|
Uitspraak
01/2188 NABW en 02/4918 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Als gemachtigde van appellante heeft mr. P. Veenhoven, advocaat te
Almere, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 1 maart 2001, reg.nr.
00/4799 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd stukken aan
de Raad gezonden.
De rechtbank Zwolle heeft een nader door gedaagde genomen besluit van 19
juni 2002 en een daartegen gericht beroepschrift aan de Raad
doorgezonden.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nrs. 03/5600 NABW en
04/717 NABW, behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellante in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat te
Lelystad, terwijl gedaagde niet is verschenen. Na de sluiting van het
onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze
zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1989 een bijstandsuitkering, laatstelijk vanaf
18 maart 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor
een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van twee anonieme meldingen dat appellante een
gezamenlijke huishouding zou voeren met [naam partner] (hierna: [naam
partner]), heeft de sociale recherche van gedaagde een onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende
uitkering. In dat kader zijn onder meer observaties gedaan, zijn
appellante, [naam partner] en enkele getuigen verhoord, is huisbezoek
afgelegd in de woningen van appellante en [naam partner], is
dossieronderzoek verricht en is informatie verkregen van diverse
instanties. De resultaten van dit onderzoek zijn vervolgens neergelegd
in een rapport van 30 juli 1999.
Bij besluit van 13 juli 1999 heeft gedaagde de uitbetaling van de
uitkering van appellante met ingang van 9 juli 1999 geblokkeerd.
Bij besluit van 28 juli 1999 heeft gedaagde de uitkering van appellante
gedurende de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 herzien
en met ingang van 1 juli 1999 beëindigd.
Bij besluit van eveneens 28 juli 1999 heeft gedaagde van appellante de
kosten van de aan haar verleende bijstand over de periode van 1 januari
1997 tot en met 30 juni 1999 teruggevorderd. Voorts heeft gedaagde de
kosten van de aan [naam partner] over de genoemde periode verleende
bijstand op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw mede van haar
teruggevorderd.
Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 10 maart 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen de beëindiging
van de uitkering met ingang van 1 juli 1999 gegrond verklaard, doch voor
het overige de bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het namens appellante tegen het besluit
van 10 maart 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd voorzover betrekking hebbend op de herziening en
terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 1997 tot 1
juli 1997.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd
voorzover daarbij haar beroep niet is gehonoreerd.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde op 19 juni
2002 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de uitkering van
appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 1999
herzien is naar de norm voor gehuwden. Tevens zijn de kosten van de over
deze periode aan appellante en [naam partner] verleende bijstand tot een
bedrag van f 46.730,07 van haar teruggevorderd op grond van artikel 81,
eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 84, tweede lid, van de
Abw. Daaraan ligt gedaagdes standpunt ten grondslag dat aan appellante
en [naam partner], die evenals appellante in de periode in geding in
bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde, vanaf 1 juli 1997
gezamenlijk recht op gezinsbijstand toekomt. Voorts heeft gedaagde
gehandhaafd het standpunt dat de uitbetaling van de uitkering van
appellante naar de norm voor een alleenstaande ouder terecht met ingang
van 9 juli 1999 is geblokkeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat gelet op de inhoud van het hoger
beroep en het verhandelde ter zitting in geding zijn de herziening en de
terugvordering van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1
januari 1999 alsmede de blokkering van de uitbetaling van de uitkering
van appellante met ingang van 9 juli 1999.
De Raad merkt het nadere besluit van 19 juni 2002 aan als een besluit in
de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met
dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van
appellante, dient de Raad dit besluit - gelet op artikel 6:19 in
verbinding met artikel 6:24 van de Awb - tevens in zijn beoordeling te
betrekken.
De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 19 juni 2002,
voorzover in geding, geheel in de plaats is getreden van het eerdere
besluit van 10 maart 2000. In die omstandigheid heeft appellante geen
procesbelang meer bij het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk moet
worden verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 19 juni 2002 overweegt de Raad als
volgt.
De herziening
Aan de herziening is ten grondslag gelegd dat appellante en [naam
partner] over de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding
hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3, tweede (tekst tot 1 januari
1998) respectievelijk derde lid (tekst vanaf 1 januari 1998), van de
Abw.
Vaststaat dat appellante en [naam partner] ten tijde hier van belang
ieder over een eigen woning beschikten. Naar vaste rechtspraak van de
Raad behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen op zichzelf
aan het gezamenlijk voorzien in huisvesting of het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg te staan. In dat geval
zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke
situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter
beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een
andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de
facto van samenwonen moet worden gesproken.
De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat appellante en [naam
partner] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding in
vorenbedoelde zin hebben gevoerd. De Raad is met de rechtbank van
oordeel dat op grond van de onderzoeksbevindingen van de sociale
recherche genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [naam
partner] gezamenlijk hebben voorzien in huisvesting respectievelijk
feitelijk hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en dat
zij er tevens blijk van hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De
Raad verenigt zich met de door de rechtbank gehanteerde overwegingen die
aan dit oordeel ten grondslag liggen.
Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de verrichte
observaties - kort gezegd - niet op een wettelijke grondslag berusten en
ook anderszins onrechtmatig zijn. De Raad kan appellante hierin niet
volgen. Overeenkomstig vaste rechtspraak is de wettelijke grondslag voor
het verrichten van observaties gelegen in artikel 66 van de Abw. De Raad
stelt vervolgens vast dat op grond van de ontvangen anonieme tips voor
gedaagde voldoende aanleiding bestond de juistheid daarvan door middel
van observaties te onderzoeken. De met de observaties gemaakte inbreuk
op de privacy van appellante acht de Raad niet ongeoorloofd, nu niet kan
worden gezegd dat deze onevenredig is ten opzichte van het met het
onderzoek nagestreefde doel en dit doel ook niet op een minder
ingrijpende wijze kon worden bereikt. Uit het voorgaande volgt dat er
geen grond is voor de conclusie dat gedaagde de onderzoeksbevindingen
niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. Ook hetgeen
appellante overigens heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander
oordeel doen leiden.
Door van deze gezamenlijke huishouding bij gedaagde geen melding te
maken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenplicht als
bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.
Appellante kon derhalve ten tijde in geding niet langer als een
zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd, zodat zij geen recht
had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Gedaagde was dan ook gehouden om toepassing te geven aan artikel 69,
derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Vervolgens heeft gedaagde het
recht van appellante op uitkering vastgesteld naar de norm voor
gehuwden. Van dringende redenen in de zin van artikel 69, vijfde lid,
van de Abw om geheel of gedeeltelijk van deze herziening af te zien is
de Raad niet gebleken.
Terugvordering
Met het voorgaande is tevens gegeven dat over het tijdvak 1 juli 1997
tot 1 januari 1999 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was over te
gaan tot terugvordering van de kosten van de aan appellante over dat
tijdvak ten onrechte verleende bijstand. Van dringende redenen op grond
waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien, is de Raad niet
gebleken.
Met betrekking tot de terugvordering van appellante met toepassing van
artikel 84, tweede lid, van de Abw van de aan [naam partner] ten
onrechte verleende bijstand overweegt de Raad als volgt.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen biedt artikel 84, tweede lid, van
de Abw, zoals dit luidde tot de wijziging van deze bepaling ingaande 31
december 1998, geen basis voor terugvordering mede van de partner met
wiens middelen bij de verlening van de bijstand ten onrechte geen
rekening is gehouden in gevallen waarin naar de norm van een
alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend. Gelet hierop kon
gedaagde ten aanzien van appellante tot 1 mei 1998 geen toepassing geven
aan deze bepaling, omdat blijkens de stukken [naam partner] tot die
datum gezinsbijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is
verleend en vanaf die datum bijstand naar de norm voor een
alleenstaande, zodat tot die datum de verlening van gezinsbijstand dus
niet achterwege is gebleven.
Appellante heeft doen betogen dat deze bepaling ten onrechte is
toegepast voor de periode vanaf 1 mei 1998 aangezien [naam partner] in
het betrokken tijdvak bijstand ontving en een bijstandsuitkering niet
kan worden beschouwd als vermogens- of inkomensbestanddeel als bedoeld
in artikel 42 van de Abw, zodat hij geen persoon is als bedoeld in
artikel 84, tweede lid, van de Abw met wiens middelen bij de verlening
van bijstand rekening had moeten worden gehouden. De Raad kan appellante
hierin niet volgen. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84,
tweede lid, van de Abw is voldaan indien de bijstand op grond van
artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand aan gehuwden had
moeten worden verleend, maar zulks wegens het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 65 van de Abw
achterwege is gebleven. Aangezien, gelet op hetgeen hiervoor is
overwogen, voldaan is aan die voorwaarden, was gedaagde derhalve
gehouden om ten aanzien van appellante over het betrokken tijdvak
toepassing te geven aan deze bepaling
Het voorgaande betekent dat het besluit van 19 juni 2002 voorzover het
de terugvordering betreft wegens strijd met de wet geheel moet worden
vernietigd. Een terugvorderingsbesluit (dat een executoriale titel
oplevert) moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt
in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde
bijstandsuitkering. Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen de Raad in
deze uitspraak heeft overwogen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar
moeten nemen.
Blokkering
De Raad stelt vast dat het belang van appellante bij een uitspraak ten
gronde over de blokkering van de uitbetaling van haar uitkering met
ingang van 9 juli 1999 thans niet meer aanwezig is, aangezien appellante
in hoger beroep de omvang van het geding heeft beperkt de periode van 1
juli 1997 tot 1 januari 1999 en zij geen bezwaren heeft tegen de
verlening van gezinsbijstand aan haar en [naam partner] met ingang van 9
juli 1999.
Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat zij met betrekking tot de
blokkering een oordeel ten principale van de Raad wenst te verkrijgen
omtrent gedaagdes besluitvorming. De Raad zal dit verzoek van appellante
niet honoreren. De Raad heeft al vaker geoordeeld dat het de taak van de
rechter is om geschillen te beslechten en niet om op verzoek van (een
van de) partijen bij wijze van voorlichting overwegingen van principiële
aard in de uitspraak op te nemen.
Proceskosten
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- wegens in
hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juni 2002 gegrond
voorzover het betreft de terugvordering en vernietigt dat besluit in
zoverre;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot € 644,--, te betalen door de gemeente Lelystad;
Bepaalt dat de gemeente Lelystad aan appellante het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E.
Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.
(get.) Th. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|