|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5450 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK
Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Haarlem van 23 september 2003, reg.nr. Awb 03 - 593.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Meijhuis heeft bij brief van 14 juni 2005 een nader stuk ingezonden.
Gedaagde heeft desgevraagd de Raad een stuk doen toekomen en voorts bij
brief van 20 juli 2005 gereageerd op de brief van appellante van 14 juni
2005.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 september 2005. Appellante is
in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Meijhuis. Gedaagde heeft zich
laten vertegenwoordigen door M. Wigchert, werkzaam bij de gemeente
Velsen.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten, de toepasselijke regelgeving en de standpunten van partijen in
eerste aanleg, verwijst de Raad, mede gelet op de inhoud van de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met
het volgende.
Appellante heeft een aangeboren spierziekte waardoor zij
rolstoelgebonden is. Aan appellante is in het kader van de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) een elektrische rolstoel toegekend.
Op 10 juni 2001 heeft appellante bij gedaagde een verzoek om een
vervoersvoorziening in het kader van de Wvg in de vorm van verstrekking
van een bruikleenauto ingediend in verband met de ouderdom van de haar
destijds in 1993 ingevolge artikel 57 (oud) van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) door de bedrijfsvereniging toegekende
bruikleenauto. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de arts A.
Krijger van Argonaut B.V. op 2 september 2001 desgevraagd aan gedaagde
een medisch advies uitgebracht. Blijkens dit advies kan appellante
gebruik maken van het collectief vervoer, mits zij per rolstoel wordt
vervoerd en zij haar ADL-hond kan meenemen. Vervolgens heeft gedaagde
bij besluit van 11 juni 2002 het verzoek van appellante om een
bruikleenauto afgewezen.
Naar aanleiding van het tegen het besluit van 11 juni 2002 gemaakte
bezwaar heeft de arts A.D. Blankert van Argonaut B.V. op 13 februari
2003 desgevraagd een medisch advies uitgebracht aan gedaagde. Blijkens
dit advies kan appellante met haar huidige elektrische rolstoel niet
vervoerd worden in een rolstoeltaxi. Indien appellante van het
collectieve vervoer gebruik zal moeten maken heeft zij een andere
elektrische rolstoel nodig waarbij rekening wordt gehouden met de eis
dat zij is aangewezen op vervoer per rolstoeltaxi/bus. Voorts is
gerapporteerd dat appellante dankzij haar bruikleenauto in staat is
geweest om een leven op te bouwen met sociale contacten en bezigheden
buiten de regio en dat het wegvallen van die auto tot verschraling van
haar sociale leven zal leiden. Hierop heeft gedaagde bij besluit van 28
maart 2003 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard op de grond
dat appellante van het collectief vervoer gebruik kan maken. Bij dat
vervoer kan de ADL-hond mee. Voorts is appellante een andere rolstoel
toegekend die geschikt is voor het reizen met het collectief vervoer.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 28 maart 2003 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de
rechtbank is de aangepaste rolstoel in combinatie met het collectief
vervoer voor appellante een adequate vervoersvoorziening, waarmee
appellante in aanvaardbare mate deel kan nemen aan het leven van
alledag.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel gekeerd. Hiertoe
is onder meer aangevoerd dat appellante zich ondanks haar handicap een
plaats heeft weten te verwerven in de maatschappij door zich te
ontwikkelen als mond- en voetschilderes, dat zij meerdere malen per week
buiten de regio onderweg is in verband met lezingen, demonstraties en
exposities en voorts dat zij actief is binnen de Vereniging voor
Spierziekten Nederland (VSN), waarvoor zij regelmatig medegehandicapten
bezoekt. Het merendeel van deze contacten ligt buiten de regio. Zonder
al deze contacten verwacht appellante in een sociaal isolement te
geraken. Weigering van de gevraagde voorziening leidt volgens appellante
tot inperking van haar zelfstandigheid en tot bestaansverschraling.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg
draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten
behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de
gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg
dienen deze voorzieningen verantwoord - dat wil zeggen: doeltreffend,
doelmatig en cliëntgericht - te zijn. Deze bepalingen brengen - naar ’s Raads vaste jurisprudentie - mee dat aan de ter plaatse wonende
gehandicapten, die daarop aangewezen zijn, een zodanige
vervoersvoorziening moet worden aangeboden dat zij in hun naaste woon-
en leefomgeving in staat worden gesteld om in aanvaardbare mate sociale
contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.
Daarin ligt besloten dat in dit verband aan de aanwezigheid van voor de
betrokkene belangrijke bovenregionale contacten of activiteiten op
zichzelf geen beslissende betekenis toekomt. Dit is slechts anders
indien door de betrokkene wordt aangetoond of anderszins duidelijk komt
vast te staan dat hij, zonder de mogelijkheid om zich buiten de directe
woonomgeving te verplaatsen, in een sociaal isolement geraakt.
De Raad stelt allereerst vast dat uit de gedingstukken niet is gebleken
van medische beperkingen die ertoe leiden dat appellante, beschouwd naar
objectief medische maatstaf als voor de toepassing van de Wvg vereist,
niet in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer in
combinatie met een daartoe voor haar geselecteerde en aangepaste
rolstoel. Voor de stelling van appellante dat zij ondanks door haar
ervaren pijnklachten wel in een eigen (aangepaste) auto kan rijden maar
vanwege diezelfde klachten niet met het collectief vervoer mee kan heeft
de Raad, gelet op de in andere richting wijzende bevindingen van de
betrokken geneeskundigen van Argonaut B.V., in samenhang met de in de
brief van 20 juli 2005 vermelde informatie van de zijde van de
behandelende revalidatiearts, in het onderhavige geval geen
aanknopingspunten gevonden.
De Raad is voorts niet gebleken dat appellante met de haar door gedaagde
toegekende, tot vervoer in de regio beperkte, vervoersvoorzieningen in
een sociaal isolement zal geraken. Hiertoe overweegt de Raad dat
appellante blijkens de rapportage van Argonaut van 2 september 2001
onder meer tweemaal in de week in IJmuiden en in Haarlem zwemt en dat
zij lid is van een zangvereniging. Voorts heeft appellante familie in
Haarlem. Aangezien het collectief vervoer vanaf de woning van appellante
vijf openbaar vervoer-zones bestrijkt betekent dit dat appellante met de
toegekende vervoersvoorzieningen in staat is om haar familie in Haarlem
te bezoeken, om te zwemmen in IJmuiden en Haarlem en om binnen de regio
deel te te nemen aan de activiteiten van haar zangvereniging.
Voorts kan appellante met de aan haar toegekende combinatie van
vervoersvoorzieningen binnen de regio haar activiteiten als schilderes
onverkort voortzetten en actief zijn in - onder meer - de VSN.
Mede gelet op de thans aanwezige medische adviezen voegt de Raad - in
dit geding ten overvloede - aan het voorgaande toe dat het niet
uitgesloten is te achten dat appellante buiten de regio gebruik kan
maken van de bestaande landelijke vervoersvoorzieningen voor
gehandicapten.
Voorts merkt de Raad op dat het wegvallen van de bruikleenauto -
uiteraard - kan leiden tot een zekere mate van bestaansverschraling. Dat
is echter in het kader van de Wvg niet het criterium. Bij de toepassing
van die wet ligt (slechts) ter beoordeling voor of met de toegekende
vervoersvoorzieningen in aanvaardbare mate kan worden deelgenomen aan
het leven van alledag in de directe woonomgeving alsmede of sprake is
van een (dreigend) sociaal isolement op grond waarvan de zorgplicht zich
ook uitstrekt tot het toekennen van een bovenregionale
vervoersvoorziening. Tenslotte staat het de rechter in het kader van de
Wvg, anders dan destijds ingevolge artikel 57 (oud) van de AAW mogelijk
was, niet vrij te treden in de beoordeling of de afwijzing van de
gevraagde voorziening in overeenstemming is met de redelijkheid.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) L. Jörg.
|
|