|
Uitspraak
04/2982
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 23 april 2004, reg.nr. 03/539 ABW.
Appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Bij brief van 8 februari 2005 heeft gedaagde voor de beantwoording van
door de Raad gestelde vragen verwezen naar een bijgevoegde brief van de
Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden van 3
februari 2005.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2005, waar appellante
zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Wiersma en gedaagde door H.
Inia, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting,
uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 10 december 1997 heeft gedaagde de aanvraag van
appellante om bijzondere bijstand in haar woonlasten afgewezen. Bij
besluit van 22 april 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 10 december 1997 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het
daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 22 april 1999 ongegrond
verklaard.
Bij besluit van 2 maart 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellante
om een woonvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen
gehandicapten afgewezen. Bij besluit van 15 september 1998 heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 1998 ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij
uitspraak van eveneens 22 april 1999 ongegrond verklaard.
Appellante heeft op of omstreeks 9 augustus 2002 gedaagde verzocht terug
te komen van zijn besluiten van 22 april 1998 en 15 september 1998. Bij
besluit van 5 december 2002 heeft gedaagde die verzoeken afgewezen.
Bij besluit van 2 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 5 december 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 2 april 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ten behoeve van het besluit op bezwaar heeft gedaagde de Adviescommissie
bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden - een commissie als bedoeld
in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - verzocht
advies uit te brengen. Voor de behandeling van een zaak is deze
commissie samengesteld uit een voorzitter en twee leden. Niet in geschil
is dat in dit geval het horen niet door de voltallige commissie heeft
plaatsgevonden. De voorzitter van de commissie heeft zich voor de
behandeling van de zaak van appellante teruggetrokken om de schijn van
vooringenomenheid te vermijden en een van de leden van commissie heeft
tijdens het horen de voorzittersrol vervuld.
Tussen partijen is in geschil of in het onderhavige geval het adviseren
heeft plaatsgevonden door de voltallige commissie. Uit het verslag van
de hoorzitting van de commissie blijkt dat tijdens de hoorzitting is
medegedeeld dat een derde commissielid zal worden aangezocht om mee te
adviseren en dat op diens verzoek eventueel opnieuw een hoorzitting zal
worden gehouden. Voorts is bij de brief van 7 februari 2005 door de
commissie aangegeven dat na de hoorzitting een derde, met name genoemd
commissielid is aangezocht en dat aan dit lid de op de zaak betrekking
hebbende stukken, het concept-verslag van de hoorzitting en het
concept-advies zijn toegezonden. Een en ander heeft uiteindelijk
geresulteerd in een definitief advies (van 26 maart 2003), dat is
ondertekend door degene die tijdens het horen de voorzittersrol heeft
vervuld. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding voor
twijfel dat het op grond van artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Awb voor de advisering vereiste derde lid van de commissie
daadwerkelijk bij de advisering betrokken is geweest. Er is daarom geen
grond om te oordelen dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met artikel
7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Anders dan appellante
stelt, staat daaraan niet in de weg dat gedaagde bij de stukken van de
commissie geen concept-verslag van de hoorzitting en concept-advies
heeft aangetroffen.
Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, voorts
aangevoerd dat gedaagde had moeten terugkomen van de besluiten van 22
april 1998 en 15 september 1998 omdat de commissie die ten behoeve van
die besluiten op bezwaar heeft geadviseerd niet juist was samengesteld
en omdat gedaagde zijn besluitvorming destijds heeft gebaseerd op een op
oneigenlijke wijze verkregen medisch advies. Hierin, noch anderszins in
de voorhanden gegevens, heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in
andere zin dan de rechtbank te oordelen. Ook de Raad is van oordeel dat
van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is,
zodat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn
besluit van 2 april 2003 heeft kunnen komen.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
Nu het besluit van 2 april 2003 in stand blijft, zal de Raad voorts het
door appellante reeds in eerste aanleg gedane verzoek om gedaagde te
veroordelen tot schadevergoeding afwijzen.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.
van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus
2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|