|
Uitspraak
03/4065 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Regionale Organisatie Gehandicapten voorzieningen Nieuwe Waterweg
Noord, gevestigd te Maassluis, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Rotterdam van 30 juni 2003, reg.nr. WVG 02/2490-HRK.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden. Gedaagde heeft
desgevraagd tevens nadere stukken ingezonden.
Namens appellante zijn op 26 augustus 2005 nadere stukken ingezonden.
Het beroep is behandeld op de zitting van 7 september 2005. Appellante
heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Van Es. Voor gedaagde
zijn daar verschenen mr. I. de Vries-Kromhout en M.E.C. Ouwerkerk-Clerkx,
beiden werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Appellante, die destijds woonachtig was in de gemeente Schiedam, is op
22 november 2000 geïndiceerd voor een aanleunwoning in de gemeente
’s-Gravenhage. Op 23 februari 2001 is zij naar zulk een woning
verhuisd. Zij heeft zich op 24 januari 2001 laten uitschrijven uit de
Gemeentelijke Basis Administratie van Schiedam. Op 12 februari 2001
heeft zij bij gedaagde op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) een verhuiskostenvergoeding
aangevraagd.
Gedaagde heeft de gevraagde voorziening bij besluit van 3 april 2001
geweigerd op de grond dat appellante was verhuisd voordat op de aanvraag
was beslist. Volgens gedaagde stond artikel 2.16 van het Besluit
verstrekkingen woon- en vervoersvoorzieningen gehandicapten Nieuwe
Waterweg Noord daaraan in de weg.
Gedaagde heeft het bezwaar tegen dat besluit in zijn besluit van 31
oktober 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen het besluit van 31 oktober
2001 in haar uitspraak van 31 mei 2002 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en gedaagde opgedragen op het bezwaar van appellante een
nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Vervolgens heeft gedaagde dat bezwaar in zijn besluit van 5 augustus
2002 opnieuw ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten
grondslag dat uit een op 3 juli 2002 gedateerd advies van de GGD Nieuwe
Waterweg Noord blijkt dat de door appellante verlaten woning in Schiedam
voor haar medisch adequaat was. Het betrof een seniorenwoning met lift,
waarin hulpmiddelen als een verhoogd toilet met steun aanwezig waren.
Aangezien appellante naar de mening van gedaagde geen belemmeringen
ondervond in het normale gebruik van de woning was er volgens gedaagde
geen indicatie voor een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
herinrichtingskosten.
Het beroep van appellante tegen dat besluit is door de rechtbank in de
thans aangevallen uitspraak van 30 juni 2003 gegrond verklaard. De
rechtbank heeft het besluit van
5 augustus 2002 vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand blijven. De gegrondverklaring van het
beroep berust op de overweging dat gedaagde het bestreden besluit,
gezien het daarin bepaalde overgangsrecht, ten onrechte heeft gebaseerd
op de op 1 januari 2002 in werking getreden Verordening voorzieningen
gehandicapten Nieuwe Waterweg Noord 2002. De rechtbank heeft de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten op de grond
dat uit de advisering van de GGD Nieuwe Waterweg Noord blijkt dat bij
appellante geen sprake is van beperkingen bij het normale gebruik van de
woning. Daarbij heeft zij laten wegen dat de argumenten van appellante
met betrekking tot de indicatieverlening voor een aanleunwoning
voldoende weerlegd moeten worden geacht door de omstandigheid dat het
daarbij om een ander toetsingskader gaat dan bij de toepassing van de
Wvg. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante de door haar
gestelde onzorgvuldigheid van de advisering door de GGD onvoldoende
heeft onderbouwd met medische gegevens. Verder heeft de rechtbank
overwogen dat wordt voorbijgegaan aan het standpunt van appellante dat
zij geen gebruik kan maken van de lift aangezien zij deze grond niet in
bezwaar naar voren heeft gebracht en dit aspect in het bestreden besluit
evenmin ambtshalve aan de orde is gesteld.
Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover
daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn
gelaten. Aangevoerd is dat uit de indicatiestelling voor een
aanleunwoning moet worden afgeleid dat de verlaten woning voor
appellante niet adequaat was. Appellante was ernstig urgent op grond van
geestelijke, emotionele en/of lichamelijke belasting. Het onderzoek van
de GGD Nieuwe Waterweg Noord is naar haar mening onzorgvuldig geweest
door geen lichamelijk onderzoek te verrichten. Van de door de huisarts
verstrekte inlichtingen is geen kopie ingezonden. Appellante kon van de
lift geen gebruik maken omdat deze ernstig was vervuild en
gefrequenteerd werd door alcoholverslaafden.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de rechtbank
terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand blijven. Hij beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank,
bevestigend. Met de daarop betrekking hebbende overwegingen van de
rechtbank kan de Raad zich in grote lijnen verenigen. De in hoger beroep
ingezonden verklaringen van de huisarts d.d. 10 augustus 2005 en de
huismeester d.d. 23 augustus 2005 leiden niet tot een ander oordeel. Uit
de verklaring van de huisarts kan niet worden afgeleid dat appellante
naar objectief medische maatstaf belemmeringen ondervond bij het normale
gebruik van de woning in Schiedam. De verklaring van de huismeester
bevestigt weliswaar dat sprake was van ernstige overlast in de lift,
maar deze overlast kan niet worden aangemerkt als bouwkundig of
woontechnisch kenmerk van de woning in Schiedam. De Raad verwijst naar
zijn uitspraak van 4 februari 2004, LJN AO3543, gepubliceerd in USZ
2004/91, in welke uitspraak overwogen is dat van beperkingen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg alleen dan sprake
is, indien een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen
van de gehandicapte en een of meer bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, met dien
verstande dat die beperkingen in de woning zelf (waaronder ook de
toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) moeten worden
ondervonden.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd
voor zover aangevochten.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
september 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|