|
Uitspraak
04/558
NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 december 2003, reg.nr. 03/1527 NABW.
Namens gedaagde heeft mr. I.P.M.J. Nelemans, inmiddels werkzaam bij het
Advocatencollectief te Tilburg, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door K.M. Dekker, en waar gedaagde in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nelemans.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Gedaagde ontving van appellant een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) ten behoeve van de noodzakelijke kosten van het
bestaan.
Bij besluit van 18 december 2002, verzonden 23 december 2002, heeft
appellant het recht op bijstand van gedaagde met ingang van 1 november
2002 opgeschort, omdat gedaagde zijn rechtmatigheidsonderzoeksformulier
(hierna: rof) over november 2002 nog niet had ingeleverd. Gedaagde werd
vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen één week na verzending
van dit besluit het verzuim te herstellen.
Bij besluit van 7 januari 2003 heeft appellant het recht op bijstand van
gedaagde met ingang van 1 november 2002 ingetrokken omdat gedaagde niet
binnen de geboden hersteltermijn het rof heeft ingeleverd.
Bij besluit van 24 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 7 januari 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 24 april
2003 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen
opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in de
uitspraak is overwogen. Volgens de rechtbank kon, afgaande op onder meer
de verklaring van de behandelend maag-darm-leverarts W.N.H.M.
Stuifbergen van 17 april 2003, gedaagde gelet op zijn fysieke conditie
eind december 2002 niet meer in staat worden geacht om het rof bij
appellant in te leveren.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Appellant is van mening dat de rechtbank de eerst in beroep afgelegde
verklaring van Stuifbergen niet bij zijn oordeel had mogen betrekken.
Verder is appellant van mening dat het gedaagde te verwijten is dat hij
niet binnen de hersteltermijn het rof heeft ingeleverd omdat gedaagde,
ook ondanks zijn fysieke conditie zoals die uit de verklaring van
Stuifbergen blijkt, in staat kon worden geacht een beroep op zijn
buurman te doen om het rof in te leveren dan wel ter post te bezorgen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De intrekking van het recht op bijstand berust op toepassing van artikel
69, vierde lid, van de Abw. Die bepaling verplicht appellant tot
intrekking met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand
is opgeschort indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen
de daarvoor gestelde termijn.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad staat in het kader van de toetsing
van een besluit op grond van artikel 69, vierde lid, van de Abw
uitsluitend ter beoordeling of de betrokkene heeft verzuimd binnen de
hem daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit
gevraagde informatie te verstrekken, hem dit te verwijten valt, alsmede
of er dringende redenen zijn om - met toepassing van artikel 69, vijfde
lid, van de Abw - geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.
De Raad stelt, aan de hand van het opschortingsbesluit van 18 december
2002, vast dat aan gedaagde van 23 december 2002 tot en met 30 december
2002 een hersteltermijn is geboden om het rof alsnog in te leveren.
Voorts stelt de Raad vast dat het rof niet tijdig is ingeleverd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde in deze periode
echter geen verwijt kan worden gemaakt dat hij zijn rof niet heeft
ingeleverd. Hierbij kent de Raad, evenals de rechtbank, met name
betekenis toe aan de verklaring van de arts Stuifbergen waarin de
fysieke conditie van gedaagde wordt beschreven op het moment van diens
opname in het ziekenhuis op 3 januari 2003. Gelet op de inhoud van deze
verklaring is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde in de
periode van 23 december tot en met 30 december buiten staat was het rof
persoonlijk bij gedaagde in te leveren dan wel initiatieven te
ontplooien om te bereiken dat het rof voor hem zou worden ingeleverd of
ter post zou worden bezorgd. Dit betekent dat gedaagde in strijd met
artikel 69, vierde lid, van de Abw met ingang van 1 november 2002 het
recht op bijstand van gedaagde heeft ingetrokken.
De grief van appellant dat gedaagde de medische verklaring te laat in
het geding heeft gebracht, treft naar het oordeel van de Raad geen doel.
Niet is gebleken dat de rechtbank in strijd met de regels van goede
procesorde heeft gehandeld door deze verklaring bij haar oordeel te
betrekken. Evenmin kan de medische verklaring, anders dan namens
appellant ter zitting is gesteld, worden aangemerkt als een stuk dat is
ingediend na het verstrijken van de in het tweede lid van artikel 69 van
de Abw geboden hersteltermijn waarmee geen rekening meer kan worden
gehouden. De herstelmogelijkheid zag immers op het rof.
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking. Aan beantwoording van de vraag of er sprake is van
dringende redenen, als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw
komt de Raad, gelet op het voorgaande, niet meer toe.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 19,10 voor
reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 663,10, te betalen door de gemeente Oirschot aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat van de gemeente Oirschot een griffierecht van € 414,--
wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 9 augustus 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|