [A]
schaalvoordelen kan hebben ter hoogte van 9% + 6% = 15% van het
minimumloon voor de dekking van woonkosten en overige woonkosten,
met als effect dat haar toeslag op een vierde deel van het in
artikel 33, tweede lid, van de Abw
genoemde maximumbedrag is
gesteld.
De Raad stelt vast dat deze - cumulatief werkende - effecten in
het geval van appellante tot een resultaat leiden waarin niet
langer kan worden aangenomen dat de toepasselijke bijstandsnorm
verhoogd met een toeslag van 5% zodanig is dat in de noodzakelijke
bestaanskosten is voorzien.
Gedaagde heeft zijn in dit verband betrokken stelling dat
appellante voor de door [A] gehuurde kamer een zodanige huur kan
verlangen dat daarmee zowel de lagere toeslag als de gederfde huursubsidie
kan worden opgevangen niet met concrete gegevens
onderbouwd. De Raad ziet in de gedingstukken evenmin een
toereikende grondslag voor het oordeel dat de overeengekomen
huurprijs en bijdrage in de kosten van water en energie voor het
gebruik van één kamer met gebruik van badkamer niet als reëel
kan worden beschouwd. In dit verband heeft de gemachtigde van
appellante terecht gewezen op de beperkingen die voortvloeien uit
het bepaalde bij en krachtens de Huurprijzenwet woonruimte. Anders
dan gedaagde is de Raad van oordeel dat hieraan niet voorbij kan
worden gezien indien de mogelijkheden en middelen van betrokken
bijstandsgerechtigde moeten worden beoordeeld.
Het vorenstaande brengt mee dat gedaagde in de individuele
omstandigheden van appellante aanleiding had moeten vinden om met
toepassing van artikel 13 van de Abw
de toeslag in afwijking van
artikel 3 van de verordening op een hoger bedrag vast te stellen.
Het besluit van 3 februari 1998, voor zover daarbij is geweigerd de
toeslag op een hoger bedrag vast te stellen, komt dan ook op dit
onderdeel wegens strijd met de wet voor vernietiging in
aanmerking.
Met betrekking tot de bij het besluit van 3 februari 1998
gehandhaafde afwijzing van bijzondere bijstand in de woonkosten
merkt de Raad op dat in het licht van het boventaande thans niet
als juist kan worden aanvaard dat de Huursubsidiewet
voor
appellante geacht kan worden een toereikende en passende
voorziening te zijn. Op basis van de nu beschikbare gegevens kan
niet als vaststaand worden aangenomen dat het totale inkomen van
appellante gelijk of hoger zou kunnen zijn dan het
minimuminkomensijkpunt voor een eenpersoonshuishouden, genoemd in
artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huursubsidiewet.
Dit is de som van de bedragen, bedoeld in de artikelen
30, eerste
lid, onder a, en 33, tweede lid, van de
Abw (de bijstandsnorm voor
een alleenstaande van 21 jaar of ouder en het bedrag van de
maximale toeslag).
Dit betekent dat artikel 17, eerste lid, van de
Abw onder de
gegeven omstandigheden geen toereikende grondslag biedt voor de
weigering van bijzondere bijstand in de woonkosten van appellante
en dat het besluit van 3 februari 1998 in zoverre wegens strijd
met artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.
Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in
stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met in
achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. De Raad
tekent
daarbij aan dat, gelet op de nu voorhanden gegevens, in het geval
van appellante met een verhoging van de toegekende toeslag zou
kunnen worden volstaan.
De gemachtigde van appellante heeft verzocht gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente op grond van
artikel 8:73 van de Awb. Dit verzoek komt thans niet voor
toewijzing in aanmerking omdat de Raad
onvoldoende inzicht heeft
in de vraag in welke omvang er van vertragingsschade sprake is, nu
nog niet vaststaat hoe het nader besluit zal gaan luiden. Gedaagde
zal bij het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden
aan de vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te
vergoeden.
De Raad acht - ten slotte - termen aanwezig om op grond van
artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op €|644,- voor verleende rechtsbijstand.
III.
Beslissing
De Centrale
Raad van Beroep,
recht doende:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit, voor zover aangevochten;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van €|644,-,
te betalen door de gemeente
Eindhoven;
bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellante het in eerste
aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €|104,37
(ƒ230,- ) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr.
J.G. Treffers en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 7 mei 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|