|
Uitspraak
04/1448
NABW en 04/1449 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch
van 5 februari 2004, reg.nrs. 03/2019 NABW en 03/2179 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23
mei 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad, gelet op de gedingstukken, naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving sedert 26 april 2001 een uitkering ingevolge Algemene
bijstandswet (Abw).
In het kader van een heronderzoek heeft gedaagde de rechtmatigheid van
de aan appellant toegekende uitkering, op basis van een
heronderzoeksrapport van 4 december 2002, opnieuw beoordeeld.
Bij besluit van 5 december 2002, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van
3 juni 2003, heeft gedaagde de bijstand van appellant met ingang van 1
november 2002 beëindigd en het recht op bijstand over de periode van 26
april 2001 tot en met 31 oktober 2002 ingetrokken. Gedaagde heeft
daaraan - uiteindelijk - ten grondslag gelegd dat is gebleken dat
appellant sedert 1 mei 1996 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
heeft en salaris ontvangt, zodat hij zelf in de noodzakelijke kosten van
het bestaan kan voorzien. Bij het besluit van 3 juni 2003 heeft gedaagde
tevens het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in verband
met de behandeling van het bezwaar afgewezen.
Bij besluit van 10 april 2003 heeft gedaagde een nieuwe aanvraag van
appellant om bijstand afgewezen. Tegen dat besluit is geen bezwaar
gemaakt.
Op 9 mei 2003 heeft gedaagde opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend.
Bij besluit van 5 juni 2003, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29
juli 2003, heeft gedaagde die aanvraag afgewezen - uiteindelijk - op de
grond dat appellant een beroep kan doen op een aan de verlening van
bijstand voorliggende voorziening (salaris dan wel WW-uitkering). Bij
het besluit van 29 juli 2003 heeft gedaagde tevens het verzoek van
appellant om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van
het bezwaar afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen
omtrent griffierecht en proceskosten - de tegen de besluiten van 3 juni
2003 en 29 juli 2003 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die
besluiten vernietigd omdat zij op een ondeugdelijke motivering berusten,
en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand
blijven. Met betrekking tot het besluit van 3 juni 2003 heeft de
rechtbank overwogen dat, gezien de mogelijke valsheid van de
arbeidsovereenkomst, er twijfels zijn of appellant vanaf 26 april 2001 salaris heeft ontvangen. De rechtbank heeft de
rechtsgevolgen in stand gelaten omdat naar haar oordeel, gelet op de in
het heronderzoeksrapport van 4 december 2002 neergelegde bevindingen, ten tijde in geding grote
onduidelijkheid bestond over de financiële omstandigheden van
appellant. Met betrekking tot het besluit van 29 juli 2003 heeft de
rechtbank overwogen dat het op zijn minst twijfelachtig is dat appellant
een beroep kan doen op een aan de verlening van bijstand voorliggende
voorziening. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat
het naar haar oordeel op de weg van appellant had gelegen om bij de
aanvraag van 9 mei 2003 aan te tonen dat zich relevante wijzigingen in
de omstandigheden hebben voorgedaan, waarin hij niet is geslaagd. De
rechtbank heeft voorts overwogen dat er geen aanleiding is om gedaagde
te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van de
bezwaren tegen de besluiten van 5 december 2002 en 5 juni 2003 en
evenmin om gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding (wettelijke
rente).
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld
voorzover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 3
juni 2003 en 29 juli 2003 in stand zijn gelaten. Ook in hoger beroep
heeft appellant verzocht om veroordeling in de kosten in verband met de
behandeling van de bezwaren en veroordeling tot schadevergoeding.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beëindiging en de intrekking
De Raad stelt voorop dat de in het heronderzoeksrapport van 4 december
2002 neergelegde bevindingen in overwegende mate zien op het tijdvak
vanaf januari 2002. Wat het tijdvak tot januari 2002 betreft zien die
bevindingen slechts op het bezit van een auto en de daarmee gepaard
gaande kosten zoals motorrijtuigenbelasting, verzekeringspremie en
betaalde boetes. Gedaagde heeft echter niet aannemelijk kunnen maken dat
appellant deze kosten niet uit zijn bijstandsuitkering heeft kunnen
voldoen. Ook overigens kan op grond van de beschikbare gegevens niet
worden geconcludeerd dat sprake is van uitgaven die de mogelijkheden van
een bijstandsgerechtigde overstijgen. Van onduidelijkheid omtrent de
financiële situatie van appellant, als gevolg waarvan het recht van
appellant op bijstand in dit tijdvak niet zou zijn vast te stellen, is
naar het oordeel van de Raad dan ook niet gebleken.
Wat het tijdvak vanaf januari 2002 betreft is appellant er daarentegen
ook naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd duidelijkheid te
verschaffen omtrent zijn financiële positie. In het bijzonder heeft
appellant geen afdoende verklaring kunnen geven voor de grote bedragen
die door middel van kasstortingen op zijn rekening zijn gestort en door
hem vervolgens zijn overgemaakt. Voorts is onduidelijkheid blijven
bestaan over de opname van een bankkrediet van € 16.000,-- op 2 juli
2002 en de aanwending van dit bedrag. Aldus heeft appellant de ingevolge
artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende
inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan gedaagde niet
heeft kunnen vaststellen of appellant vanaf januari 2002 in
bijstandsbehoevende omstandigheden in de zin van artikel 7 van de Abw
verkeerde.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit van 3 juni 2003 ten onrechte in stand heeft gelaten
voorzover het de intrekking van het recht op bijstand van appellant over
het tijdvak van 26 april 2001 tot en met 31 december 2002 betreft, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre
dient te worden vernietigd. De Raad zal vervolgens, doende hetgeen de
rechtbank in dezen had behoren te doen, het besluit van 5 december 2002
in zoverre herroepen. Aangezien de herroeping van het besluit van 5 juni
2002 het gevolg is van aan gedaagde te wijten onrechtmatigheid, is er
tevens aanleiding gedaagde te veroordelen in de kosten van de
behandeling van het bezwaar tegen dat besluit, door de Raad begroot op
€ 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.
Uit het voorgaande volgt tevens dat de rechtbank de beëindiging van de
bijstand met ingang van 1 november 2002 en de intrekking van het recht
op bijstand over het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 oktober
2002 terecht in stand heeft gelaten. De Raad overweegt nog dat niet is
gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid,
van de Abw om van intrekking af te zien.
Voor een veroordeling tot schadevergoeding is geen grond, nu van schade
als gevolg van de - enkele - intrekking over het tijdvak van 26 april
2001 tot en met 31 december 2002 geen sprake is. De Raad zal, met
verwijzing naar zijn uitspraak van 23 september 2003 (LJN AN8059,
gepubliceerd in JB 2004/24, RSV 2003/314 en USZ 2003/373), het verzoek
om schadevergoeding in zoverre - uitdrukkelijk - afwijzen.
De afwijzing van de aanvraag van 9 mei 2003
Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het in een geval van een
nieuwe aanvraag om bijstand na een eerdere beëindiging van de
bijstandsverlening dan wel na een afwijzing van een eerdere aanvraag om
bijstand, in beginsel op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat
zich sedert die beëindiging dan wel die afwijzing een relevante
wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat hij
thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te
komen.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarin niet is
geslaagd. Appellant heeft, ook in hoger beroep, op geen enkele wijze
opheldering verschaft over de gerezen vragen omtrent zijn financiële
omstandigheden. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op het -
nog steeds - ontbreken van enig concreet gegeven over de aanwending van
het krediet van € 16.000,--.
De omstandigheid dat aan appellant met ingang van 5 november 2003 alsnog
een bijstandsuitkering is toegekend, leidt niet tot de conclusie dat hij
reeds op 9 mei 2003 recht op bijstand had.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit van 29 juli 2003 terecht in stand heeft gelaten.
Voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het
bezwaar tegen het besluit van 5 juni 2003 en voor een veroordeling tot
schadevergoeding bestaat gelet op het voorgaande geen grond. Ook in
zoverre zal de Raad daarom het verzoek om veroordeling tot
schadevergoeding afwijzen.
Slotoverweging
De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep, door de Raad begroot op € 322,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voorzover
daarbij met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand van
appellant over het tijdvak van 26 april 2001 tot en met 31 december 2002
de rechtsgevolgen van het besluit van 3 juni 2003 in stand zijn gelaten;
Herroept het besluit van 5 december 2002 voorzover daarbij het recht op
bijstand van appellant over het tijdvak van 26 april 2001 tot en met 31
december 2002 is ingetrokken;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het
overige;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in bezwaar en in
hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente
Eindhoven aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van
Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|