|
Uitspraak
02/514 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is door mr. M.R.P. Ossentjuk, werkzaam bij het Bureau
voor Rechtshulp te Emmen, op de bij beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 7 december
2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/289 ABW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 maart 2004, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Ossentjuk, en waar gedaagde
zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de stukken de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant, geboren [in] 1940, dient aan de gemeente Emmen een bedrag van
in totaal f 27.021,94 terug te betalen wegens ten onrechte ontvangen
bijstand. Dit bedrag bestaat uit een door de kantonrechter op 23 oktober
1991 vastgestelde vordering van f 7.895,39, waarop tot en met november
1992 door appellant een bedrag van f 1.817,59 is afgelost, alsmede uit
een door de rechtbank op 30 augustus 1995 vastgestelde vordering van f
20.944,14.
Appellant heeft tot december 1992 een bijstandsuitkering ontvangen als
aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Ziektewet. Een aanvulling op
de hem aansluitend toegekende uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) - welke uitkering beneden de
voor hem geldende bijstandsnorm ligt - heeft appellant tot op heden niet
aangevraagd.
Namens appellant is bij brief van 20 september 2000 verzocht op grond
van artikel 78c van de Algemene bijstandswet (Abw) af te zien van
(verdere) terugvordering van de nog openstaande vordering van f
27.021,94. Dit verzoek is bij besluit van 15 november 2000 door gedaagde afgewezen op de grond dat appellant niet
voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 78c, eerste lid, aanhef en
onder c, van de Abw.
Bij besluit van 8 februari 2001 heeft gedaagde het tegen dit besluit
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen dit besluit ongegrond
verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw kunnen
burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of van verdere
terugvordering af te zien, indien de belanghebbende gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op
enig moment zal gaan verrichten.
Vaststaat dat appellant gedurende vijf jaar geen betaling heeft
verricht. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag of appellant op enig moment nog betalingen zal gaan verrichten.
De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant
weliswaar thans een zodanig inkomen heeft dat er geen sprake is van
enige aflossingscapaciteit, doch dat dit anders wordt indien hij de
65-jarige leeftijd bereikt. Op dat moment zal hij immers een uitkering
ingevolge de Algemene Ouderdomswet gaan ontvangen, welke uitkering naar
verwachting ten minste gelijk is aan de voor hem geldende bijstandsnorm.
Derhalve is er in het geval van appellant geen aanleiding te
veronderstellen dat er op enig moment geen incasso meer mogelijk is. Dat
brengt met zich dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in
artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw. De Raad neemt
hierbij tevens in aanmerking dat appellant - door zijn weigering een
aanvulling op zijn WAO-uitkering aan te vragen - het zelf in de hand
heeft of in zijn inkomen enige ruimte voor aflossing aanwezig is.
Het vorenstaande betekent dat gedaagde in dit geval niet tot het afzien
van verdere terugvordering op grond van artikel 78c van de Abw bevoegd
was. Het gemeentelijke beleid en de toepassing daarvan kunnen daarom
verder onbesproken blijven.
Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd behoeft naar het oordeel
van de Raad geen bespreking nu deze grieven zien op zaken die geen
onderdeel uitmaken van het hier in geding zijnde besluit.
Dit betekent dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft
verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van
der Kolk-Severijns en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
20 april 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|