|
Uitspraak
voorzieningenrechter 04/3751 REA-VV en 04/3752 WAO-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het
geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Bij besluit van 22 november 2001 heeft gedaagde geweigerd met ingang van
20 november 2001 aan verzoeker een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat verzoekers
mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
Bij besluit van 22 november 2001 heeft gedaagde aan verzoeker
medegedeeld dat hij per 20 november 2001 niet als arbeidsgehandicapt in
de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) is
aangemerkt.
Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluiten
van 26 maart 2002 ongegrond verklaard.
Van deze besluiten op bezwaar is verzoekers gemachtigde op nader
aangevoerde gronden beroep in beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank Haarlem heeft W.C.G. Blanken, revalidatiearts te
Driebergen-Rijsenburg, als deskundige benoemd voor het instellen van een
onderzoek. Deze deskundige heeft onder dagtekening 11 april 2003 over
dat onderzoek een rapport uitgebracht.
De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 19 mei 2004, reg.nrs.
Awb 02-621 REA en Awb 02-672 WAO, het beroep van verzoeker gegrond
verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat gedaagde met
inachtneming van de uitspraak nieuwe beslissingen op bezwaar dient te
nemen.
Namens gedaagde is bij schrijven van 21 juni 2004 tegen die uitspraak
(voorlopig) hoger beroep ingesteld.
Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, bij
schrijven van 7 juli 2004 aan de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep verzocht
te bepalen dat gedaagde, binnen een door de voorzitter te bepalen
termijn en op straffe van een door hem te bepalen dwangsom voor iedere
dag dat hij daarmee in gebreke is, uitvoering moet geven aan aangevallen
uitspraak.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van het gedane verzoek, dat wordt opgevat als een
verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de
voorzieningenrechter het volgende.
Namens verzoeker is aangevoerd dat er geen wettelijk grondslag bestaat
voor de weigering van gedaagde om uitvoering te geven aan de aangevallen
uitspraak. Ten onrechte meent het Uwv dat het instellen van beroep de
uitspraak van de rechtbank schorst, aldus verzoekers gemachtigde.
De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het bepaalde in artikel
19 van de Beroepswet, in combinatie met onderdeel C van de bijlage bij
die wet, onder 1 en 11a.
Hieruit blijkt dat de werking van een uitspraak met betrekking tot
besluiten als de onderhavige wordt opgeschort tot op het hoger beroep is
beslist.
Voor zover het verzoek zou moeten worden opgevat als een verzoek om de
schorsende werking van het hoger beroep op te heffen, overweegt de
voorzieningenrechter dat de wederzijds zich aandienende belangen bij een
al dan niet onmiddellijke uitvoering van de in de aangevallen uitspraak
gegeven opdracht tot het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar in dat
geval zouden moeten worden beschouwd en afgewogen tegen de achtergrond
van de omstandigheid dat de wetgever blijkens meergenoemde bepaling in
de Beroepswet uitdrukkelijk schorsende werking heeft willen toekennen
aan het bezwaar en beroep tegen besluiten als de onderhavige.
De door verzoekers gemachtigde aangevoerde enkele omstandigheid dat
verzoeker voor zijn inkomen afhankelijk is van onderhavig
uitkeringsrecht acht de voorzieningenrechter, mede in het licht van de
bovenomschreven toets, vooralsnog bepaald onvoldoende om enig
spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aan te
nemen.
Het vorenstaande leidt er toe dat het verzoek om een voorlopige
voorziening te treffen kennelijk ongegrond is, zodat de
voorzieningenrechter onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van
de Awb zonder zitting uitspraak zal doen.
Er is geen aanleiding om in voor verzoeker gunstige zin beslissingen met
betrekking tot proceskosten en griffierecht te nemen.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr. J.D.
Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus
2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.D. Streefkerk.
|
|