|
Uitspraak
03/6532
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. G. Palanciyan, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19
november 2003, reg.nr. 02/4859 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005 waar appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. Palanciyan, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellant is gehuwd geweest met [naam ex-partner] en uit dit huwelijk
zijn drie kinderen geboren. [ex-partner] en appellant ontvingen tot 4
februari 1987 bijstand naar de norm voor een gezin, vanaf genoemde datum
ontving [ex-partner] bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder,
laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding
van het vermoeden dat [ex-partner] zou samenwonen met appellant is door
de sociale recherche een onderzoek ingesteld waarvan op 9 maart 2000 een
rapport is opgemaakt. Op basis van dit rapport heeft gedaagde
geconcludeerd dat vanaf 19 augustus 1993 tot en met 29 februari 2000
sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het recht op bijstand van
[ex-partner] is vervolgens met ingang van 1 maart 2000 beëindigd en
gedaagde heeft voorts bij besluit van 13 december 2000 het recht op
bijstand van [ex-partner] over de periode van 19 augustus 1993 tot en
met 29 februari 2000 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten
van bijstand tot een bedrag van f 161.072,10 van haar teruggevorderd.
Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
Bij afzonderlijk besluit van 13 december 2000 heeft gedaagde appellant
van de evengenoemde intrekking en de terugvordering op de hoogte gesteld
en met toepassing van artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw het
bedrag van f 161.072,10 mede van hem teruggevorderd.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 september 2002 heeft gedaagde dit bezwaar gegrond
verklaard in die zin dat het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op
f 27.046,76. Gedaagde heeft bij dit besluit zijn standpunt gehandhaafd
dat appellant tijdens de periode in geding met [ex-partner] een
gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Tevens heeft gedaagde overwogen
dat, nu ingevolge de tekst van artikel 84, tweede en derde lid, van de
Abw voor 1 januari 1999 uitsluitend [ex-partner] voor de terugbetaling
van de schuld aansprakelijk kan worden gesteld, van appellant alleen de
over de periode van 1 januari 1999 tot en met 29 februari 2000 gemaakte
kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd.
Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen
omtrent proceskosten en griffierecht, het tegen het besluit van 24
september 2002 namens appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, voorzover daarbij de grieven gericht tegen de
herziening van de uitkering van [ex-partner] ongegrond zijn verklaard,
het bezwaar in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat
het bestreden besluit voor het overige in stand blijft.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover
hierbij het bestreden besluit in stand is gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In het onderhavige geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de
rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van
appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van
de Abw. Daarin is bepaald dat, indien de bijstand op grond van artikel
13, tweede lid, als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar
zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen,
bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten
onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de
persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij
de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Voor de vaststelling dat in het onderhavige geval appellant die persoon
is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met
[ex-partner] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3,
vierde lid en onder a, van de Abw heeft gevoerd. Aangezien appellant met
[ex-partner] gehuwd is geweest, is op grond van deze bepaling slechts
van belang of appellant en [ex-partner] ten tijde hier in geding hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Op grond van de
onderzoeksbevindingen van de sociale recherche staat ook voor de Raad
genoegzaam vast dat appellant en [ex-partner] ten tijde in geding
hoofdverblijf hadden in de woning van [ex-partner]. De Raad kent daarbij
betekenis toe aan de door appellant tegenover de sociale recherche
afgelegde verklaring waarin onder meer naar voren komt dat hij
veelvuldig op het adres van [ex-partner] verblijft, dat hij zijn op dat
adres wonende kinderen verzorgt en opvoedt, dat hij ingeval van ziekte
op het adres van [ex-partner] verblijft en dat bij zijn werkgever dat
adres en het hierbij behorende telefoonnummer bekend is. Ook heeft hij
verklaard dat hij en [ex-partner] elkaar verzorgen als zij ziek zijn.
Uit informatie van het Gak is gebleken dat appellant tijdens de periode
hier in geding vrijwel onafgebroken ziek is geweest.
Hetgeen [ex-partner] tegenover de sociale recherche over het verblijf
van appellant in haar woning heeft verklaard komt overeen met de
verklaring van appellant op dit punt. Voorts heeft zij nog verklaard dat
appellant een sleutel van haar woning had. Ook zijn verklaringen
afgelegd door een groot aantal getuigen. Hieruit komt het beeld naar
voren dat appellant niet woonachtig is op de door hem opgegeven
adressen, maar dat hij verblijft in de woning van [ex-partner].
Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat zijn verklaring onder
onaanvaardbare druk is afgelegd en dat hij om die reden hieraan niet
gehouden kan worden. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de sociale
recherche de getuigen woorden in de mond heeft gelegd. Hij heeft van een
aantal getuigen nieuwe, andersluidende verklaringen overgelegd.
Dienaangaande overweegt de Raad dat naar vaste rechtspraak in het
algemeen wordt uitgegaan van de juistheid van een ondertekende, in een
rapport van de sociale recherche opgenomen verklaring en dat weinig
betekenis wordt toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van
een dergelijke verklaring. De Raad heeft in dit geval onvoldoende
aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van zodanige
omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven
uitgangspunt dient te worden gemaakt.
Gedaagde heeft dan ook terecht aangenomen dat appellant en [ex-partner]
in de hier van belang zijnde periode een gezamenlijke huishouding
voerden in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de
Abw.
Nu op grond van de gedingstukken in de onderhavige zaak en gelet op
hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gezamenlijke huishouding voorts
vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is
gebleven omdat [ex-partner] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is
gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van
artikel 84, tweede lid, van de Abw. Gedaagde was derhalve gehouden de
kosten van de ten onrechte vanaf 1 januari 1999 aan [ex-partner]
verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw
op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van
medeterugvordering van appellant af te zien, is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt dan ook voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9
augustus 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|