|
Uitspraak
02/6170 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift van 16 januari 2003 aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van de op 7 november 2002 (AWB 02/129
AKW) door de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 30 september 2003 met bijlagen is namens appellant nadere
informatie verstrekt.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 juni 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Samana,
voornoemd, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft de Marokkaanse nationaliteit en is in 1982 naar
Nederland gekomen. Voorzover bekend is appellant vanaf 1990 in Nederland
werkzaam geweest. In 1995 is appellant Nederland uitgezet, waarna hij in
1996 naar Nederland is teruggekomen. In de periode van 22 april 1998 tot
20 november 1998 heeft appellant zonder tewerkstellingsvergunning
gewerkt voor uitzendbureau Spitsbaard. Appellant heeft in de periode van
31 augustus 1998 tot 31 augustus 1999 een uitkering ingevolge de
Ziektewet (ZW) ontvangen. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) heeft appellant uiteindelijk in verband
met het rechtszekerheidsbeginsel in aansluiting op het ziekengeld in
aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Appellant heeft op 2 december 1998, wegens medische behandeling en
klemmende redenen van humanitaire aard, een aanvraag om verlening van
vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 1 augustus 2003 is
aan appellant met ingang van 3 december 2001 een verblijfsvergunning
verleend, geldig tot 3 november 2003.
Bij besluit van 6 mei 1999 heeft gedaagde besloten aan appellant over
het derde en vierde kwartaal van 1998 kinderbijslag te weigeren omdat
betrokkene op grond van zijn verblijfstatus niet verzekerd was ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Voorts heeft gedaagde bij besluit van 23 maart 2000 besloten dat
appellant met ingang van het eerste kwartaal van 1999 geen aanspraak kan
maken op kinderbijslag omdat uit nader onderzoek was gebleken dat het
Uwv de uitkering ingevolge de ZW ten onrechte aan appellant had
toegekend.
Bij besluit van 29 november 2001 (hierna: het bestreden besluit) zijn de
bezwaren van appellant tegen de besluiten van 6 mei 1999 en 23 maart 2000 ongegrond verklaard. Daartoe heeft gedaagde
onder meer overwogen dat appellant sedert 1 juli 1998 niet in het bezit was van een verblijfsvergunning en eerst
op 2 december 1998 een verblijfsvergunning heeft aangevraagd. Op de
peildata van de in geschil zijnde kwartalen verbleef appellant volgens
gedaagde dan ook niet rechtmatig in Nederland en op basis daarvan heeft
gedaagde geconcludeerd dat appellant niet behoorde tot de groep personen
ten aanzien van wie - ingevolge de uitspraken van de Raad van 26 juni
2001 (00/3097 AKW, LJN AB2324, RSV 2001/216, USZ 2001/186, AB 2001/244)
- de toepassing van de Koppelingswet
achterwege moet blijven.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond
verklaard. Met gedaagde is de rechtbank van oordeel dat de Koppelingswet
ten volle op appellant kan worden toegepast, omdat appellant vóór 1
juli 1998 niet in procedure was voor een (verlenging van een)
verblijfsvergunning waarvan de uitkomst in Nederland mocht worden
afgewacht. Met betrekking tot het recht op kinderbijslag over het eerste
kwartaal van 1999 heeft de rechtbank geconcludeerd dat de Koppelingswet
ook over dit kwartaal onverkort aan appellant kan worden tegengeworpen.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant over het derde en
vierde kwartaal van 1998 niet verzekerd wordt geacht voor de AKW en aan
appellant tot aan de datum van uitspraak van de rechtbank geen
verblijfsvergunning is toegekend.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat appellant in een
vergelijkbare positie verkeert als gedaagde 2 in de vermelde uitspraak
van de Raad van 26 juni 2001. Volgens gedaagde gaat deze vergelijking op
omdat gedaagde 2 op 1 juli 1998 ook geen lopende aanvraag voor een
verblijfsvergunning had. Naar het oordeel van appellant voldoet hij in
ieder geval ten aanzien van het eerste kwartaal van 1999 aan alle
voorwaarden voor het recht op kinderbijslag. Daarbij heeft appellant
naar voren gebracht dat hij op 2 december 1998 een verblijfsvergunning
heeft aangevraagd, welke vergunning hij vanaf 3 december 2001 heeft
verkregen.
Gedaagde heeft in hoger beroep het standpunt gehandhaafd dat hij
appellant terecht over het derde en vierde kwartaal van 1998 en het
eerste kwartaal van 1999 heeft uitgesloten van het recht op
kinderbijslag.
De Raad overweegt als volgt.
In zijn uitspraken van 26 juni 2001 betreffende de Koppelingswet heeft
de Raad tot uitdrukking gebracht dat de gerechtvaardigdheid van de
koppelingswetgeving, zoals deze gestalte heeft gekregen in de AKW, in
ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of
na 1 juli 1998 om toelating tot Nederland verzoekt. Een uitzondering is
gemaakt voor degenen aan wie onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling
met toepassing van artikel 12 (oud) van de Algemene bijstandswet
bijstand is verleend of die op reguliere wijze hun verzekeringspositie
krachtens de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen hebben
verworven en die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verbleven in de
zin van artikel 1b, onder 3, van de Vreemdelingenwet. Voor hen geldt dat
er onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te
beëindigen dan als voorzien in laatstgenoemde bepaling, te weten eerst
wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het vóór
1 juli 1998 ingediende verzoek om toelating.
Niet in geschil is dat appellant eerst op 2 december 1998 een aanvraag
voor een verblijfsvergunning heeft ingediend. Derhalve behoort appellant
niet tot de hiervoor omschreven personen en is de Koppelingswet
onverkort op hem van toepassing. Nu appellant op de peildata van het
derde en vierde kwartaal van 1998 niet rechtmatig in Nederland verbleef,
kon appellant op deze data niet verzekerd zijn krachtens de AKW.
Met betrekking tot het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal
van 1999 overweegt de Raad nog dat appellant vanaf 2 december 1998 weliswaar in procedure was om een verblijfvergunning te
verkrijgen en dat hij op dat moment een uitkering op grond van de ZW
ontving. Echter, appellant voldeed niet aan de voorwaarde opgenomen in
het eerste lid van artikel 11 van het Besluit uitbreiding en beperking
kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna:
KB 746). Appellant had immers niet uit hoofde van het verrichten van
arbeid in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen recht op
ziekengeld, aangezien voor de door hem verrichte werkzaamheden, hoewel
vereist, geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Derhalve was
appellant op de peildatum van het eerste kwartaal van 1999 niet op grond
van artikel 11, tweede lid, van KB 746 verzekerd voor de AKW.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|