|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2653 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 30 maart 2004, 03/1251
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij
ARAG-Nederland te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2006. Appellante
noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. J.F.J.A. Jennekens.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 februari 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld
dat de aan haar verstrekte uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, per 4 april 2003 wordt herzien en
nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
Bij besluit van 27 augustus 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar
van appellante tegen het besluit van 28 februari 2003 ongegrond
verklaard.
Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij
de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante verwezen naar hetgeen zij in bezwaar en
beroep heeft aangevoerd.
De ter beantwoording voorliggende vraag is of bij de aangevallen
uitspraak terecht is beslist tot instandlating van het bestreden
besluit.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, onder overneming van de door
de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden. In hetgeen
namens appellante in hoger beroep is aangevoerd - in essentie een
herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht en door de
rechtbank op goede gronden is verworpen - heeft de Raad geen aanleiding
gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
Voor wat betreft de stelling van appellante dat het Claimbeoordelings-
en Borgingssysteem (CBBS) niet gebruikt mag worden omdat het een lagere
arbeidsongeschiktheidsklasse oplevert dan een schatting waarbij gebruik
gemaakt is van het Functie Informatie Systeem (FIS), overweegt de Raad
dat iedere keuring op zichzelf staat, zodat het altijd mogelijk is dat
er bij een herbeoordeling sprake is van een hogere, lagere of zelfde
mate van arbeidsongeschiktheid. Dit staat los van het gebruikte systeem.
De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv voldoende inzichtelijk heeft
gemaakt dat appellante de functies telefonist/receptionist, productiemedewerker industrie en samensteller metaalwaren kan vervullen.
Gelet op het bovenstaande kan het hoger beroep niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H.
Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op
28 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
|
|