|
Uitspraak
02/4329
NABW en 02/4330 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2002, reg.nr. 01/1254 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar mr. Van
de Laar voor appellanten is verschenen, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de
gemeente Eindhoven.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen vanaf 27 mei 1993 een bijstandsuitkering berekend
naar de norm voor gehuwden, aanvankelijk op grond van de op de Algemene
Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en
later - met ingang van 1 februari 1997 - ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw). Van 14 juli 1999 tot 8 december 1999 ontvingen
appellanten geen uitkering omdat zij in de noodzakelijke kosten van het
bestaan konden voorzien doordat appellant inkomsten uit arbeid ontving.
Naar aanleiding van een door de regiopolitie Brabant Zuid-Oost ingesteld
onderzoek naar de handel in drugs vanuit de woning van appellanten en de
aanhouding van beiden op 8 februari 2000 heeft de Unit Bijzonder
Onderzoek van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven
een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten
verstrekte bijstandsuitkering. Bij dat onderzoek is niet alleen - na
verkregen toestemming van de officier van justitie - gebruik gemaakt
van de onderzoeksgegevens in het kader van het strafrechtelijk
onderzoek, maar zijn appellanten ook door de sociale recherche gehoord
en is dossieronderzoek verricht.
Op basis van de bevindingen van het onderzoek van de Unit Bijzonder
Onderzoek, neergelegd in een rapport van 15 december 2000, heeft
gedaagde bij een aan beiden gericht besluit van 21 december 2000 het
recht op uitkering van appellanten met ingang van 1 juli 1997
ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1996 tot en met 10 februari 2000 tot een bedrag van f
106.914,24 van hen teruggevorderd.
Bij besluit van 1 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellanten
tegen het besluit van 21 december 2000 ongegrond verklaard. Daarbij
heeft gedaagde aan de terugvordering wat de periode van 1 januari 1996
tot 1 februari 1997 betreft de bepalingen van de ABW ten grondslag
gelegd en terzake van de daarop aansluitende periode tot 1 juli 1997 de
bepalingen van de Abw zoals die golden tot 1 juli 1997. De intrekking
van het recht op uitkering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 10
februari 2000 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand
over die periode heeft gedaagde gebaseerd op de bepalingen van de Abw
zoals die sedert 1 juli 1997 luiden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 mei 2001 ongegrond
verklaard.
In hoger beroep is deze uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad begrijpt - mede gelet op de ter zitting van de zijde van
gedaagde gegeven toelichting - het besluit van 1 mei 2001 aldus dat
het recht op bijstand vanaf 1 januari 1996 als gevolg van de schending
van de inlichtingenplicht niet is vast te stellen en dat gedaagde over
de periode vanaf 1 juli 1997 tot en met 10 februari 2000 het recht op
uitkering om die reden heeft ingetrokken en de kosten van bijstand over
de periode vanaf 1 januari 1996 tot en met 10 februari 2000 van
appellanten heeft teruggevorderd.
Op grond van bovenvermelde onderzoeksbevindingen is voor de Raad
voldoende komen vast te staan dat appellant, al dan niet tezamen met
appellante, zich in ieder geval over het tijdvak van 1 januari 1996 tot
8 februari 2000 - de dag waarop beiden in verzekering zijn gesteld - in betekenende mate heeft bezig gehouden met handel in drugs. Dit valt
niet alleen af te leiden uit de verklaringen van diverse getuigen, maar
ook uit de beide verklaringen die appellante tegenover de regiopolitie
en de sociaal rechercheurs heeft afgelegd.
Appellanten hebben van deze activiteiten en de daaruit ontvangen
inkomsten geen mededeling gedaan aan gedaagde, terwijl dit van belang is
voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan. Appellanten
zijn derhalve over het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 10 februari
2000 - de dag voordat de uitkering werd beëindigd - de op hen
rustende inlichtingenplicht niet nagekomen. Doordat elke vorm van
administratie met betrekking tot de activiteiten en de inkomsten daaruit
ontbreekt, is als gevolg van deze schending van de inlichtingenplicht
niet vast te stellen of appellanten ten tijde in geding nog recht op
(aanvullende) bijstand hadden.
Dit betekent dat vanaf 1 januari 1996 geen recht op bijstand ingevolge
de ABW meer bestond. Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder
c, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet waren daarom
vanaf 1 februari 1996 de bepalingen van de Abw op appellanten van
toepassing. Omdat aan het besluit op bezwaar voorzover dat ziet op de
terugvordering van bijstand over de periode van 1 januari 1996 tot 1
februari 1997 de bepalingen van de ABW ten grondslag zijn gelegd, dient
dat besluit wat de periode van 1 februari 1996 tot 1 februari 1997
betreft wegens strijd met de wet te worden vernietigd. De Raad stelt
vast dat de rechtbank hieraan voorbij is gegaan zodat ook de aangevallen
uitspraak in zoverre geen stand kan houden.
De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van dit te
vernietigen gedeelte van het besluit van 1 mei 2001 in stand te laten.
Hiertoe overweegt de Raad als volgt.
Vaststaat dat appellanten vanaf 1 januari 1996 de inlichtingenplicht
hebben geschonden. Hiermee is gegeven dat wat de periode van 1 januari
1996 tot en met 31 januari 1996 betreft is voldaan aan de voorwaarden
voor terugvordering op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de
ABW, en voor de periode vanaf 1 februari 1996 tot en met 30 juni 1997
aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste
lid, van de Abw (tekst vóór 1 juli 1997).
Nu tevens vaststaat dat als gevolg van schending van de
inlichtingenplicht het recht op bijstand over de in geding zijnde
periode niet is vast te stellen, was gedaagde over de periode van 1 juli
1997 tot en met 10 februari 2000 gehouden om met toepassing van artikel
69, derde lid, van de Abw tot intrekking van het recht op bijstand over
te gaan. Van dringende redenen in de zin van artikel 69, vijfde lid, van
de Abw om geheel of gedeeltelijk van deze intrekking af te zien is de
Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat over het tijdvak van 1 juli
1997 tot en met 10 februari 2000 is voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw (zoals dit vanaf 1
juli 1997 luidt) zodat gedaagde gehouden was ook wat dit tijdvak betreft
over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van de aan
appellanten verleende bijstand.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW
respectievelijk 78, derde lid, van de Abw (tekst vóór en vanaf 1 juli
1997) op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.
Het voorgaande brengt mee dat moet worden beslist zoals in rubriek III
aangegeven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,--
in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 1 mei 2001 voorzover het ziet op de
terugvordering over de periode van 1 februari 1996 tot 1 februari 1997;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het
besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellanten het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|