|
Uitspraak
04/975 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Rotterdam van 26 januari 2004, nr. WW 03/1316-ZWI, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde een stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 juli 2005 waar voor appellant
is verschenen mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de
hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen,
zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 12 augustus 2002
is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot
25%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
2.2. Op 10 oktober 2002 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag voor
een uitkering ingevolge de WW ingediend. Bij besluit van 28 oktober 2002
heeft gedaagde appellant met ingang van 9 oktober 2002 het recht op
WW-uitkering ontzegd omdat hij niet kan worden aangemerkt als werkloos
in de zin van de WW, nu hij niet beschikbaar is om werk te aanvaarden.
Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 13 maart 2003 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Ter zitting heeft gedaagde naar voren gebracht dat, gezien de
opgave van sollicitaties die gedaagde op verzoek van de Raad in het
geding heeft gebracht, niet ondubbelzinnig vaststaat dat appellant door
houding en gedrag duidelijk heeft doen blijken dat hij zich niet voor
arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt. Het bestreden besluit wordt
deswege niet gehandhaafd door gedaagde.
4.2. Gelet op hetgeen gedaagde dienaangaande heeft aangevoerd is de Raad
van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden,
zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de
aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.
5. Gedaagde zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Daarbij zal hij tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre
er termen zijn om schade te vergoeden.
6. De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 644,--, in eerste aanleg
tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van €
644,--, steeds aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 maart 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in het totaal € 119,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S.
l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus
2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.
|
|