|
Uitspraak
04/3858 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 3 juni
2004, nr. AWB 03/1034 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de
aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam
bij DAS rechtsbijstand, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat met het volgende.
Appellant is werkzaam geweest bij de Koninklijke Nederlandse Roeibond
(hierna: KNRB, of: de werkgever) in de functie van directeur op basis
van een arbeidsovereenkomst voor de periode van 15 juni 1999 tot 15 juni
2002.
Appellant heeft op 1 juli 2002 bij gedaagde een uitkering op grond van
de WW aangevraagd, welke hem bij besluit van 30 augustus 2002 als
maatregel blijvend geheel is geweigerd. Daartoe is overwogen dat de
arbeidsovereenkomst met de KNRB op 16 juni 2002 afliep en dat uit
diverse correspondentie is gebleken dat de werkgever graag een
verlenging aanbood, welke op initiatief van appellant niet heeft
plaatsgevonden, waardoor hij zijn werkloosheid zelf heeft veroorzaakt
door na te laten passende arbeid te behouden. Bij besluit op bezwaar van
21 januari 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde die weigering
gehandhaafd, waartoe is overwogen dat appellant had kunnen voorzien dat
zijn gedrag zou kunnen leiden tot de beëindiging van zijn
dienstbetrekking.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit de correspondentie van
appellant met zijn werkgever omtrent de beëindiging van het
dienstverband genoegzaam is gebleken dat de dienstbetrekking op
initiatief van appellant niet is voortgezet. In dat verband wordt
verwezen naar de brief van 5 januari 2002 van de secretaris van de KNRB
aan appellant, waarin is vermeld dat appellant, gelet op de voorgenomen
organisatie van het toproeien en de consequenties daarvan voor de rol
van directeur, aan het bestuur heeft kenbaar gemaakt dat hij uitkijkt
naar een andere functie buiten de roeibond, hetgeen het bestuur van de
KNRB stelt te betreuren. Uit de reactie van appellant op bovengenoemd
schrijven blijkt volgens de rechtbank geenszins dat hij de inhoud van
dat schrijven betwist, nu hij in zijn reactie schrijft: “De reden die
jij noemt als oorzaak van mijn beslissing is niet de enige. De functie
en plaats van directeur binnen de roeibond is niet meer zoals
afgesproken bij mijn indiensttreding.” De KNBR heeft het bovenstaande
in de werkgeversverklaring van 26 augustus 2002 bevestigd en naar
aanleiding van vragen van gedaagde toegevoegd dat meerdere pogingen zijn
ondernomen om appellant voor de KNRB te behouden, maar dat niet aan alle
door appellant gestelde voorwaarden kon worden voldaan. Voor het oordeel
dat deze verklaringen onjuist zouden zijn, heeft de rechtbank geen
aanknopingspunten gevonden. Mitsdien heeft de rechtbank geoordeeld dat
gedaagde op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellant
verwijtbaar werkloos is geworden, nu het dienstverband op initiatief van
appellant niet is voortgezet, zonder dat aan de voortzetting ervan
zodanige bezwaren waren verbonden, dat voortzetting redelijkerwijs niet
van appellant kon worden gevergd.
Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden.
Daartoe is aangevoerd dat het initiatief tot het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst geheel bij de KNRB was gelegen en dat hij zich heeft
verzet tegen de wijziging van zijn functie, zodat er geen sprake van is
dat door zijn gedrag, althans door zijn toedoen, de arbeidsovereenkomst
niet is verlengd, hetgeen hem door gedaagde wordt verweten.
Gedaagde heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de
werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar
zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen,
dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou
kunnen hebben. Blijkens het bestreden besluit heeft gedaagde zich op het
standpunt gesteld dat appellant had kunnen voorzien dat zijn gedrag zou
kunnen leiden tot de beëindiging van zijn dienstbetrekking. In de
voorhanden gegevens vindt de Raad evenwel geen steun voor het standpunt
van gedaagde nu niet is gebleken dat appellant zich door zijn opstelling
en handelen jegens zijn werkgever verwijtbaar heeft gedragen. Mitsdien
berust het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag en kan
dit besluit reeds om die reden niet in stand blijven.
Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de
werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking
eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van
hem zou kunnen worden gevergd. Naar het oordeel van de Raad mist ook
deze bepaling in dit geval toepassing nu immers sprake is van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege op 15 juni
2002 eindigde. Mitsdien heeft de rechtbank bij de beoordeling van het
bestreden besluit ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in
dit artikelonderdeel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd.
De Raad constateert echter dat uit de voorhanden gegevens, waaronder met
name de brief van 5 januari 2002 van de secretaris van de KNRB aan
appellant en diens reactie daarop, genoegzaam valt af te leiden dat het
besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen in belangrijke, zo
niet overwegende mate, is ingegeven door de opstelling van appellant. De
Raad gaat er niet aan voorbij dat aan de functie van directeur een
andere invulling werd gegeven dan appellant aanvankelijk voor ogen stond
en wellicht ook in strijd met hetgeen partijen destijds hebben
afgesproken, maar komt op basis van de gedingstukken en hetgeen door
appellant ter zitting nader is toegelicht, desalniettemin tot het
oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat die andere invulling zo
ingrijpend was dat de arbeidsovereenkomst niet had kunnen worden
verlengd en dat appellant van die verlengingsmogelijkheid geen gebruik
had kunnen maken, al dan niet in afwachting van een andere
dienstbetrekking. Appellant heeft derhalve het voorschrift neergelegd in
artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW
overtreden.
Nu gedaagde dezelfde maatregel als in het bestreden besluit is
opgenomen, doch op een andere grondslag had kunnen opleggen en dat bij
het primaire besluit ook reeds had gedaan, ziet de Raad aanleiding om
met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
te laten.
In hetgeen namens appellant is gesteld, ziet de Raad geen feiten of
omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat
het niet behouden van werk appellant niet in overwegende mate kan worden
verweten.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van €
644,-- aan kosten van rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 131,-- (€ 29,-- + € 102,-- ) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J.
Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P.W.J. Hospel.
|
|