|
Uitspraak
96/9851
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 14 maart 1996 heeft gedaagde aan appellant mededeling
gedaan van het besluit tot afwijzing van diens aanvraag, ertoe
strekkende om hem ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en
de op die wet gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten Meppel
1996 (nader te noemen de Verordening) in aanmerking te brengen voor
vergoeding van kosten van aanpassing van de door hem gehuurde woning.
Gedaagde heeft de bezwaren van appellant tegen dat besluit bij het
bestreden besluit van 18 juni 1996 ongegrond verklaard.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij
uitspraak van 13 augustus 1996 (de aangevallen uitspraak) een terzake
van het bestreden besluit gedaan verzoek om een voorlopige voorziening
afgewezen en, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is betrokkene, wat betreft de ongegrondverklaring van
zijn beroep, op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 21 februari 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober
1997, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. de
Leest, advocaat te Utrecht, als zijn raadsman, terwijl gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door T. Nienhuis, werkzaam bij de gemeente
Meppel, alsmede drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Namens gedaagde heeft drs. Peters voornoemd in een schrijven, met
bijlagen, van 21 februari 1998 vervolgens een aantal door de fungerend
president van de Raad gestelde vragen beantwoord.
Bij brief van 23 maart 1998 is zijdens appellant op voormeld schrijven
gereageerd, waarna vanwege gedaagde onder dagtekening 20 april 1998
commentaar op die brief is gegeven.
Partijen hebben bij brieven van 19 en 27 mei 1998 toestemming gegeven
nadere behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te
laten.
II. MOTIVERING
Op 3 januari 1996 heeft appellant gedaagde verzocht hem in aanmerking te
brengen voor vergoeding van de kosten van aanpassing van de door hem
gehuurde woning, omdat hij door verminderde mobiliteit niet meer
zelfstandig de bovenverdieping zou kunnen bereiken. Onder dagtekening 31 januari 1996 is door een arts van de Gemeenschappelijke
Gezondheidsdienst Zuidwest-Drenthe (GGD) een advies uitgebracht, waarin
wordt geconcludeerd dat er een indicatie bestaat voor een
woningaanpassing in de vorm van een traplift, verhoogd toilet en een
opklapbaar douchezitje.
Bij besluit van 14 maart 1996 is appellants aanvraag om vergoeding van
de kosten van woningaanpassing afgewezen maar is aan hem wel een
tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten van f 5.000,--
toegekend, welke betaalbaar wordt gesteld zodra een woning is
toegewezen. Daartoe is overwogen dat in de Verordening het primaat bij
verhuizing is gelegd. Gedaagde acht de door appellant bewoonde woning,
gelet op het GGD-advies, niet voor hem geschikt, terwijl er in dezelfde
straat een gelijkwaardige woning tegen een huurprijs van f 784,-- per
maand vrijkomt met een slaapkamer en badkamer op de begane grond, welke
woning voldoet aan de eisen van het medisch advies en waarbij bovendien
de mogelijkheid van handhaving van de bestaande mantelzorg en sociale
contacten in de directe woonomgeving aanwezig is.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door gedaagde bij het
bestreden besluit ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak is in hoofdzaak overwogen dat gedaagde in
casu terecht een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en
herinrichting heeft beschouwd als een goedkopere adequate voorziening
dan het vergoeden van de kosten van aanpassing van appellants woning,
zodat aan het in de Verordening neergelegde verhuisprimaat een juiste
toepassing is gegeven. Bij die uitspraak is daarom het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep is van de kant van appellant aangevoerd dat het
gemeentebestuur weliswaar in het algemeen mag volstaan met toekenning
van de goedkoopste adequate voorziening, doch in casu in onvoldoende
mate de belangen van appellant heeft afgewogen tegen het belang van de
gemeente. Hij heeft in dat verband onder meer betoogd dat het verschil
tussen de kosten van woningaanpassing enerzijds en een
verhuiskostenvergoeding anderzijds voor de gemeente slechts marginaal
is. Voorts heeft appellant benadrukt dat verhuizing naar de door
gedaagde bedoelde woning voor hem tot gevolg zou hebben dat hij
maandelijks f 120,-- meer aan huur moet gaan betalen, waar in dit geval
- in verband met de hoogte van appellants inkomen - geen recht op
huursubsidie tegenover staat.
Na heropening van het onderzoek na de zitting van de Raad op 10 oktober
1997 is vanwege gedaagde bij de onder I vermelde brief van 21 februari
1998 uiteengezet - samengevat - dat in zijn visie van het primaat van de
verhuizing afgeweken zou moeten worden indien de huurlastenstijging als
gevolg van een verhuizing niet blijft binnen de voor betrokkene
ingevolge de Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen
bijdragen Wvg (nader te noemen de Regeling) geldende draagkracht, zij
het dat naar gedaagdes opvatting bij de toetsing aan de draagkracht een
redelijk deel van de woonlastenstijging buiten beschouwing kan worden
gelaten indien er na de verhuizing sprake is van verhoging van het
woongenot in vergelijking met de verlaten woning en bovendien de hoogte
van de nieuwe huur gezien het inkomen als algemeen gebruikelijk is te
beschouwen.
Van gedaagdes kant is in verband daarmee berekend dat, uitgaande van de
Regeling zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, de
draagkracht van appellant f 570,-- op jaarbasis bedroeg, zodat deze door een huurverhoging van f
120,-- per maand (hetgeen overeenkomt met f 1.440,-- per jaar) met een
bedrag van f 870,-- zou worden overschreden. Desondanks stelt gedaagde
bij laatstvermelde brief dat hij geen reden aanwezig acht om af te
wijken van het primaat van de verhuizing, nu de woning waarheen
appellant had kunnen verhuizen, groter was dan het door hem bewoonde
huis, en appellant voorts, gelet op zijn inkomen in relatie tot de
geldende huursubsidietabellen (waar hij juist buiten viel), een huur van
ten minste f 1.007,50 per maand zou moeten kunnen betalen.
Hetgeen appellant in zijn reactie op de zojuist weergegeven
uiteenzetting van gedaagde naar voren heeft gebracht, houdt voornamelijk
in dat hij de door gedaagde geschetste redenen om in zijn geval voorbij
te gaan aan de geconstateerde draagkrachtoverschrijding onvoldoende
zwaarwegend acht. Zulks allereerst vanwege de omstandigheid dat
appellant, mede gelet op zijn gezinssituatie, in het geheel geen
behoefte heeft aan een woning die groter is dan zijn huidige, zodat er
voor hem geen sprake is van een relevant hoger woongenot. Voorts is
zijnerzijds gesteld dat hij diverse andere medische uitgaven heeft die
op zijn draagkracht in mindering zouden moeten worden gebracht.
De Raad overweegt als volgt.
Het gemeentebestuur van Meppel heeft ten aanzien van woonvoorzieningen
in artikel 6 van de Verordening het primaat van de verhuizing
vastgelegd, hetgeen blijkens het tweede lid van die bepaling betekent
dat een gehandicapte in beginsel slechts voor een vergoeding van de
kosten van woningaanpassing in aanmerking komt, indien een voorziening
in de vorm van een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten
niet te realiseren is of niet de goedkoopst adequate oplossing is. In
het derde lid van artikel 6 van de Verordening is bepaald dat van het
tweede lid kan worden afgeweken indien er sprake is van buiten de
persoon gelegen ingrijpende maatschappelijke omstandigheden.
Uit het stelsel van artikel 6 van de Verordening vloeit voort dat een
vergoeding voor noodzakelijke woningaanpassingen die hoger zou zijn dan
de voor de gemeente aan een mogelijke verhuizing verbonden kosten -
welke
in casu het forfaitaire bedrag van f 5.000,-- belopen -, slechts mogelijk
is, als zich belangen aan de zijde van de betrokken gehandicapte tegen
verhuizing verzetten welke dusdanig zwaar wegen dat deze meebrengen dat
verhuizing niet als adequate oplossing is te beschouwen dan wel sprake
is van omstandigheden als aangegeven in het derde lid van die bepaling.
De Raad acht het aldus in de Verordening vormgegeven primaat van de
verhuizing als zodanig niet in strijd met de uit de artikelen 2 en 3 van
de Wvg voortvloeiende zorgplicht om verantwoorde woonvoorzieningen voor
gehandicapten aan te bieden, reeds omdat in het stelsel van de
Verordening de randvoorwaarde is opgenomen dat er steeds een voor de
betrokken gehandicapte adequaat te achten oplossing van diens
woonproblematiek tot stand komt.
Nu de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van woningaanpassing
in casu minimaal f 13.000,-- zouden bedragen, hetgeen bepaald meer dan
een marginaal verschil met de kosten van een tegemoetkoming in
verhuiskosten oplevert, stelt de Raad vervolgens vast dat de gevraagde
vergoeding van die woningaanpassing zeker niet de goedkoopste
voorziening is.
De Raad is voorts niet gebleken van belangen van medische aard die zich
verzetten tegen verhuizing naar de aangeboden woning. De van appellants
kant in dit verband aangevoerde belangen van praktische en sociale aard
kan de Raad niet als zwaarwegend aanmerken, waar het gaat om verhuizing
naar een ongeveer 150 meter verderop in dezelfde straat gelegen woning.
Onder respectering van de aanvaardbaarheid van het verhuisprimaat als
zodanig en onder erkenning van het belang van gedaagde bij handhaving
daarvan, acht de Raad evenwel de omstandigheid dat door verhuizing naar
de bedoelde woning appellants huurlasten met f 1.440,-- per jaar zouden
stijgen, in het onderhavige geval dusdanig zwaarwegend dat deze dient te
leiden tot het maken van een uitzondering op dat primaat als
vorenomschreven.
De Raad merkt in dit verband allereerst op dat de betekenis van deze
lastenstijging voor appellant nog wordt geaccentueerd enerzijds door de
reële kans dat hij naast de voormelde stijging van zijn woonlasten
geconfronteerd wordt met kosten van verhuizing en herinrichting welke
aanmerkelijk hoger zijn dat de forfaitaire tegemoetkoming van f 5.000,--
en anderzijds door de constatering dat, indien appellants aanvraag om
vergoeding van de kosten van woningaanpassing zou zijn gehonoreerd,
zulks in het stelsel van de gemeente Meppel voor hem tot geen enkele
stijging van woonlasten of tot andere kosten zou hebben geleid.
Doorslaggevend acht de Raad dat, indien voormelde woonlastenstijging in
haar geheel wordt onderworpen aan toetsing aan de draagkrachtnormen van
de Regeling, het er op basis van de door gedaagde uitgevoerde berekening
voor moet worden gehouden dat die extra kosten -nog daargelaten of er
andere kosten als gevolg van de handicap in aanmerking genomen zouden
moeten worden- de ten tijde van het bestreden besluit geldende
draagkracht van appellant met f 870,-- per jaar overschrijden.
De Raad is van oordeel dat gedaagdes betoog, erop neerkomende dat de
door de verhuizing voor appellant optredende huurlastenstijging bij de
draagkrachttoetsing niet (geheel) in aanmerking moet worden genomen in
verband met een gestelde toename van appellants woongenot, niet tot het
door gedaagde beoogde resultaat kan leiden. Mede gelet op de
geschiedenis van totstandkoming van en de toelichting bij de Regeling
zou de Raad onder omstandigheden slechts dan ruimte voor de door
gedaagde gewenste conclusie zien, in geval er voor de betrokkene
onmiskenbaar sprake zou zijn van een daadwerkelijke substantiële
verhoging van het woongenot. De Raad is echter van oordeel dat zich een
dergelijk geval in casu niet voordoet. Uit de voorhanden zijnde gegevens
komt namelijk naar voren dat - naar ter zitting ook zijdens gedaagde is
betoogd - de nieuwe woning, behoudens de aanpassing aan de handicap, van
nagenoeg gelijke omvang en indeling is als de oude woning.
De Raad komt op basis van het vorenoverwogene tot de slotsom dat het
bestreden besluit de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Gedaagde
zal een nieuw besluit op bezwaar hebben te nemen met inachtneming van
het in deze uitspraak overwogene. De aangevallen uitspraak komt derhalve
eveneens voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.775,--
in hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten
zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagdes gemeente dient te worden
vergoed.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.775,--, te betalen door de gemeente Meppel;
Verstaat dat de gemeente Meppel aan appellant het gestorte recht van in
totaal f 200,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 18 augustus 1998.
(get.) M.I.
't Hooft.
(get.) M. Nieuwenhuis.
|
|