|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4546 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Ingaande 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen in werking getreden. Ingevolge de invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van
bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
dit geding wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. van der Heijden, werkzaam bij SRK
Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 15 juli 2004, reg.nr. 03/966 REA, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2005, waarbij
appellante - met bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de voorafgaande procedures, de in dit geding
toepasselijke regelgeving en van belang zijnde feiten verwijst de Raad,
gelet op de inhoud van de gedingstukken naar de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft bij het in de aangevallen uitspraak weergegeven in
bezwaar genomen besluit van 29 juli 2003 vastgehouden aan zijn besluit
van 7 november 2001. Bij dit besluit heeft gedaagde aan appellante
meegedeeld dat het verzoek van appellante van 29 oktober 2001 om haar in
aanmerking te brengen voor een Schoevers-opleiding administratief of
grafische richting, op grond van artikel 22 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) is afgewezen, aangezien
appellante passend werk heeft geweigerd.
De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep tegen het besluit van 29 juli
2003 in haar uitspraak van 15 juli 2004 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en beslissingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht
en proceskosten. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank vervolgens termen
aanwezig geacht om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in
stand te laten. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen;
“Verweerder heeft derhalve terecht geconstateerd dat er geen
aanleiding is om eiseres in aanmerking te brengen voor een
scholingsvoorziening in het kader van de Wet Rea. In het besluit op
bezwaar heeft verweerder echter een onjuiste grondslag gehanteerd ten
aanzien van de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift, door vast te
stellen dat eiseres vanwege het weigeren van passende arbeid niet in
aanmerking komt voor een scholingsvoorziening als bedoeld in artikel 22
Wet Rea. Immers, volstaan had moeten worden met de conclusie dat eiseres
niet voldoet aan de voorwaarden voortvloeiende uit artikel 22 Wet Rea en
dat op grond van artikel 31 Wet Rea geen scholingsvoorziening kan worden
verstrekt”.
Appellante heeft zich in hoger beroep - in essentie op dezelfde als de
in eerste aanleg aangevoerde gronden - tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand zijn gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank stelt in de aangevallen uitspraak vast dat appellante ten
tijde van haar aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een
scholingsvoorziening twee dienstverbanden had, namelijk een
dienstverband van 10 uur per week bij [werkgeefster 1] en een
dienstverband van 2 uur per week bij [werkgeefster 2]. Zij verbond
hieraan de conclusie dat appellante ten tijde van haar aanvraag moest
worden aangemerkt als werknemer en dat zij mitsdien niet behoorde tot de
categorie arbeidsgehandicapten die in het kader van artikel 22 Wet Rea
in aanmerking kunnen komen voor een scholings- of opleidingsvoorziening.
Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vloeit voort dat op het bezwaar
dient te worden beslist met inachtneming van de feiten en omstandigheden
zoals die zijn ten tijde van de beslissing op bezwaar. De rechtbank is
ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat op dat tijdstip de
dienstverbanden met eerder genoemde werkgevers met ingang van
respectievelijk 1 september 2002 en 30 juni 2002 waren beëindigd. Gelet
hierop is de Raad van oordeel dat appellante vanaf de datum waarop haar
dienstverbanden waren beëindigd tot de doelgroep van artikel 22 van de
Wet Rea, te weten de arbeidsgehandicapte niet-werknemers, behoorde.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet Rea kan gedaagde aan de
arbeidsgehandicapte bedoeld in artikel 10 van die wet voorzieningen
toekennen die strekken tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid
of die de arbeidsgeschiktheid bevorderen. In het tweede lid van dit
artikel is bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid
in ieder geval worden verstaan:
a. scholing of opleiding;
b. (...).
De Raad merkt op dat in ’s Raads jurisprudentie, onder meer
gepubliceerd in USZ 2003/60, besloten ligt dat vergoeding van de kosten,
samenhangend met een opleiding, als voorziening in de zin van deze
bepaling in beginsel slechts aan de orde kan komen als daarvan met een
redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat daarmee een adequate
compensatie kan worden verkregen voor het door de handicap veroorzaakte
of dreigende verlies aan verdiencapaciteit.
In het licht van voormeld vereiste is de Raad van oordeel dat gedaagde
terecht heeft geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een
Schoevers-opleiding administratief of grafische richting. Uit de in het
dossier aanwezige medische en arbeidskundige stukken, waaronder de
rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Visser en de (bezwaar)
arbeidsdeskundigen Van der Molen en Westerman, welke mede in het kader
van een onderzoek naar de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per
einde wachttijd zijn opgesteld, leidt de Raad af dat appellante ondanks
haar astma bronchiale, drukurticaria en atopische allergie en de
hierdoor aanwezige beperkingen in staat werd geacht, om de in het kader
van de vaststelling van haar theoretische verdiencapaciteit geduide
functies alsmede passend schoonmaakwerk te verrichten. Met het
verrichten van de geduide functies of een passende schoonmaakfunctie
werd appellante in staat geacht een dusdanig inkomen te verwerven dat er
geen sprake is van een relevant verlies aan verdiencapaciteit. Tegen het
besluit van 9 juli 2001 waarbij aan appellante een uitkering ingevolge
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per einde wachttijd is
geweigerd, heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend zodat dit
besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet hierop en op het feit
dat namens appellante niet aannemelijk is gemaakt dat zij niet in staat
is aangepast schoonmaakwerk te verrichten, is de Raad van oordeel dat
gedaagde, mede gelet op eerder genoemde jurisprudentie, terecht
afwijzend op appellantes aanvraag van 29 oktober 2001 heeft beslist.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten en met verbetering van
gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male in tegenwoordigheid van C.H.T.W.
van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december
2005.
(get.) R.M. van Male.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|