|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5929 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ooststellingwerf, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 30 september 2004, reg.nr. AWB 03/1313 REA.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft daarop bij brief van 23 februari 2005 gereageerd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 2
november 2005, waar partijen - met schriftelijke kennisgeving - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante ontving ten tijde van belang een uitkering op grond van de
Algemene bijstandswet (Abw). Zij stelt arbeidsongeschikt te zijn wegens
fibromyalgie. Gedaagde heeft Agens B.V. opdracht verleend om te
onderzoeken of appellante kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte
als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
Blijkens het verslag van het onderzoek van 28 augustus 2003 heeft
appellante op 14 april 2003 gesproken met een verzekeringsarts en een
arbeidsdeskundige. De bevindingen van het onderzoek zijn door een
werkadviseur van Agens B.V. op 19 mei 2003 met appellante besproken.
Appellante heeft daarbij aangegeven het niet eens te zijn met de inhoud
van de beoordeling. Voorts heeft zij aangegeven Agens B.V. niet te
willen machtigen om de uitkomst van de beoordeling aan gedaagde ter hand
te stellen. Bij brief van 16 april 2003 heeft appellante gedaagde
verzocht om haar binnen tien dagen een afschrift toe te zenden van
hetgeen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige hem ter hand
stellen. Bij brief van 23 mei 2003 heeft appellante aan gedaagde bericht
dat zij bereid is mee te werken aan een terugkeer naar de arbeidsmarkt,
maar dat zij hiervoor de gangbare weg wil bewandelen. Daarom wacht zij
de beschikking in het kader van de Wet Rea af. Bij brief van 28 juni
2003 heeft appellante aan gedaagde meegedeeld dat de termijn voor het
nemen van een beslissing is overschreden.
Appellante heeft bij brief van 18 juli 2003 beroep ingesteld tegen het
niet tijdig nemen van een besluit over haar beoordeling in het kader van
de Wet Rea. De rechtbank heeft dit beroep ter behandeling als bezwaar
doorgezonden naar gedaagde.
Bij besluit van 14 oktober 2003, verzonden op 16 oktober 2003, (besluit
1) heeft het gedaagde het bezwaar gegrond verklaard op de grond dat de
beslistermijn is overschreden. Gedaagde heeft het verzoek om vergoeding
van proceskosten afgewezen.
Bij separaat besluit van 14 oktober 2003, verzonden op 16 oktober 2003,
(besluit 2) heeft gedaagde bepaald dat appellante niet wordt ontheven
van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw bedoelde
arbeidsverplichtingen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat niet
kan worden vastgesteld of bij appellante objectiveerbare beperkingen
bestaan die haar inschakeling in de arbeid belemmeren. Reden hiervoor is
dat zij geen toestemming heeft gegeven om de resultaten van de Rea-beoordeling
aan gedaagde beschikbaar te stellen. Het beroep tegen besluit 2 heeft de
rechtbank bij uitspraak van 29 juni 2005, reg.nr. 04/564 Rea ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 in de aangevallen
uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat
gedaagde door middel van besluit 2 de door appellante verzochte
beschikking heeft gegeven, zodat appellante geen belang meer heeft bij
de vraag of laatstgenoemd besluit tijdig is genomen. Met betrekking tot
het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank overwogen dat
appellante op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade
heeft geleden. Over de proceskosten heeft zij overwogen dat de
opgevoerde posten, gezien de limitatieve opsomming in het Besluit
proceskosten bestuursrecht, niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij heeft
aangevoerd dat gedaagde is uitgegaan van een verkeerde datum door ervan
uit te gaan dat zij op 23 mei 2003 een beschikking over de status van
arbeidsgehandicapte heeft aangevraagd. Zij stelt zich op het standpunt
dat zij die aanvraag al op 14 april 2003, dan wel 8 april 2003, heeft
gedaan. Verder is aangevoerd dat zij nog altijd geen mogelijkheid heeft
gehad om bezwaar te maken tegen de Rea-beoordeling omdat besluit 2 geen
beschikking in het kader van de Wet Rea is. Zij meent recht te hebben op
vergoeding van proceskosten, te weten porto-, kopieer- en
telefoonkosten, kosten van schrijfwaren en naslagwerk, alsmede kosten
van het gebruik van internet, omdat gedaagde verwijtbaar heeft
gehandeld. De in het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde
kostenposten zijn naar haar mening niet limitatief bedoeld. Verder stelt
zij zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig
is omdat deze niet is ondertekend. Tenslotte heeft zij er bezwaar tegen
dat zij na de zitting van 20 juli 2004 bijna elf weken heeft moeten
wachten op een afschrift van de uitspraak.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij het in besluit 1 neergelegde standpunt.
Aangevoerd is dat appellante geen procesbelang heeft bij beoordeling van
het hoger beroep tegen besluit 1 nu besluit 2 genomen is. Over de
proceskosten is naar voren gebracht dat het niet tijdig beslissen niet
aan gedaagde kan worden verweten nu dit aan de handelwijze van
appellante moet worden toegeschreven en voorts dat de opgevoerde posten
onder het Besluit proceskostenbestuursrecht niet tot vergoeding kunnen
leiden.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 2, derde lid, van de Wet Rea, voor zover hier van belang,
bepaalt dat in die wet onder arbeidsgehandicapte tevens wordt verstaan
de persoon ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige
beoordeling is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een
belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid. Artikel
3, tweede lid, van de Wet Rea, voor zover hier van belang, houdt in dat
deze vaststelling voor een persoon die uitsluitend recht heeft op een
uitkering op grond van de Abw geschiedt door het gemeentebestuur van de
gemeente, waarin die persoon woonachtig is.
Artikel 107, eerste lid, van de Abw, voor zover hiervan belang, bepaalt
dat burgemeester en wethouders kunnen besluiten om de
arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw
niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk
ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel
aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om
redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.
De Raad is van oordeel dat in deze bepalingen besloten ligt dat een
besluit omtrent de vaststelling of een persoon al dan niet als
arbeidsgehandicapte moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 2,
derde lid, van de Wet Rea, gezien het eigen toetsingskader, niet op één
lijn kan worden gesteld met een besluit omtrent het al dan niet verlenen
van ontheffing, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van de Abw, van
de in artikel 113, eerste lid, van de Abw bedoelde verplichtingen.
Hieruit volgt dat, anders dan gedaagde en de rechtbank hebben
aangenomen, dat besluit 2 niet kan worden aangemerkt als het reële
besluit op de aanvraag van appellante om een beschikking te geven over
haar Rea-beoordeling. Dit betekent tevens dat de rechtbank het beroep
van appellante tegen de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet
tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens
ontbrekend procesbelang. Het belang van appellante was en is immers
hierin gelegen dat in weerwil van de gegrondverklaring van haar bezwaar
nog altijd geen besluit over de Rea-status van appellante is genomen.
De Raad is van oordeel dat artikel 7:11 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) meebrengt dat een bestuursorgaan er niet mee kan
volstaan het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit
gegrond te verklaren op de grond dat niet tijdig op de aanvraag is
beslist, maar dat tevens een besluit op de aanvraag genomen moet worden.
De Raad stelt verder vast dat de rechtbank het beroep eveneens
niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover dit gericht is tegen de
weigering van gedaagde om de proceskosten te vergoeden die appellante
stelt in verband met het bezwaar te hebben gemaakt. De Raad is van
oordeel dat het dictum van de aangevallen uitspraak in zoverre niet
strookt met de overwegingen van de rechtbank waarin de gestelde
aanspraak op vergoeding van proceskosten inhoudelijk is beoordeeld. Wat
die inhoudelijke overwegingen betreft heeft de rechtbank ten onrechte
overwogen dat de enkele wens om voor vergoeding van proceskosten in
aanmerking te komen onvoldoende aanleiding vormt om een inhoudelijke
behandeling van het beroep te kunnen rechtvaardigen. De Raad is van
oordeel dat zulk een inhoudelijke beoordeling wel gerechtvaardigd is
indien het beroep gericht is tegen de in een besluit op bezwaar genomen
beslissing om in de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten niet of niet
geheel te vergoeden.
Met betrekking tot de in verband met het bezwaar gemaakte proceskosten
overweegt de Raad dat de door appellante opgevoerde kosten niet voor
vergoeding in aanmerking komen nu het geen posten betreft die ingevolge
het Besluit proceskosten bestuursrecht voor toewijzing vatbaar zijn. De
grief van appellante dat de opsomming in artikel 1 van dit Besluit niet
limitatief bedoeld is wordt verworpen. De Raad verwijst naar zijn
uitspraak van 13 december 1996, gepubliceerd in JB 1997/48.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak wegens strijd
met de wet dient te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor besluit 1
voor zover het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit
daarin gegrond is verklaard zonder een reëel besluit te nemen. Gedaagde
zal een nieuw besluiten moeten nemen op het bezwaar van appellante met
inachtneming van deze uitspraak.
Gezien het vorenstaande behoeven de grieven appellante over de
ondertekening van de aangevallen uitspraak en de termijn waarbinnen deze
uitspraak is gedaan geen bespreking.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding nu van voor
vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond voor zover het betreft het
niet tijdig nemen van een besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te
nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond voor zover het de weigering van gedaagde
betreft om de proceskosten te vergoeden;
Bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf het in beroep en hoger beroep
betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,-- dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.
van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december
2005.
(get.) R.M. van Male.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|