|
Uitspraak
02/1549
NABW en 02/1551 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding het
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg in de
plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige
gemeente Avereest. In deze uitspraak wordt onder het College van
burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg tevens verstaan
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Avereest.
Namens appellanten heeft mr. H. Versluis, advocaat te Vriezenveen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 28
januari 2002, reg.nr. AWB 01/167.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar
[appellant] (hierna: appellant) in persoon is verschenen, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Meijer,
werkzaam bij de gemeente Hardenberg.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten hebben op 1 oktober 1998 een aanvraag ingediend ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz) om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van
bestaan en om bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal voor het bedrijf Masterprint van appellant.
Bij besluit van 12 maart 1999 heeft gedaagde aan [appellante] (hierna:
appellante), nadat appellant haar had verlaten, met ingang van 25
februari 1999 een uitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm voor
een alleenstaande ouder. Bij besluit van 25 mei 1999 heeft gedaagde het
recht op uitkering van appellante met ingang van 19 april 1999 beëindigd
op de grond dat zij samenwoont met appellant.
Op 25 juni 1999 heeft het IMK Intermediair (IMK) naar aanleiding van een
nader onderzoek gedaagde geadviseerd aan appellanten onder voorwaarden
periodieke bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
te verstrekken en aan hen voorts een bedrijfskrediet van f 22.000,-- te
verlenen.
Bij besluit van 26 juli 1999 heeft gedaagde overeenkomstig het
IMK-advies aan appellant voor de periode van 1 oktober 1998 tot 1
december 1999 op grond van de Abw en het Bbz bijstand in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan in de vorm van een lening toegekend
en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal tot een
bedrag van f 22.000,-- eveneens in de vorm van een lening. Aan de
verlening van de bijstand zijn, voorzover in dit geding van belang,
onder meer als voorwaarden verbonden dat de mondelinge afspraken met de
Nederlandse Folder Drukkerij op schrift dienen te worden gesteld, dat de
voorlopige verhuurovereenkomst van de opslagruimte dient vastgelegd te
worden in een huurcontract met een minimale huursom van f 4.000,-- per
maand en de verhuurder schriftelijk toestemming dient te geven voor deze
onderverhuur en dat appellant managementbegeleiding dient te accepteren.
Naar aanleiding van een onderzoek door de regiopolitie Drenthe naar de
activiteiten van appellant heeft de sociale recherche een nader
onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte
bijstandsuitkering ingesteld. In dat kader is onder meer
dossieronderzoek verricht, zijn getuigen gehoord en hebben appellanten
verklaringen afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd
in een rapport van 28 juni 2000. De rapporteurs komen onder meer tot de
conclusie dat appellanten nimmer gescheiden hebben gewoond, dat
appellant teneinde te voldoen aan de in het besluit van 26 juli 1999
gestelde voorwaarden vervalste bescheiden heeft ingeleverd en dat
appellant per 22 juni 1999 de naam Masterprint, het klantenbestand en de
reclameactiviteiten heeft overgedragen aan het bedrijf Nederlandse
Folder Drukkerij.
Gedaagde heeft op basis van de bevindingen van het onderzoek bij besluit
van 26 juli 2000 de aan appellanten toegekende bijstand over de periode
van 25 februari 1999 tot 19 april 1999 op grond van artikel 69, derde
lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien (lees: ingetrokken) op de
grond dat appellanten gedurende deze periode hebben samengewoond. Bij
datzelfde besluit heeft gedaagde de bij besluit van 26 juli 1999
toegekende algemene bijstand over de periode van 1 oktober 1998 tot 1
december 1999, en de bij dat besluit eveneens toegekende bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 69,
derde lid, aanhef en onder a, Abw herzien (lees: ingetrokken) op de
grond dat appellanten onjuiste gegevens hebben verstrekt, relevante
gegevens hebben verzwegen en vervalste bescheiden hebben ingeleverd om
welke reden appellanten geen recht hadden op bijstand. Bij besluit van
dezelfde datum heeft gedaagde, voorzover hier van belang, de kosten van
bijstand over de periode van 25 februari 1999 tot 19 april 1999, de
kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 1998 tot 1 december
1998 (lees: 1999) en de bij besluit van 26 juli 1999 toegekende bijstand
ter voorziening in bedrijfskapitaal op grond van artikel 81, eerste lid,
van de Abw van appellanten teruggevorderd.
Bij besluit op bezwaar van 19 december 2000 heeft gedaagde de besluiten
van 26 juli 2000, voorzover hier van belang, gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 19 december 2000 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat gedaagde met toepassing van artikel 69, derde
lid, aanhef en onder a, van de Abw de eerder bij besluit van 26 juli
1999 in de vorm van een geldlening toegekende bijstand heeft ingetrokken
op de grond dat het schenden van de inlichtingenverplichting bedoeld in
artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geleid tot het ten onrechte
verlenen van bijstand. Vervolgens heeft gedaagde de als gevolg van die
intrekking ten onrechte verleende bijstand met toepassing van artikel
81, eerste lid, van de Abw teruggevorderd. De keuze voor deze grond is
naar het oordeel van de Raad juist, omdat, zoals uit hetgeen hierna is
overwogen zal blijken, de aan appellanten toegekende bijstand achteraf
bezien ten onrechte is verleend. In een geval als hier aan de orde zal
het recht op uitkering met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef
en onder a, van de Abw moeten worden ingetrokken en dient terugvordering
van de gemaakte kosten van bijstand plaats te vinden met toepassing van
artikel 81, eerste lid, van de Abw. Dit betekent dat toepassing van
artikel 83, eerste lid, van de Abw hier niet aan de orde is. De Raad
komt in zoverre terug van zijn uitspraak van 25 januari 2000,
gepubliceerd in JABW 2000/57 en RSV 2000/58.
Ten aanzien van de intrekking en terugvordering van de bij besluit van
26 juli 1999 toegekende algemene bijstand en bijstand in
bedrijfskapitaal
Uit de gedingstukken, in het bijzonder de in het kader van het hiervoor
bedoelde strafrechtelijke onderzoek door appellant tegenover de politie
afgelegde en ondertekende verklaringen, blijkt dat appellant zijn
bedrijf Masterprint per 22 juni 1999, derhalve reeds vóór het besluit
van 26 juli 1999 waarbij het recht op bijstand is toegekend, heeft
overgedragen aan het bedrijf Nederlandse Folder Drukkerij. Met de
rechtbank is de Raad van oordeel dat de grief dat appellant alleen de
naam zou hebben verkocht, niet aannemelijk voorkomt en strijdig is met
zijn tegenover de politie afgelegde en ondertekende verklaringen. Uit
de gedingstukken blijkt eveneens dat appellant teneinde te voldoen aan
de door het IMK gestelde en door gedaagde in het besluit van 26 juli
1999 overgenomen voorwaarden voor toekenning van bijstand op grond van
de Abw en het Bbz vervalste stukken heeft overgelegd.
Vaststaat dat appellant van de overdracht van zijn bedrijf Masterprint,
welke overdracht onmiskenbaar van belang is voor (de beoordeling van)
het recht op bijstand op grond van de Abw en het Bbz, geen melding heeft
gemaakt bij gedaagde. Appellant heeft daarmee de ingevolge artikel 65,
eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenplicht geschonden.
De grief van appellant dat hij als zelfstandig ondernemer vrijheid van
handelen heeft en de overdracht van zijn bedrijf Masterprint om die
reden niet aan gedaagde behoefde te melden, slaagt niet. Appellanten
hebben bij gedaagde een aanvraag voor verlening van bijstand voor de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal ingediend ten behoeve van het bedrijf
Masterprint. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Abw wordt aan de
zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is
geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is,
gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend. De vraag of
sprake is van een levensvatbaar bedrijf is onmiskenbaar verbonden aan
het (voort)bestaan van het bedrijf waarvoor de betrokkene een
bijstandsaanvraag heeft ingediend. Nu tevens vaststaat dat appellant
vervalste stukken heeft overgelegd en derhalve niet aan de voorwaarden
voor het recht op bijstand heeft voldaan, is appellant gedurende de
periode in geding niet aan te merken als zelfstandige met een
levensvatbaar bedrijf als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Abw.
Gelet op het bepaalde in het vijfde lid van artikel 8 van de Abw waarin
is neergelegd dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal slechts kan worden verleend aan de zelfstandige als
bedoeld in het eerste lid, bestaat evenmin recht op bijstand in
bedrijfskapitaal.
In het voorgaande ligt besloten dat de bij besluit van 26 juli 1999
toegekende algemene bijstand en bijstand in bedrijfskapitaal ten
onrechte was verleend, zodat gedaagde gehouden was met toepassing van
artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op
bijstand in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69,
vijfde lid, van de Abw om van intrekking af te zien, is de Raad niet
gebleken.
Hiermee is gegeven dat met betrekking tot deze periode is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op
grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien is de Raad evenmin
gebleken.
Ten aanzien van de intrekking en terugvordering van de aan appellante
toegekende bijstand over de periode van 25 februari 1999 tot 19 april
1999
Aan het besluit tot intrekking van de aan appellante toegekende bijstand
over de periode van 25 februari 1999 tot 19 april 1999 ligt ten
grondslag het voeren van een gezamenlijke huishouding. Aangezien uit de
relatie van appellanten twee kinderen zijn geboren is, gelet op het
bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw, voor
de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke
huishouding in de zin van de Abw bepalend of appellanten hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
De grief van appellanten dat zij in de periode in geding ingeschreven
stonden op verschillende woonadressen en een gescheiden huishouden
voerden, kan niet worden gevolgd. Volgens vaste rechtspraak behoeft het
aanhouden van afzonderlijke woonruimte niet in de weg te staan aan het
hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal
redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke
situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen
wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik
van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden
gesproken.
De Raad is op grond van de bevindingen zoals weergegeven in het
onderzoeksrapport van de sociale recherche van oordeel dat is komen vast
te staan dat appellanten gedurende de periode in geding hun
hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Appellanten hebben in
het kader van het hiervoor bedoelde strafrechtelijke onderzoek tegenover
de politie, afzonderlijk van elkaar verklaringen afgelegd en deze, na
voorlezing ondertekend. Uit de verklaring van appellant blijkt dat
appellanten feitelijk nooit bij elkaar weg zijn geweest. De verklaring
van appellante, dat appellant de meeste nachten bij haar heeft verbleven
en slechts voor de schijn een paar nachten heeft verbleven aan de
[straatnaam], komt daarmee grotendeels overeen.
Het voorgaande betekent dat appellante ten tijde hier in geding niet als
zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd en dus geen recht
had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Appellante heeft het voeren van een gezamenlijke huishouding met
appellant niet aan gedaagde gemeld. Daarmee heeft zij de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenplicht
geschonden, als gevolg waarvan aan haar ten onrechte bijstand naar de
norm voor een alleenstaande ouder is verleend.
Het voorgaande betekent dat gedaagde het recht op bijstand van
appellante over de periode van 25 februari 1999 tot 19 april 1999
terecht op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de
Abw heeft ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69,
vijfde lid, van de Abw is niet gebleken, zodat gedaagde niet de
bevoegdheid toekwam om van intrekking af te zien.
Een en ander houdt in dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel
81, eerste lid, van de Abw is voldaan. Gedaagde was dan ook gehouden de
ten onrechte aan appellante verleende uitkering terug te vorderen. Van
dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op
grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.
Slotoverwegingen
De aangevallen uitspraak komt derhalve met inachtneming van het
voorgaande voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
bijstandswet kan een partij beroep in cassatie instellen ter zake van
schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip
gezamenlijke huishouding volgens de wet. Het beroep in cassatie wordt
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak
vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge
Raad der Nederlanden) te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus
16002, 3500 DA Utrecht.
|
|