|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6917
AWBZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 17 november
2004, 03/1457 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
Stichting Centrale Zorgverzekeraars, gevestigd te Tilburg (hierna: CZ).
Datum uitspraak: 1 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond hoger
beroep ingesteld.
CZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006.
Namens appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. CZ is
verschenen bij gemachtigde, mr. K.T.K. Staffhorst.
II. OVERWEGINGEN
Voor een weergave van de in dit geding relevante feiten, de in bezwaar
en beroep van de zijde van appellant aangevoerde grieven en de van
toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 6 maart 2002 heeft CZ de aanvraag van appellant om
huishoudelijk hulp op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) afgewezen. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft CZ bij
besluit van 14 april 2003 ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 14 april 2003
ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer als volgt overwogen
(waar appellant is aangeduid als eiser en CZ is aangeduid als
verweerder):
”De rechtbank stelt voorop dat het door verweerder ingestelde
onderzoek voldoende zorgvuldig is en een volledige en een verantwoorde
basis vorm voor de onderhavige oordeelsvorming. Daartoe overweegt de
rechtbank dat naar aanleiding van eisers aanvraag een advies is
uitgebracht door het RIO Groot Kempenland en dat verweerder in de kader
van de bezwaarprocedure nader onderzoek heeft laten verrichten door GGD
Zuidoost-Brabant. In het kader van dit onderzoek hebben gesprekken met
eiser plaatsgevonden en tevens is daarbij de door eiser ingebrachte
medische informatie van zijn behandelend artsen betrokken. Het betreft
hier inlichtingen van eisers psycholoog, internist, zenuwarts en
neuroloog. Tevens heeft overleg met eisers huisarts plaatsgevonden
alsmede met de indicatieadviseur van het RIO en de revalidatieartsen van
Blixembosch en het Leypark met betrekking tot het vigerende beleid ten
aanzien van het bij eiser vastgestelde chronisch vermoeidheidssyndroom.
Tot slot is in het kader van het onderzoek verwezen naar een aantal
wetenschappelijke artikelen in medische tijdschriften, welke artikelen
in het bestreden besluit zijn genoemd. Eisers grief dat de medische
grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig en onvolledig is, kan
derhalve niet slagen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser zijn
opvatting niet heeft onderbouwd met concrete verifieerbare gegevens. De
rechtbank concludeert voorts in navolging van verweerder dat het geheel
van beschikbare medische gegevens onvoldoende objectiveerbare
aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat eiser gelet op de voor hem
geldende medische beperkingen is aangewezen op huishoudelijke hulp.”
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de
door haar in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen.
De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd - nagenoeg bij
wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - geen
aanknopingspunten gevonden om anders te oordelen dan de rechtbank.
De inhoud van de vanwege appellant aan de Raad toegezonden brief van prof.
dr. K. De Meirleir van 26 mei 2005 waaruit ondermeer blijkt dat de
inspanningscapaciteit van appellant normaal is geeft geen reden de
indicatiestelling, waarop het besluit tot afwijzing van de gevraagde
huishoudelijke hulp is gebaseerd, voor onjuist te houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 1 november 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|