|
Uitspraak
02/1561
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. dr. C.C.J. Aarts, advocaat te Schijndel bij
de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Hertogenbosch, kenmerk AWB 00/6914, gedateerd 3 januari 2002.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 3
juni 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 23 augustus 2000 - hierna:
het bestreden besluit -, waarin hem is medegedeeld dat hij, als
bestuurder, hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor door [naam B.V.] in
de jaren 1990 tot en met 1992 onbetaald gelaten premies ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten, tot een bedrag groot fl.
194.305,32. Dit besluit is door gedaagde genomen naar aanleiding van een
eerdere uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 november
1999. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen een besluit
12 oktober 1998 gegrond verklaard, in welk besluit appellant eveneens
aansprakelijk was gesteld voor de hierboven genoemde onbetaald gelaten
premies. De gegrondverklaring van het beroep is door de rechtbank
uitsluitend gebaseerd op het oordeel dat gedaagde niet expliciet had
gereageerd op de betwisting door appellant van de juistheid van het
bedrag waarvoor appellant aansprakelijk was gesteld, waarmee gedaagde
voorbij was gegaan aan het bepaalde in artikel 16d, achtste lid, van de
CSV. Tegen deze uitspraak heeft geen der partijen hoger beroep
ingesteld, derhalve dient uitgegaan te worden van de juistheid van de
vaststelling dat appellant terecht aansprakelijk is gesteld voor door de
vennootschap onbetaald gelaten premies en is nog slechts in geding de
hoogte van de aansprakelijkstelling.
In het bestreden besluit is door gedaagde uitgebreid uiteen gezet op
welke wijze hij is gekomen tot de vaststelling van de hoogte van het
bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde daarmee op juiste
wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 18
november 1999. De namens appellant in hoger beroep aangevoerde grieven
zijn een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die grieven op
duidelijke en juiste wijze verworpen.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en
beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|