|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5153
NABW en 02/5154 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellanten], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zwolle van 4 oktober 2002, reg.nr. 01/983 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar
appellanten niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door P. Kruidhof, werkzaam bij de gemeente Zwolle.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvangen een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm voor gehuwden. Gedaagde heeft [appellant] (hierna:
appellant), gelet op zijn leeftijd, en [appellante] (hierna:
appellante), gelet op de zorg voor hun kinderen, met toepassing van
artikel 107, eerste lid, van de Abw ontheven van de in artikel 113 Abw
neergelegde arbeidsverplichtingen (hierna: de arbeidsverplichtingen).
Bij besluit van 19 september 2000 heeft gedaagde aan appellante de
arbeidsverplichtingen opgelegd. Gedaagde heeft dit besluit gebaseerd op
een door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) op 19 juli 2000
uitgebracht advies, waarvan de conclusie luidt dat er geen aanwijzingen
zijn dat er medische problematiek is in het gezin waardoor appellanten
beiden als arbeidsongeschikt zouden moeten worden aangemerkt.
Bij besluit van 6 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 19 september 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 6 september 2001 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting
vast dat appellanten in hoger beroep beogen dat appellante van de
arbeidsverplichtingen zou moeten worden ontheven.
In artikel 113, eerste lid, van de Abw zijn de verplichtingen opgenomen
welke gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige
bestaansvoorziening is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking.
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Abw zijn burgemeester en
wethouders bevoegd de verplichtingen in hoofdstuk VIII van de Abw, en in
het bijzonder de arbeidsverplichtingen neergelegd in artikel 113 van de
Abw, niet op te leggen dan wel daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen
in de gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om
redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de
aard en het doel van de bijstand.
Het tweede en derde lid van artikel 107 van de Abw bevatten
voorschriften voor gevallen waarin sprake is van een ouder met een
gedeeltelijke of volledige verzorgende taak voor een of meer ten laste
komende kinderen, jonger dan vijf jaar, dan wel van ouders die deze
verzorgende taak gezamenlijk uitoefenen.
Gelet op de leeftijd van de kinderen van appellanten, ten tijde in
geding respectievelijk 12, 14 en 17 jaar, voldoet appellante niet aan de
voorwaarden van artikel 107, tweede en derde lid, van de Abw.
De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft
besloten appellante niet (langer) te ontheffen van de
arbeidsverplichtingen. Gedaagde kon en mocht het besluit van 6 september
2001 op het advies van de GGD baseren. De Raad is niet gebleken dat dit
advies, wat betreft de wijze van totstandkoming of inhoud, niet
deugdelijk zou zijn. Uit het advies blijkt dat appellante op het
spreekuur van de GGD-arts is gezien en dat informatie is opgevraagd bij
de jeugdarts van het middelste kind, Joey. Voorts stelt de Raad vast dat
appellanten de medische problematiek in hun gezin, meer specifiek
omtrent de verzorging van hun zoon Joey, niet met medische gegevens
hebben onderbouwd.
De Raad ziet gelet op het voorgaande ten tijde in geding geen
aanknopingspunten voor een ontheffing van de arbeidsverplichtingen van
appellante, zodat het hoger beroep niet kan slagen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) L. Jörg.
|
|