|
Uitspraak
03/4773 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 1 september 2003
onder kenmerk 02/1848 door de rechtbank Utrecht gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en vervolgens
op 24 januari 2005 nog een nader stuk toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 maart
2005, waar voor appellant is mr. P.A.D.M. Bouts, werkzaam bij het Uwv,
en waar voor gedaagde is verschenen J.A.M. van der Boon,
belastingadviseur te Soest.
II. MOTIVERING
Gedaagde exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met het
chemisch reinigen en reconditioneren van kleding. In januari 2000 heeft
de Belastingdienst bij gedaagde een boekenonderzoek uitgevoerd over de
jaren 1995 tot en met 1999. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een
rapport van 10 juli 2001, waarvan een afschrift is gezonden aan
appellant. In dit rapport is geconcludeerd dat gedaagde maaltijden, die
aan werknemers werden verstrekt in het kader van overwerk niet heeft
geadministreerd en dat correcties moeten worden aangebracht op de
ingediende aangiften loonbelasting. Appellant heeft de conclusies en
bevindingen van de Belastingdienst overgenomen en het premieloon
gecorrigeerd en vastgesteld op de door de Belastingdienst vastgestelde
brutoloonbedragen. Appellant heeft aan gedaagde op 28 november 2001
correctienota's over - voorzover thans nog van belang - de jaren 1996
tot en met 1999 toegezonden ten bedrage van in totaal f. 1.796,--
alsmede, na aankondiging hiervan, op 4 december 2001 boetenota's over de
jaren 1996 en 1997 ter hoogte van 25% van de vastgestelde premie. Ten
slotte heeft appellant een verzuim geadministreerd. Bij besluit van 19
juli 2002 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen deze besluiten
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
de vergoeding van griffierecht en proceskosten, het beroep van gedaagde
tegen het besluit van 19 juli 2002 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het
oordeel van de rechtbank kon appellant bij de vaststelling van de over
de in geding zijnde jaren verschuldigde premies niet zonder nader
onderzoek uitgaan van de bedragen die de Belastingdienst in het rapport
van 10 juli 2001 als loon heeft aangemerkt, nu gedaagde die bedragen van
meet af aan heeft betwist omdat de maaltijden volgens gedaagde
grotendeels zijn verstrekt aan uitzendkrachten voor wie gedaagde niet de
inhoudingsplichtige was en de Belastingdienst daarnaar nog een nader
onderzoek instelde.
In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak
bestreden, behoudens voorzover deze ziet op de over het jaar 2001
opgelegde correctie. Daarbij is in hoofdzaak gesteld dat de rapportage
van de Belastingdienst van 10 juli 2001 de definitieve rapportage is op
basis waarvan deze dienst op 28 augustus 2003 naheffingsaanslagen heeft
opgelegd, dat appellant uit mocht gaan van de juistheid van die
rapportage en de daarin genoemde loonbedragen en dat het aan gedaagde is
haar stelling aannemelijk te maken dat de maaltijden grotendeels zijn
verstrekt aan uitzendkrachten.
Gedaagde meent dat appellant niet zonder meer had mogen afgaan op het
rapport van de Belastingdienst en dat zij met het overleggen van stukken
met cijfers over drie verschillende weken, verspreid over 1996, 1997 en
1998 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de maaltijden nagenoeg
geheel aan uitzendkrachten zijn verstrekt. Gedaagde heeft er verder op
gewezen dat de Belastingdienst uiteindelijk geheel heeft afgezien van
het opleggen van naheffingen en boetes.
De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat gedaagde over de jaren 1996 tot en met 1999 niet volledig
heeft voldaan aan zijn in artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (hierna: CSV) neergelegde loonopgaveverplichting, nu
gedaagde premieplichtig loon heeft betaald in de vorm van verstrekte
maaltijden en dit loon niet heeft verantwoord. Appellant was derhalve op
grond van artikel 12, eerste lid, van de CSV verplicht de premie
ambtshalve vast te stellen. Hierbij mocht appellant overgaan tot een
schatting van de aanvullende premiecorrecties. Ingevolge vaste
jurisprudentie van de Raad moet het dan gaan om een redelijke schatting,
waarbij zo veel mogelijk dient te worden aangesloten bij wel bekende
gegevens.
Nu het onderzoek door de Belastingdienst op voldoende zorgvuldige wijze
heeft plaats gevonden, mocht appellant naar het oordeel van de Raad in
beginsel afgaan op de in het rapport van 10 juli 2001 neergelegde
bevindingen en conclusies. Gelet op de omstandigheid dat gedaagde wel
heeft aangegeven dat ook aan eigen werknemers maaltijden zijn verstrekt,
maar niet heeft geadministreerd aan wie, mocht appellant er in het
voetspoor van de Belastingdienst van uit gaan dat alle maaltijden zijn
verstrekt aan eigen werknemers van gedaagde en ligt de bewijslast van
het tegendeel bij gedaagde. Naar het oordeel van de Raad is gedaagde er
niet in geslaagd aan te tonen dat de maaltijden slechts voor een klein
deel door haar eigen werknemers zijn genoten. Ook al maakte gedaagde
veel gebruik van uitzendkrachten en verrichtten deze uitzendkrachten
veelvuldig overwerk, dan nog volgt daaruit niet dat zij ook recht hadden
op verstrekking van een warme maaltijd. De door gedaagde over drie
verspreide weken in de jaren 1996, 1997 en 1998 overgelegde stukken
vormen hiervan evenmin het bewijs.
De Belastingdienst heeft weliswaar in gedeelten en ten slotte in januari
2004 geheel afgezien van het opleggen van naheffingsaanslagen en boetes,
maar blijkens de stukken is dit gebeurd in verband met verjaring en
overschrijding van de redelijke termijn en niet omdat de inspecteur naar
aanleiding van de betwisting hiervan door gedaagde tot een ander
inhoudelijk standpunt is gekomen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de brief
van de inspecteur van 2 september 2002 waarin gedaagde wordt verzocht
alsnog met bewijsstukken te komen wie een maaltijd heeft genoten en uit
de brief van de inspecteur van 24 oktober 2003, waarin wordt gesteld dat
er geen enkele reden is om op het punt van de maaltijden niet te
corrigeren en evenmin om een compromis te sluiten. Appellant is, gelet
op zijn eigen verantwoordelijkheid voor de (na)heffing van premies niet
gebonden aan het standpunt van de fiscus inzake verjaring en
termijnoverschrijding.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, niet in stand kan blijven en dat het
beroep in zoverre ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. G. van der Wiel en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 28 april 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.E. Lysen.
|
|