|
Uitspraak
03/6474
NABW, 03/6475 NABW, 03/6476 NABW en 04/2800 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. W. Saerle, advocaat te Hoorn, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 november
2003, reg.nrs. 02/1405, 02/1406, en 03/152, en tegen de uitspraak van de
rechtbank Alkmaar van 7 mei 2004, reg.nr. NABW 03/1304.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar
appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. L.A.A. van Wakeren, werkzaam bij de gemeente
Hoorn.
II. MOTIVERING
De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft op 1 maart 2002 bij gedaagde een aanvraag om bijstand
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. In het kader van
deze aanvraag heeft appellant aangegeven dat hij dakloos is, dat hij
gehuwd is, dat hij door zijn in Thailand wonende echtgenote is verlaten,
dat hij niet over geld of bezittingen beschikt en dat zijn echtgenote
evenmin bezittingen heeft.
Bij besluit van 12 april 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van 1
maart 2002 bijstand toegekend. Daarbij heeft gedaagde appellant als
alleenstaande aangemerkt, ervan uitgaande dat hij in een
echtscheidingsprocedure en een boedelverdeling was verwikkeld. Verder
heeft gedaagde appellant beschouwd als iemand die geen vaste woon- of
verblijfplaats heeft, en aan hem als briefadres het adres van het
gemeentehuis, Nieuwe Steen 1 te Hoorn, ter beschikking gesteld.
Bij besluit van 28 augustus 2002 heeft gedaagde de bijstand met ingang
van 16 mei 2002 beëindigd, op de grond dat hij per die datum is
verhuisd naar de gemeente [naam gemeente]. Bij besluit van 12 november
2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 28 augustus 2002 gemaakte
bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van eveneens 28 augustus 2002 heeft gedaagde het recht van
appellant op bijstand over de periode van 1 maart 2002 tot 16 mei 2002
herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van
bijstand tot een bedrag van € 1.787,14 van hem teruggevorderd. Daaraan heeft gedaagde ten
grondslag gelegd dat appellant geen of geen juiste inlichtingen heeft
verstrekt over onder andere het inkomen en het vermogen van zijn
echtgenote in Thailand, waardoor aan hem ten onrechte bijstand is
verleend. Bij besluit van 14 januari 2003 heeft gedaagde het tegen dit
besluit van 28 augustus 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Met ingang van 3 oktober 2002 is aan appellant wederom bijstand
toegekend.
Naar aanleiding van een melding van de politie dat appellant
vermoedelijk een escortbureau exploiteert, heeft de Sociale Recherche
van de gemeente Hoorn onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de
aan appellant verstrekte uitkering. Op basis van de bevindingen van dat
onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 18 juni 2003 de bijstand van
appellant met ingang van 1 maart 2003 beëindigd. Appellant heeft tegen
dat besluit geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van eveneens 18 juni 2003 heeft gedaagde het recht van
appellant op bijstand over de periode van 3 oktober 2002 tot en met 28
februari 2003 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van
bijstand tot een bedrag van € 3.940,10 van hem teruggevorderd. Bij
besluit van 2 september 2003 heeft gedaagde het tegen dit besluit van 18
juni 2003 gemaakte bezwaar - voorzover hiervan belang - ongegrond
verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering nader
is vastgesteld op € 3.587,10.
Aan deze beëindiging en intrekking heeft gedaagde ten grondslag gelegd
dat appellant geen inlichtingen heeft verstrekt over door hem in
Nederland verrichte werkzaamheden en over bezit van vermogen in Thailand
en zijn herhaalde verblijf in dat land, als gevolg waarvan zijn recht op
bijstand niet is vast te stellen.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank voorzover in hoger
beroep van belang, de tegen de besluiten van 12 november 2002 en 14 januari 2003 respectievelijk het besluit van 2
september 2003 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep in zoverre tegen de aangevallen
uitspraken gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beëindiging met ingang van 16 mei 2002
In artikel 63, eerste lid, van de Abw is bepaald dat het recht op
bijstand bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar
de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10,
eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge
artikel 63, derde lid, van de Abw kan bij algemene maatregel van bestuur
worden bepaald dat aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in
artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA)
bijstand kan worden verleend door burgemeester en wethouders van daarbij
aan te wijzen gemeenten. De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur
is het Bijstandsbesluit adreslozen van 24 juni 1998, waarin onder andere
Hoorn is aangewezen als gemeente waar toepassing kan worden gegeven aan
artikel 63, derde lid, van de Abw.
Artikel 63, derde lid, van de Abw is met ingang van 1 juli 1998
ingevoerd door de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1997 tot wijziging van de Algemene bijstandswet in verband
met de voortgang van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.
In de memorie van toelichting (kamerstukken II, 1997-1998, 25 697, nr.
3, p. 4) is onder meer het volgende opgenomen:
“(…) Het kabinet wil met deze wetswijziging de groep daklozen zonder
adres (zwervers) de mogelijkheid bieden om hun recht op bijstand te
effectueren. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een aantal
gemeenten, bij uitzondering van alle andere gemeenten, aangewezen om de
bijstandverlening aan daklozen zonder adres te verzorgen. De aan te
wijzen gemeenten zijn de gemeenten die op grond van de Welzijnswet
zullen worden aangewezen in het kader van de maatschappelijke opvang.
Om verificatie van het recht op bijstand mogelijk te maken wordt aan de
bijstandverlening aan daklozen zonder adres de verplichting verbonden
dat deze aangifte doen van een door burgemeester en wethouders ter
beschikking gesteld briefadres (bijvoorbeeld het adres van de sociale
dienst). Hiermee wordt aangesloten bij het in de Wet gemeentelijke basisadministratie
(Gba) gedefinieerde briefadres. De nu voorgestelde
wijziging ziet uitsluitend op diegenen die vanwege het ontbreken van een
adres hun recht op bijstand niet kunnen effectueren. Indien de
belanghebbende aangifte doet van een ander adres dan het door
burgemeester en wethouders ter beschikking gestelde briefadres, kan hij
geacht worden aldaar woonplaats te houden. Dit geldt derhalve eveneens
voor een dakloze met een briefadres bij een familielid, vrienden of een
opvanginstelling. Deze daklozen kunnen nu reeds hun recht op bijstand te
gelde maken. (…)”.
Aangezien appellant ten tijde van zijn aanvraag om bijstand niet
beschikte over een GBA-adres en zich bij gedaagde meldde om bijstand,
heeft gedaagde aan appellant bijstand verleend met gebruikmaking van de
hiervoor bedoelde bevoegdheid.
Uit de overgelegde afschriften van de GBA-Hoorn blijkt dat appellant op
16 mei 2002 uit die gemeente is vertrokken en dat appellant per 16 mei
2002 in de GBA staat ingeschreven op het woonadres [adres] in de
gemeente [naam gemeente]. Appellant is door de Sociale Recherche
omstreeks deze datum ook op dat adres aangetroffen. Dit betekent dat
appellant vanaf deze datum geacht wordt woonplaats te houden op het
adres [adres] te [naam gemeente] en niet langer als adresloze kon worden
aangemerkt, zodat gedaagde niet langer op grond van artikel 63, derde
lid, van de Abw aan appellant bijstand kon verlenen. Ook voor de Raad is
niet aannemelijk geworden dat vanwege gedaagde is toegezegd dat
appellant zich, met behoud van zijn uitkering in de gemeente Hoorn,
mocht inschrijven in de GBA van de gemeente [naam gemeente]. Evenals de
rechtbank komt de Raad dan ook tot de conclusie dat gedaagde de bijstand
van appellant terecht met ingang van 16 mei 2002 heeft beëindigd.
De intrekking over de periode van 1 maart 2002 tot 16 mei 2002
Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken voldoende grondslag
voor het standpunt van gedaagde dat appellant niet, niet volledig dan
wel op onjuiste wijze heeft voldaan aan de ingevolge artikel 65, eerste
lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting. Uit het door
de Sociale Recherche ingestelde onderzoek is naar voren gekomen dat ten
tijde van belang niet daadwerkelijk sprake was van een
echtscheidingsprocedure, dat de echtgenote van appellant in Thailand
beschikt over onroerende zaken en dat zij aldaar een bedrijf
exploiteert, en wel op een adres dat bij de Belastingdienst in Nederland
tevens bekend is als een adres van appellant. Appellant heeft daarvan
noch bij zijn aanvraag noch nadien uit eigen beweging melding gemaakt.
Evenmin heeft appellant in het kader van het door de Sociale Recherche
verrichte onderzoek over een en ander (volledige) opening van zaken
gegeven. Het gaat hier evenwel om gegevens die van essentieel belang
zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. De Raad kan, met de
rechtbank, gedaagde volgen in zijn standpunt dat de hiervoor bedoelde
schending van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat niet
kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant in de hier in
geding zijnde periode verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden,
zodat over deze periode ten onrechte bijstand is verleend. Gedaagde was
dan ook op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de
Abw gehouden tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. In
dit verband is de Raad voorts van oordeel dat de rechtbank toereikend
heeft gemotiveerd waarom het gegeven dat aan appellant met ingang van 3
oktober 2002 weer bijstand is verleend, aan het voorgaande geen afbreuk
doet.
De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel
69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om
geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.
De intrekking over de periode van 3 oktober 2002 tot en met 28 februari
2003
Niet in geschil is dat appellant gedurende de in geding zijnde periode
een escortbureau heeft geëxploiteerd. Voorts is uit het onderzoek
gebleken van een in Thailand op naam van appellant staande spaarrekening
ter hoogte van ongeveer € 30.000,--. Appellant heeft van deze feiten
geen mededeling aan gedaagde gedaan. Daarmee heeft hij zijn
inlichtingenverplichting geschonden.
Voorzover appellant heeft willen betogen dat aan hem, indien hij zijn
inlichtingenverplichting wel naar behoren was nagekomen, volledige
althans aanvullende bijstand zou zijn verstrekt, kan de Raad hem daarin
niet volgen.
Uit de onderzoeksgegevens, waaronder de handgeschreven notities van
appellant en het proces-verbaal van zijn verhoor, blijkt dat sprake is
van aanzienlijke activiteiten van het escortbureau en van substantiële
inkomsten daaruit. Appellant stelt zich echter op het standpunt dat
(uiteindelijk) geen sprake is geweest van een winstgevende onderneming.
De Raad merkt daarover op dat appellant als bijstandsgerechtigde
verplicht was onder overlegging van bewijsstukken tijdig, volledig en
nauwkeurig opgave te doen van (de omvang van) zijn activiteiten als
ondernemer en van de daaruit genoten inkomsten. Door dit na te laten en
ook geen deugdelijke administratie bij te houden, heeft appellant het
risico genomen dat hij in het kader van een fraudeonderzoek niet zou
beschikken over bewijsstukken om de hoogte van zijn inkomsten aan te
tonen. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van appellant te
blijven.
Ten aanzien van de spaarrekening verenigt de Raad zich met het oordeel
van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, dat
appellant over die rekening kon beschikken en dat daartegenover staande
schulden niet aannemelijk zijn gemaakt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat, als gevolg van de schending van de
inlichtingenverplichting, het recht van appellant op bijstand over deze
periode niet kan worden vastgesteld, zodat aan appellant ten onrechte
bijstand is verleend. Gedaagde was op grond van artikel 69, derde lid,
aanhef en onder a, van de Abw dan ook verplicht tot intrekking van het
recht op bijstand over deze periode over te gaan. Dringende redenen om
daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien, zijn de Raad niet gebleken.
De terugvorderingen
Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over beide in
geding zijnde periodes is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde verplicht was tot
terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over deze periodes
over te gaan. De Raad is niet gebleken van dringende reden als bedoeld
in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd
zou zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep in geen van beide
gedingen slaagt. De aangevallen uitspraken dienen derhalve, voorzover
aangevochten, te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) M. Pijper.
|
|