|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/5335 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 18 augustus
2005, 05/444 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 20 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is door mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand
te Leusden, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006, waar voor
appellant is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv.
Betrokkene is verschenen bij zijn gemachtigde mr. De Groot, voornoemd,
en door R.J.S. Vos, werkzaam bij Compleet Financieel Advies.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende
bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad
volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het
hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Bij besluit van 4 juni 2004 heeft appellant betrokkene geen toestemming
verleend om met ingang van 1 juli 2004 eigenrisicodrager voor de WAO te
worden. Daarbij is aangegeven dat de vereiste garantieverklaring niet
binnen de bij schrijven van 12 maart 2004 gestelde termijn is ontvangen.
Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt, waarbij alsnog een
originele garantieverklaring is meegestuurd.
Bij besluit van 10 september 2004 zijn de bezwaren van betrokkene
ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag het standpunt van
appellant dat betrokkene heeft nagelaten binnen de termijn van 8 weken,
welke termijn is genoemd in een brief van 12 maart 2004 en een harde
termijn is, een garantieverklaring in te dienen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent
proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 10 september
2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van deze uitspraak
een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat hoewel
appellant in zijn bestreden besluit stelt dat er sprake is van een harde
termijn met betrekking tot het alsnog tijdig indienen van een
garantieverklaring, in de praktijk echter blijkt dat appellant in het
kader van een aanvraag om toelating tot het eigenrisicodragerschap WAO
wel afwijkt van deze harde termijn. De rechtbank heeft het bestreden
besluit vervolgens vernietigd aangezien het daarom naar haar oordeel
onvoldoende gemotiveerd is.
Appellant is het met deze overweging van de rechtbank niet eens en heeft
daartoe aangevoerd dat het Uwv in gevallen als onderhavige wel degelijk
consequent heeft gehandeld als het gaat om de termijnstelling voor de
indiening van een garantieverklaring in het kader van de aanvraag van
het eigenrisicodragerschap WAO. Appellante had een groot aantal
aanvragen voor het eigenrisicodragerschap per 1 juli 2004 ontvangen.
Voor werkgevers die kort na hun aanvraag per brief werden gewezen op het
ontbreken van een garantieverklaring, zoals in de onderhavige zaak, is
de termijn van 8 weken aangehouden, zoals die staat vermeld in het
Besluit eigenrisicodrager WAO. Omdat evenwel een groot aantal werkgevers
deze brief eerst op 18 mei 2004 had ontvangen was het voor deze groep
werkgevers niet mogelijk binnen een termijn van 8 weken vóór 1 juli
2004 een garantieverklaring in te dienen. Slechts deze groep werkgevers
- waaronder betrokkene niet valt te rangschikken - heeft tot 15 juni
2004 de tijd gekregen om de ontbrekende garantieverklaring in te dienen.
Van een inconsequent handelen door het Uwv is dan ook geen sprake. De
foute verzending van de garantieverklaring vanwege de door betrokkene
ingeschakelde Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij ligt in de
risicosfeer van betrokkene.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat betrokkene een
kleine werkgever is en zijn aanvraag tijdig, dat wil zeggen vóór 1
april 2004 heeft ingediend bij het Uwv. Evenmin is in geschil dat
betrokkene daarbij heeft verzuimd om de vereiste garantieverklaring over
te leggen. Op grond van de gedingstukken moet worden vastgesteld dat de
garantieverklaring door de Amersfoortse weliswaar tijdig is afgegeven,
maar de Amersfoortse heeft deze garantieverklaring aan de verkeerde
“tussenpersoon” gestuurd en de bedoelde verklaring is vervolgens
niet binnen de gestelde termijn, vóór 6 mei 2004 bij het Uwv
binnengekomen. Betrokkene heeft appellant eerst op 11 juni 2004 een
garantieverklaring doen toekomen. Appellant had echter reeds bij besluit
van 4 juni 2004 geoordeeld dat betrokkene met ingang van 1 juli 2004
geen eigenrisicodrager kan worden omdat de garantieverklaring ontbrak.
In hoger beroep zijn de partijen verdeeld over de vraag of appellant
terecht bij het bestreden besluit het primaire besluit van 4 juni 2004
heeft gehandhaafd, onder de overweging dat de termijn voor het indienen
van de garantieverklaring een harde termijn is.
De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank ontkennend en heeft
daartoe het volgende overwogen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 75, eerste lid, van de WAO verleent
het Uwv aan een werkgever op aanvraag toestemming om het risico van
betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen, indien
de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een
kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uwv verplicht, op
het eerste verzoek van het Uwv waarbij het Uwv schriftelijk meedeelt dat
de verplichtingen voortvloeiend uit het zelf dragen van het risico niet
worden nagekomen, die verplichting na te komen.
Ingevolge het zesde lid van artikel 75 van de WAO wordt de toestemming
verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar mits de
aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is
ingediend.
Bij het Besluit beperking eigen risico dragen WAO, laatstelijk gewijzigd
bij besluit van 12 november 2003, Stb. 2003,474, is ingevolge artikel 1,
eerste lid, de mogelijkheid om eigen risicodrager te worden beperkt tot
de zogenoemde grote werkgevers. In het tweede lid van artikel 1 is
evenwel bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aan kleine
werkgevers per 1 juli 2004 nog eenmalig toestemming kan worden verleend
als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WAO. In de bijlagen van
voornoemd besluit worden regels gegeven over de wijze waarop omgegaan
moet worden met onder meer de aanvraag en de garantieverklaring. Indien
bij een aanvraag geen garantieverklaring is overgelegd wordt de
werkgever alsnog in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen
binnen een termijn eindigend acht weken voor 1 januari respectievelijk 1
juli van enig jaar. Indien de werkgever niet voor de afloop van de
gestelde termijn de garantieverklaring overlegt behoeft het Uwv de
aanvraag niet te behandelen als een aanvraag die dertien weken voor de
beoogde datum is ingediend. Strikte toepassing van deze termijn is
gelegen - aldus appellant - in de uitvoeringspraktijk. Nadien
ingediende garantieverklaringen kunnen door de vele aanvragen niet meer
administratief worden verwerkt.
De Raad moet echter constateren dat appellant een andere groep
werkgevers nog wel de tijd heeft gegeven om tot half juni 2004 een
garantieverklaring te overleggen. Weliswaar is dit ingegeven door aan de
kant van appellant gelegen administratieve redenen, waardoor door
toedoen van het Uwv de herstelbrieven te laat waren verzonden, maar dat
neemt niet weg dat appellant deze verklaringen alsnog heeft geaccepteerd
kort voor 1 juli 2004 en deze verklaringen kennelijk ook nog administratief kon
verwerken.
In deze situatie kan, mede gelet op de miscommunicatie tussen betrokkene
en zijn tussenpersoon en mede gelet op het feit dat hier sprake was van
een eenmalige aanvraag voor een kleine werkgever, betrokkene niet worden
tegengeworpen dat de garantieverklaring later dan 8 weken maar in ieder
geval op 16 juni 2004 bij appellante is binnengekomen.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant op grond van artikel
8:75 van de Awb - met inachtneming van het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht - te veroordelen in de proceskosten van
betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- in verband met
verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,-- , te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv een recht van € 422,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van
der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 20 juli 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|