|
Uitspraak
01/5486
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, op bij
beroepschrift (met bijlage) van 8 januari 2002 aangevoerde gronden bij
de Raad in hoger beroep gekomen tegen een door de rechtbank Leeuwarden
onder dagtekening 13 september 2001, nummer 99/577 CSV, tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 23 april 2002 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april
2004, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar
gemachtigde mr. De Goeij voornoemd, terwijl gedaagde is verschenen bij
gemachtigde mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In hoger beroep is, gegeven de uitspraak van de rechtbank en de grieven
die tegen de aangevallen uitspraak namens appellante naar voren zijn
gebracht, uitsluitend in geschil of de rechtbank terecht en op goede
gronden heeft geoordeeld dat gedaagde zijn correctienota’s die hij aan
appellante heeft opgelegd over de jaren 1995 tot en met 1997, hierop
mocht baseren dat [betrokkene] gedurende 40 uur voor haar werkzaam is
geweest.
Inmiddels heeft de Raad bij uitspraak van 3 december 2003, nummer
01/1369 WW, een oordeel gegeven over een uitkeringskwestie van
voornoemde Tamis, welke kwestie zich afspeelde in hetzelfde tijdvak dat
in het onderhavige geval aan de orde is.
De Raad heeft in die uitspraak, die partijen bekend is, geoordeeld dat
[betrokkene] in elk geval vanaf het najaar van 1995 fulltime voor
appellante is gaan werken.
De Raad ziet in hetgeen van de kant van appellante in hoger beroep is
aangevoerd, geen grond tot correctie van dit oordeel.
Dit betekent voor de onderhavige zaak dat de correctienota over het
premiejaar 1995 een onjuiste feitelijke grondslag heeft.
Het bestreden besluit van 7 juni 1999 en de aangevallen uitspraak,
waarbij het bestreden besluit voor zover het de correctienota 1995
betreft in stand is gelaten, komen derhalve voor vernietiging in
aanmerking.
De Raad acht gelet op het voorgaande termen aanwezig om gedaagde te
veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep, welke kosten
zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 7 juni
1999 voor zover daarin het beroep tegen de correctienota met betrekking
tot het premiejaar 1995 ongegrond is verklaard;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het
overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 644.--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 306,30 (f.
675,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|