|
Uitspraak
00/5136 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (België), appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 22 oktober 1998 heeft gedaagde aan appellante bericht
dat met ingang van 1 januari 1998 zij recht heeft op een
nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) van
fl. 630,42 bruto per maand en een vakantie-uitkering van fl. 40,86 bruto
per maand. Verder wordt bij dit besluit van appellante de ten onrechte
betaalde Anw-uitkering van bruto fl. 2.284,84 en fl. 148,10
vakantie-uitkering teruggevorderd.
Bij besluit van 25 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde - onder meer - het bezwaar van appellante tegen het besluit van
22 oktober 1998 niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 23 augustus 2000 het
beroep tegen het bestreden besluit, dat enkel betrekking had op de
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 22
oktober 1998, ongegrond verklaard.
Appellante is op bij beroepschrift - annex bijlagen - aangegeven gronden
van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 november 2002,
waar appellante -zoals tevoren was bericht- niet is verschenen, terwijl
namens gedaagde is verschenen mr. R.A. Zieck, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij het in rubriek I genoemde besluit van 22 oktober 1998 heeft gedaagde
appellantes recht op een nabestaandenuitkering vastgesteld met ingang
van 1 januari 1998. Tegen dit besluit zijn door appellante geen
rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 8 juni 1999 heeft gedaagde
appellantes AOW-pensioen (definitief) vastgesteld op fl. 67,39 bruto per
maand met een vakantietoeslag van fl. 3,72 (zijnde 4% van het maximale
AOW-pensioen voor een ongehuwde). Bij brief gedateerd 9 juli 1999 heeft
appellante tegen laatstgenoemd besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft
zij tevens aangegeven bezwaar te maken tegen het besluit van 22 oktober
1998. In de onderhavige procedure is alleen in geding de
niet-ontvankelijkverklaring door gedaagde van appellante - wegens
termijnoverschrijding - in haar bezwaar tegen deze laatste beslissing.
In beroep is door appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring
aangevoerd dat zij door gedaagde onjuist is voorgelicht omtrent haar
rechtspositie.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als
volgt geoordeeld:
'Niet in geschil is dat het besluit omtrent de verlaging van de
Anw-uitkering van eiseres met ingang van januari 1998 daadwerkelijk op
22 oktober 1998 is verzonden. Uitgaande van 22 oktober 1998 als datum
van verzending is de bezwaartermijn van zes weken op 23 oktober 1998
aangevangen. Verweerder heeft eiseres het besluit in haar eigen taal -
het Frans - doen toekomen. In dit besluit heeft verweerder in niet voor
tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen melding gemaakt van de
bezwaartermijn van zes weken. De rechtbank kan eiseres dan ook niet
volgen in haar opvatting dat zij niet op adequate wijze is geïnformeerd
omtrent haar rechten. De rechtbank stelt vast dat eiseres ook voor het
overige geen enkele in rechte te honoreren verontschuldiging heeft
gegeven voor het feit dat zij de bezwaartermijn ongebruikt heeft laten
verstrijken en pas op 9 juli 1999 - ongeveer zeven maanden na ommekomst
van de bezwaartermijn - is opgekomen tegen het besluit van 22 oktober
1998.'
In hoger beroep zijn door appellante de in eerste aanleg aangevoerde
grieven in essentie herhaald. Daaraan is toegevoegd dat een
bezwaartermijn van zes weken in strijd moet worden geacht met
Verordening 1408/71 en de artikelen 39 en 42 van het EG-Verdrag.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of gedaagde
appellante met recht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar
tegen het besluit van 22 oktober 1998, zodat de rechtbank het beroep
tegen het bestreden besluit met recht ongegrond heeft verklaard.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
De Raad voegt daaraan toe, mede naar aanleiding van de in hoger beroep
opgeworpen grieven, dat een bezwaartermijn van zes weken, mede ook
gezien de mogelijkheid van het indienen van een pro-formabezwaarschrift, niet in strijd kan worden geacht met het
effectiviteitsvereiste inzake de handhaving van aan het EG-recht te
ontlenen aanspraken. Ook anderszins acht de Raad de lengte van de naar
nationaal recht geldende bezwaartermijn op zich zelf niet in strijd met
het gemeenschapsrecht.
Appellante heeft eerst op 9 juli 1999, derhalve ongeveer zeven maanden
na ommekomst van de bezwaartermijn, bezwaar gemaakt tegen het besluit
van 22 oktober 1998. Appellante heeft, ter verschoning van de
termijnoverschrijding, zich erop beroepen dat gedaagde haar onjuist
heeft voorgelicht over haar rechtspositie.
Ook deze grief kan naar het oordeel van de Raad niet slagen, nu de Raad
uit de gedingstukken van onjuiste informatie zijdens gedaagde naar
appellante toe niet is kunnen blijken.
De Raad concludeert dat appellantes grieven tegen de
niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 22
oktober 1998 en de ongegrondverklaring door de rechtbank van haar beroep
tegen dit besluit, niet slagen. Het hoger beroep is dan ook vergeefs
ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|