|
Uitspraak
03/3401 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van l januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23
juni 2003, nr. AWB 02/1937 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 februari 2005. Appellant
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman, werkzaam
bij het Uwv. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.
Molleman, advocaat te Hilversum.
II. MOTIVERING
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de
hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen,
zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Gedaagde en haar echtgenoot waren sedert l januari 1992 op basis
van een arbeidsovereenkomst van 36 uur per week werkzaam bij Wasserij De
Lelie BV (De Lelie). Aanvangstijdstip van hun werkzaamheden was 8.15
uur. In verband met verslechterende bedrijfseconomische omstandigheden
zijn gedaagde en haar echtgenoot per l september 2001 ontslagen na
daartoe verkregen toestemming van de regionaal directeur voor de
arbeidsvoorziening. Begin januari 2001 zijn gedaagde en haar echtgenoot
door Wasserij Best en op 29 juni 2001 door de Lamme Groep BV, eveneens
een wasserij, benaderd met een voorstel tot indiensttreding. Het aanbod
van deze wasserijen betrof 36 uur per week. Tot een daadwerkelijke
indiensttreding bij een van deze twee wasserijen is het niet gekomen,
voornamelijk omdat gedaagde en haar echtgenoot bezwaren hadden tegen de
door deze wasserijen gehanteerde tijdstippen waarop de werkzaamheden
aanvingen. Deze tijdstippen kwamen gedaagde en haar echtgenoot niet goed
uit in verband met het ontbreken van zogenoemde voorschoolse opvang voor
hun twee jonge kinderen.
2.2. Gedaagde heeft in verband met het door De Lelie verleende ontslag
een aanvraag voor WW-uitkering gedaan. Bij besluit van 24 september 2001
heeft appellant met ingang van 3 september 2001 de WW-uitkering blijvend
geheel geweigerd, omdat zij aangeboden passend werk niet heeft
geaccepteerd, terwijl dat wel van haar verlangd mocht worden. Dit
besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit
van 15 maart 2002. Het bestreden besluit steunt op het standpunt van
appellant dat geen objectieve factoren aanwezig zijn, die in de weg
staan aan het aanvaarden van de, door appellant passend geachte, arbeid
bij Wasserij Best of de Lamme Groep BV. Door dat werk niet te aanvaarden
is gedaagde de verplichting, haar op grond van artikel 24, eerste lid,
aanhef en onder b, ten tweede, van de WW niet nagekomen, ingevolge welke
bepaling de werknemer dient te voorkomen dat hij werkloos is of blijft,
doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door
eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.
3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van
gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit
vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat van overheidswege
op werkdagen vanaf 7 uur in de ochtend geen kinderopvang beschikbaar
wordt gesteld gedurende slechts één à anderhalf uur en dergelijke
opvang ook overigens veelal niet beschikbaar is en het bieden daarvan
niet in redelijkheid kan worden gevergd van buren of van een inwonend
familielid, indien al aanwezig. Voor de vraag of het aangeboden werk
passend is te achten was volgens de rechtbank derhalve van belang of
appellant de stelling van gedaagde omtrent de niet-beschikbaarheid van
voorschoolse kinderopvang kon weerleggen en zo niet, of vaststond dat de
desbetreffende werkgevers bereid waren de werktijden aan te passen.
Omdat appellant in het bestreden besluit had volstaan met de loutere
stelling dat het niet hebben van kinderopvang vanuit het oogpunt van de
WW niet kan worden gehonoreerd, was de rechtbank van oordeel dat het
bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank
was voorts van oordeel dat door het ontbreken van onderzoek
dienaangaande appellant het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig had
voorbereid en om deze reden achtte de rechtbank het bestreden besluit
genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
4. Met betrekking tot hetgeen partijen naar voren hebben gebracht
overweegt de Raad het volgende.
4.1. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de door
Wasserij Best en de Lamme Groep BV aangeboden arbeid in gedaagdes geval
als passende arbeid dient te worden aangemerkt.
4.2. Ingevolge artikel 24, vierde lid, van de WW wordt als passende
arbeid beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de
werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Gedaagde
gaat er klaarblijkelijk van uit dat de arbeid bij Wasserij Best en bij
de Lamme Groep BV niet van haar kan worden gevergd om redenen van
sociale aard, betrekking hebbend op de opvang van haar kinderen in
verband met de aanvangstijd van de werkzaamheden bij die wasserijen.
4.3. Niet bestreden is dat de aangeboden arbeid bij de Lamme Groep BV
als zodanig passend was. Voorts staat vast dat de werktijden bij de
Lamme Groep BV liepen van 7.15 uur tot 17.15 uur gedurende vier dagen
per week. In geschil is of van gedaagde in verband met de gestelde
problemen rond de kinderopvang in de ochtend redelijkerwijs niet kon
worden gevergd arbeid met deze werktijden te aanvaarden. Die vraag
beantwoordt de Raad ontkennend, reeds omdat gedaagde onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat die problemen onoplosbaar waren. In dat
verband wijst de Raad er allereerst op dat, naar ter zitting is
bevestigd, door gedaagde geen enkele poging is ondernomen om tot een
oplossing te komen. Naar het de Raad voorkomt ligt het probleem van
gedaagde verder vooral in het gegeven dat haar echtgenoot, naast zijn
reguliere werk bij De Lelie, ook dagelijks nog werkzaamheden als
schoonmaker verricht van 6.00 tot 8.00 uur. Dat werk was, naar gedaagde
heeft gesteld, goed te combineren met de aanvangstijd van het werk bij
De Lelie maar volgens haar niet met het werk bij de Lamme Groep BV. Dat
het gedaagde niet mogelijk was om, uitgaande van de aanvangstijd van het
werk bij de Lamme Groep BV, een oplossing te vinden voor het probleem
met de kinderopvang door ook de werktijden van haar echtgenoot te
bezien, is evenmin gesteld. In de gegeven omstandigheden van gedaagde
ziet de Raad, anders dan de rechtbank, dan ook geen aanleiding appellant
onderzoek te doen verrichten naar de aanwezigheid van voorschoolse
opvang, dan wel naar eventueel bij de potentiële werkgevers bestaande
mogelijkheden om met werktijden te schuiven.
4.4. Gelet op het vorenstaande kan buiten bespreking worden gelaten of
het door Wasserij Best aangeboden werk passend was.
4.5. Het hoger beroep treft derhalve doel. De aangevallen uitspraak komt
voor vernietiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de
proceskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. T.
Hoogenboom en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van S.
l'Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.
|
|