|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/1581
AWBZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 maart 2003, 02/649
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 26 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.F. de Savornin Lohman hoger beroep
ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellante te kennen
gegeven naar haar mening belang te hebben bij voortzetting van de
procedure.
Het geding is voor de eerste maal behandeld ter zitting van 21 juni
2006. Appellante is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr.
C.A.J. Mastenbroek.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad
besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 17 november 2006.
Appellante is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is in 1975 met haar inmiddels overleden echtgenoot [naam
echtgenoot] naar België verhuisd in verband met de aanstelling van haar
echtgenoot als hoogleraar aan de Katholieke universiteit te Leuven.
Appellante heeft na haar verhuizing geen arbeid in Nederland verricht,
noch een uitkering krachtens de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving
ontvangen, totdat haar met ingang van mei 1988 een AOW-pensioen werd
toegekend. Vanaf mei 1995 ontvangt appellante tevens een
overlevingspensioen krachtens de Belgische wettelijke regeling voor
ambtenaren. Voorts ontvangt zij een pensioen van het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds (ABP). Het ABP heeft tot en met 31 december 1999 premies
ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingehouden op
het pensioen van appellante.
Bij besluit van november 1999 heeft OHRA Ziektekostenverzekeringen N.V.
(OHRA) aan appellante meegedeeld dat haar inschrijving in het kader van
de AWBZ met ingang van 1 januari 2000 zou worden beëindigd. Het bezwaar
van appellante is door de rechtbank bij uitspraak van 4 maart 2003
niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is met de uitspraak van deze
Raad van 9 juni 2006, LJN AX8859, rechtens onaantastbaar geworden.
Bij formulier gedateerd 21 juli 2001 heeft appellante de Svb verzocht om
met ingang van 1 januari 2000 toegelaten te worden tot de vrijwillige
verzekering ingevolge de AWBZ. Bij primair besluit van 8 augustus 2001
heeft de Svb het verzoek van appellante afgewezen onder de overweging
dat appellante op 31 december 1999 een uitkering ontving krachtens een
buitenlandse wettelijke regeling. Bij het bestreden besluit van 30 november 2001 heeft de Svb het primaire besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante, voorzover in de onderhavige procedure
van belang, gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet de Staat der
Nederlanden in de procedure heeft betrokken, dat beëindiging van haar
AWBZ-verzekering een onrechtmatige ontneming van eigendom vormt en dat
in de onderhavige regelgeving een territorialiteitseis wordt gesteld die
onverenigbaar is met de grondbeginselen van de gemeenschappelijke markt.
De Svb blijft bij haar oordeel dat appellante niet voldoet aan de
voorwaarden welke in artikel 32a van de AWBZ worden gesteld voor het
ontstaan van een bevoegdheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de
AWBZ.
De Raad overweegt als volgt.
De mogelijkheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ betreft
tijdvakken vanaf 1 januari 2000 en is in het leven geroepen bij artikel
32a van de AWBZ. Deze bepaling is van kracht gebleven tot 1 januari
2006. Ten aanzien van tijdvakken vanaf 1 januari 2006 bestaat niet
langer een mogelijkheid tot vrijwillige verzekering. De onderhavige
procedure betreft dus de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering van
appellante over het reeds verstreken tijdvak 1 januari 2000 tot 1
januari 2006. Nu appellante te kennen heeft gegeven belang te hechten
aan voortzetting van de onderhavige procedure en nu enig belang met het
oog op de toepassing van supranationale coördinatieregels niet volledig
kan worden uitgesloten, acht de Raad geen termen aanwezig om het hoger
beroep van appellante niet-ontvankelijk te verklaren.
Ingevolge artikel 32a, eerste en tweede lid, van de AWBZ kan degene
wiens verzekering ingevolge de AWBZ is geëindigd, onder voorwaarden de
AWBZ-verzekering vrijwillig voortzetten. Ingevolge het derde lid bestaat
deze bevoegdheid echter niet voor personen die een uitkering ontvangen
krachtens een buitenlandse wettelijke regeling.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad stelt vast dat
appellante (reeds) op grond van het feit dat zij een uitkering ontvangt
krachtens de Belgische wettelijke regeling, uitsluitend beoordeeld op
basis van bepalingen van nationaal recht, niet bevoegd is zich met
ingang van 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren ingevolge de AWBZ.
Appellante beoogt kennelijk te stellen dat de beëindiging van haar
verplichte verzekering krachtens de AWBZ, zonder dat haar de
mogelijkheid wordt geboden tot vrijwillige verzekering, een inbreuk
vormt op haar eigendomsrecht die in strijd is met artikel 1 van het
Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990,
156 (EVRM).
De Raad laat uitdrukkelijk in het midden of appellante tot en met 31
december 1999 op goede gronden als verzekerde krachtens de AWBZ
ingeschreven heeft gestaan bij OHRA en of beëindiging van verzekering
krachtens de AWBZ in algemene zin als inbreuk op een eigendomsrecht kan
worden beschouwd. Het thans in geding zijnde besluit strekt immers niet
tot beëindiging van bestaande (verplichte of vrijwillige) verzekering.
Reeds om die reden maakt dit besluit geen inbreuk op een bestaand
eigendomsrecht. Wel heeft het bestreden besluit tot gevolg dat
appellante niet in staat wordt gesteld door middel van vrijwillige
verzekering aanspraak te doen ontstaan op verstrekkingen indien zich ten
aanzien van haar gezondheidstoestand bepaalde eventualiteiten voordoen.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens beschermt artikel 1 EP evenwel niet het recht zich eigendom te
verwerven. Noch artikel 32a van de AWBZ, noch de toepassing van deze
bepaling in het onderhavige geval, is naar het oordeel van de Raad dan
ook in strijd met artikel 1 EP.
Appellante heeft verder gesteld dat er sprake is van een
territorialiteitseis die in strijd is met de grondbeginselen van de
gemeenschappelijke (Europese) markt. De Raad interpreteert deze stelling
aldus dat appellante de weigering om haar toe te laten tot de
vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ beschouwt als een
ongeoorloofde belemmering van het haar op grond van artikel 18 EG
toekomende recht op vrij verkeer van Unieburgers. Dienaangaande
overweegt de Raad als volgt.
Volgens vaste rechtspraak doet het gemeenschapsrecht niet af aan de
bevoegdheid van de lidstaten om hun stelsels van sociale zekerheid in te
richten. Bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau staat het
elke lidstaat vrij, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon
zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid (HvJEG 28 april 1998,
Decker, C-120/95, en Kohll, C-158/96). De lidstaten
zullen bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht
moeten eerbiedigen, in het bijzonder de verdragsbepalingen betreffende
het vrije verkeer van werknemers en die betreffende de vrijheid van elke
burger van de Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van
de lidstaten (HvJEG 23 november 2000, Elsen, C-135/99).
Het EG-verdrag biedt evenwel niet de garantie dat overbrenging van de
woonplaats naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal
is. Gelet op de verschillen tussen de wettelijke stelsels van de
lidstaten kan een dergelijke overbrenging op het punt van de sociale
zekerheid, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer of
minder voordelig of nadelig uitpakken (vergelijk HvJEG 19 maart 2002,
C-393/99, Hervein II). Het feit dat het nieuwe woonland een door de
belanghebbende als minder gunstig ervaren stelsel van
ziektekostenverzekering kent, brengt op zichzelf dan ook niet met zich
mee dat aan de betrokkene de gelegenheid moet worden geboden om
vrijwillig verzekerd te blijven krachtens de wetgeving van het
oorspronkelijke woonland of zich na een onderbreking vanaf een zeker
moment alsnog vrijwillig te verzekeren.
De Raad merkt in dit verband nog op dat de conflictregels in
EG-verordening nr. 1408/71 ertoe strekken, op degene die niet langer
wegens het verrichten van werkzaamheden aan de wetgeving van een
lidstaat is onderworpen, bij uitsluiting de wetgeving van het woonland
van toepassing te doen zijn. Op grond van deze verordening ontvangen
pensioengerechtigden verstrekkingen bij ziekte veelal van het orgaan van
de woonplaats met inachtneming van de door dit orgaan toegepaste
wettelijke regeling.
Naar het oordeel van de Raad is artikel 32a van de AWBZ niet in strijd
met artikel 18 EG. Van een nadeliger behandeling van personen die
gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer ten opzichte van
personen die dat niet hebben gedaan, is naar het oordeel van de Raad
geen sprake. Artikel 32a van de AWBZ voorziet immers uitsluitend voor
personen die buiten Nederland wonen in de mogelijkheid tot vrijwillige
verzekering ingevolge de AWBZ. Voor personen die altijd in Nederland
zijn blijven wonen is deze vrijwillige verzekering niet aan de orde.
De grief van appellante dat zij door het onderhavige besluit in strijd
met artikel 18 EG wordt belemmerd in haar recht op vrij verkeer wordt
derhalve verworpen.
Ook het beroep van appellante op het arrest van het Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, C-227/03, Van
Pommeren-Bourgondiën, kan geen doel treffen. Naar het oordeel van de
Raad moet dit arrest worden gelezen in de context van het in die zaak
aan de orde zijnde probleem dat een in een andere lidstaat wonende
gerechtigde tot een Nederlandse uitkering slechts voor enkele takken in
het Nederlandse stelsel verzekerd bleef, maar zich hierdoor wel volledig
van het stelsel van het woonland zag afgesneden.
Het Hof van Justitie verklaarde voor recht:
“Artikel 39 EG staat eraan in de weg dat een lidstaat een
wettelijke regeling toepast op grond waarvan iemand die iedere
beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, voor bepaalde
takken van sociale zekerheid slechts verplicht verzekerd blijft indien
hij aldaar zijn woonplaats behoudt, terwijl die persoon ingevolge de
wetgeving van deze lidstaat voor andere takken van sociale zekerheid
verplicht verzekerd blijft, ook indien hij in een andere lidstaat woont,
wanneer de voorwaarden voor vrijwillige verzekering voor de takken van
sociale zekerheid waarvoor de verplichte verzekering is geëindigd,
minder gunstig zijn dan die voor de verplichte verzekering.”
Reeds omdat appellante in ieder geval vanaf 1 januari 2000 voor geen
enkele tak van sociale zekerheid meer verplicht verzekerd was in
Nederland, is dit arrest in haar situatie niet van toepassing.
Ten slotte vindt de stelling dat de Staat in enige fase van deze
procedure in het geding had moeten worden betrokken, geen steun in het
recht.
Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep van appellante geen doel
treffen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van één der
partijen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
P.H.
Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
|
|