|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1634 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is door mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12
februari 2003, nr. AKW 02/1257, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 april
2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.R.
Kwee en J. Bourik als tolk en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten. Ter uitvoering
van de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2002, nr. AKW 01/2198,
heeft gedaagde appellant bij besluit van 7 augustus 2002 aangemerkt als
verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en aan hem
kinderbijslag toegekend over het derde kwartaal van 1998 tot en met het
tweede kwartaal van 1999. Eerder had gedaagde bij besluit van 24 oktober
2001 kinderbijslag toegekend over het derde kwartaal van 1999 en bij
besluit van 11 april 2002 (het bestreden besluit) over het tweede
kwartaal van 2001 en het vierde kwartaal van 2001. Thans is nog in
geding de weigering kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal
van 1999 tot en met het eerste kwartaal van 2001 en over het derde
kwartaal van 2001.
De vraag of de weigering kinderbijslag over de kwartalen in geding toe
te kennen, in rechte stand kan houden, beantwoordt de Raad, evenals de
rechtbank, bevestigend. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de
aangevallen uitspraak.
In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat hem niet
duidelijk en tijdig is medegedeeld dat hij aan de onderhoudseis diende
te voldoen en dat hij aan de onderhoudseis zou hebben voldaan indien
gedaagde de betaling van kinderbijslag niet ten onrechte zou hebben
stopgezet.
Met betrekking tot de eerste grief verwijst de Raad naar de overwegingen
van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant
tijdens de hoorzitting in het kader van een eerdere bezwaarprocedure op
2 september 1999, derhalve tijdig voor het eerste thans in geding zijnde
kwartaal, is geïnformeerd over het bestaan van de onderhoudseis en de
wijze waarop hij daaraan (aantoonbaar) kon te voldoen.
Met betrekking tot de tweede grief overweegt de Raad dat ook indien
gedaagde de betaling van kinderbijslag niet (in verband met een onjuiste
toepassing van de Koppelingswet) had stopgezet, appellant niet aan de
onderhoudseis zou hebben voldaan. Het bedrag van de kinderbijslag op
zichzelf is daarvoor niet voldoende en appellant heeft niet aangetoond
in het vierde kwartaal van 1999 enige geldelijke bijdrage aan zijn gezin
te hebben geleverd, zodat de betaling van kinderbijslag vanaf dat moment
in elk geval diende te worden beëindigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|