|
Uitspraak
04/653 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 18 december
2003 tussen partijen gewezen uitspraak, nr. WW 03/1747, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 juli 2005, waar voor
appellant is verschenen G.J. Samsom, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.J. Horlings, werkzaam bij
SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.
II. MOTIVERING
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellant is op 12 februari 2002 op staande voet ontslagen uit zijn
dienstbetrekking bij Foto Kinorama B.V. (hierna: de werkgever). Hij
heeft tegen dit ontslag geprotesteerd. Op 6 maart 2002 heeft gedaagde
een aanvraag om een uitkering ingevolge de WW gedaan. Bij besluit van 22
maart 2002 heeft appellant aan gedaagde een voorschot toegekend met
ingang van 13 februari 2002.
Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de
arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en zijn werkgever bij beschikking
van 3 april 2002 met ingang van 4 april 2002 ontbonden onder toekenning
van een vergoeding aan gedaagde van € 6.146,45.
Met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW heeft appellant bij
besluit van 22 juli 2002 aan gedaagde een WW-uitkering toegekend met
ingang van 1 juni 2002.
2.1. Thans is aan de orde het op bezwaar genomen bestreden besluit van
appellant van 28 april 2003, tot handhaving van zijn besluit van 14
januari 2003 waarbij de in de periode van 13 februari 2002 tot 1 juni
2002 aan gedaagde betaalde voorschotten van hem zijn teruggevorderd.
2.2. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden
besluit gegrond verklaard voor zover het de periode van 4 april 2002 tot
1 juni 2002 betrof. De rechtbank was van oordeel dat appellant
onvoldoende inzichtelijk had gemaakt welke bedragen gedaagde in die
periode had ontvangen.
Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Uit de stukken blijkt, dat aan het besluit van appellant van 14
januari 2003 tot terugvordering van de in de periode van 13 februari
2002 tot 1 juni 2002 betaalde voorschotten een besluit van 30 juli 2002
is voorafgegaan, waarbij die voorschotten eveneens werden
teruggevorderd. Het tegen dat besluit door gedaagde gemaakte bezwaar is
door appellant bij besluit van 10 december 2002 gegrond verklaard omdat
het besluit van 30 juli 2002 naar de mening van appellant onvoldoende
was gemotiveerd. Daarbij is aangegeven dat is besloten om de beschikking
van 30 juli 2002 niet langer te handhaven. Tegen het besluit van 10
december 2002 is geen beroep ingesteld.
3.2. Uit de bewoordingen van het besluit van 10 december 2002 blijkt
naar het oordeel van de Raad dat appellant hiermee definitief heeft
beslist om niet over te gaan tot terugvordering van de voorschotten.
Het besluit van 14 januari 2003 strekt er klaarblijkelijk toe om hierop
terug te komen. Naar het oordeel van de Raad was appellant uit een
oogpunt van rechtszekerheid echter niet gerechtigd om, nadat hij zijn
definitieve besluit had genomen om de voorschotten niet terug te
vorderen, alsnog te besluiten om daartoe wel over te gaan. Dit zou
anders kunnen zijn indien het besluit van 10 december 2002 als een fout
zou moeten worden gezien, zou hebben berust op onjuiste of onvolledig
informatie van gedaagde, of indien nadere gegevens een ander licht op de
zaak zouden hebben geworpen, maar daarvan is geen sprake. Ten tijde van
het besluit van 10 december 2002 waren alle relevante gegevens bekend
bij appellant en is weloverwogen beslist om de terugvordering niet te
handhaven.
3.3. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het
bestreden besluit, voor zover thans aan de orde, is genomen in strijd
met de wet en niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak kan,
met verbetering van gronden, worden bevestigd behoudens voor zover
daarbij aan appellant is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te
nemen.
3.4. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het
bezwaar van gedaagde gegrond verklaren en het besluit van 14 januari
2003 herroepen voor zover zij de periode van 4 april 2002 tot 1 juni
2002 betreffen.
3.5. De Raad ziet tevens aanleiding appellant met toepassing van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep, welke worden begroot op € 644,-- aan
kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover appellant is
opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
Verklaart het bezwaar gegrond voor zover het besluit van 14 januari 2003
betrekking heeft op de periode van 4 april 2002 tot 1 juni 2002;
Herroept het besluit van 14 januari 2003 in zoverre;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S.
l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus
2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.
|
|