|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/6187 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is door M.J. de Vreugd, bedrijfsjurist te Oosterbeek,
hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 19 november 2003
onder kenmerk 02/4333 door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005.
Partijen hebben zich bij die gelegenheid niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, in overeenstemming met
de strekking van het besluit op bezwaar van gedaagde van 14 oktober
2002, het standpunt ingenomen dat de administratie van appellante niet
voldeed aan het bepaalde in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, dat op basis van de jaaropgaven van appellante over 1998 en
1999 de omzet van haar bedrijf niet behaald kan zijn door de in de
loonadministratie opgenomen werknemers, dat er door valse facturen
afgedekte loonbetalingen aan onbekende derden, niet in de
loonadministratie opgenomen verzekeringsplichtige werknemers hebben
plaatsgehad. Naar het oordeel van de rechtbank is door appellante niet
aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk personeel is ingeleend van de
destijds niet meer actieve bedrijven [naam bedrijven]. De
premiecorrecties over 1998 en 1999 inclusief brutering over de netto
uitbetaalde bedragen, met als bewijs de gegevens ontleend aan het
rapport werkgeversfraude van 17 september 2001, heeft de rechtbank als
gebaseerd op juiste aannames tot de zijne gemaakt en gedaagde, onder
ongegrondverklaring van het beroep van appellante, in het gelijk
gesteld.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde beroepsgronden
aangevoerd. Zij heeft met name doen benadrukken dat appellante en haar
firmanten in de strafprocedure vrij van vervolging zijn gesteld en dat
zij een correcte firma representeert, waardoor het onbegrijpelijk is dat
de rechtbank de zaak zonder nader onderzoek met onwaarheden aan haar
adres heeft afgedaan. Hiertegenover heeft gedaagde in het verweer
gemotiveerd voor een bevestiging van de uitspraak van de rechtbank op de
door deze ontwikkelde gronden bepleit.
De Raad oordeelt te dien aanzien dat hij het gedegen gemotiveerde
standpunt van de rechtbank onderschrijft en geheel tot de zijne maakt.
De premiecorrecties over 1998 en 1999 gebaseerd op een zorgvuldige en
redelijke schatting met inachtneming van reële uitgangspunten, zonder
bruikbare aanknopingspunten voor enig tegendeel, kunnen de toets van de
Raad alleszins doorstaan. Tegen de adequate bewijsvoering met behulp van
een concludent frauderapport door gedaagde, op goede gronden door de
rechtbank gevolgd, heeft appellante slechts blote, niet gestaafde
stellingen ontwikkeld. In het bijzonder tekent de Raad hierbij aan dat
hij volgens vaste jurisprudentie niet gebonden is aan de uitkomsten van
de strafprocedure, doch een eigen beoordelingsvrijheid met een vrije
bewijswaardering heeft op basis van de stukken en de zitting welke de
bestuursprocedure vorm en inhoud geven. Onder de gegeven omstandigheden
waarin sprake is van geconstateerde evidente administratieve leemten ter
zake van het administreren van en betalen aan ingeschakelde werknemers
voor verantwoordelijkheid van appellante is het aan haar als werkgever
tegenbewijs van gewicht te leveren. Appellante is hierin naar het
oordeel van de Raad evenwel in genen dele geslaagd. Daardoor reeds komt
volgens de Raad de grond te ontvallen aan de zienswijze van appellante
dat de rechtbank door het wel aanwezige gefundeerde bewijs te volgen van
onwaarheden is uitgegaan en tot nader onderzoek had dienen over te gaan.
Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. B. J. van der Net in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Kovács.
|
|