|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4954 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juli 2005, 04/1097
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 20 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Krikke,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Betrokkene heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 21 januari 2004 heeft appellant de voor betrokkene voor
2004 geldende gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vastgesteld op 4,21%. Bij
besluit van 25 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het bezwaar van betrokkene deels gegrond verklaard en het
premiepercentage vastgesteld op 4,12%. Bij de aangevallen uitspraak
heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het
bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant het betaalde
griffierecht aan betrokkene vergoedt.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de
rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet inzichtelijk
heeft gemaakt dat de werkneemster [V.] ten tijde van het ontstaan van
haar arbeidsongeschiktheid in dienst van betrokkene was. Appellant stelt
dat de arbeidsongeschiktheidslasten van [V.] terecht bij de vaststelling
van de voor betrokkene geldende gedifferentieerde WAO-premie 2004 zijn
betrokken.
Voorts heeft appellant zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat
de rechtbank ten onrechte aan de omstandigheid dat [de besloten
vennootschap] (hierna: [de besloten vennootschap]) niet is opgehouden te
bestaan de conclusie heeft verbonden dat appellant ten onrechte de
WAO-lasten van [rechtsvoorganger van betrokkene] (hierna:
[rechtsvoorganger van betrokkene]) heeft toegerekend aan betrokkene.
De Raad overweegt met betrekking tot [V.] als volgt.
Uit de gedingstukken blijkt dat [V.] van 8 september 1997 tot 2 november
1997 in dienst van betrokkene is geweest. Eén van de gedingstukken
vermeldt immers bij [V.] het aansluitnummer van betrokkene. De Raad gaat
uit van de juistheid van deze gegevens, nu betrokkene geen stukken heeft
geproduceerd die een andere conclusie rechtvaardigen. Aangezien voorts
niet wordt betwist dat [V.] op 6 oktober 1997 arbeidsongeschikt is
geworden, heeft appellant terecht de aan [V.] in 2002 betaalde
WAO-uitkering bij de vaststelling van de voor betrokkene geldende
gedifferentieerde premie 2004 betrokken.
De Raad overweegt met betrekking tot de WAO-lasten van [rechtsvoorganger
van betrokkene] als volgt.
Tussen partijen is niet in geding dat de werknemers [werknemer 1],
[werknemer 2] en [werknemer 3] arbeidsongeschikt zijn geworden ten tijde
van hun dienstverband met [rechtsvoorganger van betrokkene]. Aangezien
uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene de rechtsopvolger van
[rechtsvoorganger van betrokkene] is, komen de desbetreffende
arbeidsongeschiktheidslasten op grond van artikel 5 van het Besluit
premiedifferentiatie WAO in beginsel voor haar rekening. De stelling van
betrokkene, dat niet zij doch [de besloten vennootschap] als
rechtsopvolger van [rechtsvoorganger van betrokkene] moet worden
aangemerkt, kan niet als juist worden aanvaard, omdat uit de
gedingstukken blijkt dat [de besloten vennootschap] op 31 december 1998 geen werknemers in dienst had en de aansluiting van [de
besloten vennootschap] als werkgever op die datum is beëindigd. Dat [de
besloten vennootschap] een nog bestaande rechtspersoon is, doet daar
niet aan af. Appellant wijst er terecht op dat in het kader van de
vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie van belang is dat
betrokkene als opvolgend werkgever van de desbetreffende werknemers van
[rechtsvoorganger van betrokkene] heeft te gelden. Naar het oordeel van
de Raad heeft betrokkene geen argumenten aangevoerd welke doen twijfelen
aan de juistheid van dit door appellant gehanteerde uitgangspunt. Het
hoger beroep slaagt dan ook tevens op dit onderdeel.
Gezien het voorgaande zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen
uitspraak - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 20 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|