|
Uitspraak
04/1209 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 21 januari 2004, reg.nr. AWB 03/1723.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft daarop bij brief van 23 april 2004 gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 oktober 2005, waar voor
appellante is verschenen P.H. Wagenaar, wonende te Nijmegen, en waar
gedaagde - na kennisgeving - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante ontvangt sinds 1 maart 1998 een uitkering voor
levensonderhoud op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Op grond
van artikel 107 van de Abw is haar ontheffing verleend van de in artikel
113, eerste lid, van de Abw bedoelde arbeidsverplichtingen. Deze
ontheffing berust op adviezen van de GGD en het RIO. Op verzoek van
gedaagde heeft Argonaut B.V. op 28 september 2001 beoordeeld of
appellante moet worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte als bedoeld in
artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
In een op 20 november 2001 gedateerd advies heeft Argonaut B.V.
geconcludeerd dat dit het geval is en dat de werktijd gemaximaliseerd is
op vier uur per dag.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 28 november 2001 vastgesteld
dat appellante moet worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte als
bedoeld in artikel 2 van de Wet Rea. Gedaagde heeft het bezwaar van
appellante tegen dit besluit bij besluit van 20 maart 2002 ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 maart
2002 bij uitspraak van 6 maart 2003, reg.nr. 02/1015, gegrond verklaard,
dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen met inachtneming van die
uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen.
Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend zodat zij gezag van
gewijsde heeft gekregen.
Gedaagde heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank bij
besluit van 11 juni 2003 opnieuw beslist op het bezwaar van appellante,
het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante moet worden
aangemerkt als arbeidsgehandicapte als bedoeld in de Wet Rea zonder
toevoeging dat zij voor ten hoogste vier uur per dag in staat wordt
geacht om arbeid te verrichten.
In de thans aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het
besluit van 11 juni 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Aangevoerd
is dat het gedaagde niet vrijstaat haar de status van
arbeidsgehandicapte te verlenen zonder daarmee enig redelijk doel te
dienen. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij ten gevolge van
een chronisch vermoeidheidssyndroom niet beschikbaar is voor de
arbeidsmarkt, dat zij mitsdien niet kansrijk is bij het zoeken naar en
vinden van werk en dat de haar verleende status van arbeidsgehandicapte
haar herintreding in het arbeidsproces juist zal belemmeren zodra zij
hersteld zal zijn. Zij heeft zich beroepen op strijd met het
gelijkheidsbeginsel omdat, naar zij stelt, niet aan alle
bijstandsgerechtigden die op medische grond zijn ontheven van de in
artikel 113, eerste lid, van de Abw bedoelde arbeidsverplichtingen de
status van arbeidsgehandicapte wordt verleend. Tenslotte is aangevoerd
dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd aangezien dit is
gebaseerd op artikel 3 van de Wet Rea in plaats van op artikel 3, onder
b, van het Arbeidsgehandicaptebesluit en dat de rechtbank deze fout van
gedaagde niet had mogen corrigeren.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
De Raad overweegt het volgende.
Nu de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2003 gezag van gewijsde
heeft gekregen is in het onderhavige geding - slechts - de vraag aan de orde of gedaagde die uitspraak in het
besluit van 11 juni 2003 juist heeft uitgevoerd. De Raad dient daarbij
voorbij te gaan aan de vraag of de uitspraak van 6 maart 2003 op een
juiste uitleg van de artikelen 2 en 3 van het Besluit van 20 juli 1998,
Stb. 1998, 488, (het Arbeidsgehandicaptebesluit) berust. In die
uitspraak is daarover immers uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist
en tegen die uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend. De Raad
verwijst naar zijn uitspraak van 12 november 2003, gepubliceerd in LJN
AN9374.
De Raad stelt vast dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20
maart 2002 in de uitspraak van 6 maart 2003 gegrond heeft verklaard op
de grond dat gedaagde een onjuiste procedure heeft gevolgd bij de
vaststelling dat appellante moet worden aangemerkt als
arbeidsgehandicapte. Zij was van oordeel dat gedaagde die vaststelling
ten onrechte heeft gebaseerd op een medisch/arbeidskundig onderzoek door
Argonaut B.V. nu appellante tot de groep van personen behoort die op
medische gronden zijn ontheven van de in artikel 113, eerste lid, van de
Abw bedoelde sollicitatieplicht. Voorts was zij van oordeel dat gedaagde
miskend heeft dat er bij de vaststelling of een persoon moet worden
aangemerkt als arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 2 van de Wet Rea
geen ruimte is om te bepalen dat deze persoon slechts voor een beperkt
aantal uren in staat wordt geacht arbeid te verrichten.
De Raad is van oordeel dat gedaagde bij het besluit van 11 juni 2003
juist uitvoering heeft gegeven aan deze uitspraak van de rechtbank. Dat
in het besluit van 1 juni 2003 verwezen wordt naar de artikelen 2 en 3
van de Wet Rea in plaats van naar artikel 3, onder b, van het
Arbeidsgehandicaptebesluit merkt de Raad aan als een kennelijke misslag
bij het op schrift stellen van dit besluit. Appellante is daardoor niet
in haar belangen geschaad.
De grief van appellante dat geen redelijk doel wordt gediend met de
vaststelling dat zij moet worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte
treft geen doel aangezien het hier een vaststelling betreft die in het
systeem van de Wet Rea voorafgaat aan de beoordeling of aanspraak kan
worden gemaakt op inzet van de in de Wet Rea bedoelde instrumenten. Voor
de beoordeling of zulke aanspraken in de omstandigheden van het geval
bestaan is nog nadere - specifieke - besluitvorming vereist. Alsdan kan
de vraag aan de orde zijn of de inzet van die middelen noodzakelijk of
gewenst is. Noch de Wet Rea noch het Arbeidsgehandicaptebesluit biedt
aanknopingspunten voor het standpunt dat reeds bij de vaststelling van
de vraag of een persoon behoort tot de categorie arbeidsgehandicapten,
bedoeld in artikel 2 van de Wet Rea, beoordeeld moet worden of deze
vaststelling in de omstandigheden van het voorliggende geval zinvol is.
De grief van appellante dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is treft
evenmin doel, reeds omdat appellante op geen enkele manier aannemelijk
heeft gemaakt dat in de gemeente Nijmegen aan andere
bijstandsgerechtigden die op medische gronden zijn ontheven van de
arbeidsverplichtingen niet de status van arbeidsgehandicapte wordt
verleend.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij het
besluit van 11 juni 2003 in stand is gelaten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16
november 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever- van Leeuwen.
|
|