|
Uitspraak
04/741 REA
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar,
geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 21 april 2004 is het door opposant
ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van
24 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposant per fax van 15 juni 2004
een verzetschrift ingediend.
II. MOTIVERING
Het ingediende verzetschrift bevat echter geen gronden.
Bij schrijven van 17 juni 2004 is opposant in de gelegenheid gesteld dit
verzuim binnen vier weken te herstellen.
Hij heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 19 juli 2004 is aan opposant nogmaals de
gelegenheid geboden de verzetsgronden in te dienen. Daarbij is een
termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van
die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzet kan leiden.
Opposant heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter in
tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 25 augustus 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder.
|
|