|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3832 WW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2005, 04/3434
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, werkzaam bij Rechtshulp
Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), de
Toeslagenwet (TW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden
ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten verwijst de
Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellant is in verband met het einde van de werkzaamheden bij de
inlener met ingang van 11 april 2003 ontslagen door zijn werkgever
Uitzendbureau Azor (hierna: de werkgever). Op 25 september 2003 heeft
appellant een aanvraag om een WW-uitkering ingediend en op 29 september
2003 heeft hij een toeslag ingevolge de Toeslagenwet aangevraagd.
Appellant heeft in zijn WW-aanvraag vermeld vanaf 12 april 2003
beschikbaar te zijn geweest om arbeid te aanvaarden en sollicitaties te
hebben verricht op 7, 15 en 20 september 2003. Op een herhaald verzoek
van het Uwv om informatie over zijn beschikbaarheid vóór september
2003 heeft appellant niet gereageerd, waarna het Uwv heeft besloten de
aanvraag niet verder in behandeling te nemen.
2.2. Op 10 mei 2004 heeft appellant wederom een WW-uitkering aangevraagd
met ingang van 14 april 2003. Op het hiertoe ingevulde formulier heeft
appellant aangegeven in verband met gezondheidsklachten niet te hebben
gesolliciteerd sinds hij wist dat hij werkloos zou worden. Appellant
heeft wel sollicitaties opgegeven op 10 en 11 mei 2004. Ook deze
aanvraag is niet verder in behandeling genomen wegens het ontbreken van
de benodigde informatie.
2.3. Op 27 mei 2004 heeft appellant voor de derde maal een WW-uitkering
aangevraagd. Appellant heeft in een toelichting bij deze aanvraag
vermeld dat hij per november 2003 beschikbaar was om te werken en dat
hij vaak heeft gesolliciteerd.
2.4. Bij besluit van 2 juni 2004 heeft het Uwv appellant een uitkering
ingevolge de WW ontzegd omdat appellant in de 39 weken voordat hij
werkloos werd, welk moment is gesteld op 3 november 2003, niet in
tenminste 26 weken heeft gewerkt. Dit besluit is, na bezwaar,
gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 11 oktober 2004.
3. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het, gelet op het
tijdsverloop tussen het ontstaan van de gestelde werkloosheid en de
aanvraag van een WW-uitkering, op de weg van appellant had gelegen om op
overtuigende wijze aan te tonen dat hij vanaf 14 april 2003 beschikbaar
was om arbeid te aanvaarden, maar dat hij geen bewijzen heeft
aangedragen, bijvoorbeeld in de vorm van kopieën van
sollicitatiebrieven, inschrijvingen bij uitzendbureaus of andere
bescheiden, die zijn stelling ondersteunen dat hij vanaf die datum
sollicitatieactiviteiten heeft verricht. De rechtbank heeft hieraan
toegevoegd dat, zelfs indien rekening zou zijn gehouden met de
sollicitatieactiviteiten in september 2003 die appellant heeft
opgegeven, appellant niet voldoet aan de in artikel 17, aanhef en onder
a, van de WW neergelegde eis. De rechtbank concludeerde dat het Uwv op
basis van de beschikbare gegevens op goede gronden heeft vastgesteld dat
appellant eerst met ingang van 3 november 2003 als werkloos in de zin
van artikel 16 van de WW kan worden aangemerkt en dat hij geen recht
heeft op een uitkering ingevolge de WW, noch op een toeslag ingevolge de
TW.
4. Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen
standpunt herhaald, dat hij vanaf 14 april 2003 beschikbaar was voor
arbeid en zich heeft ingespannen om werk te vinden. Hij meent om die
reden vanaf 14 april 2003 recht te hebben op een WW-uitkering. Appellant
heeft gesteld dat hij geen afschriften van sollicitatiebrieven kan
overleggen, omdat zijn sollicitatieactiviteiten hebben bestaan uit het
langsgaan bij uitzendbureaus en het telefonisch informeren naar werk.
5. De Raad is met de rechtbank en op de door de rechtbank genoemde
gronden van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant
eerst met ingang van 3 november 2003 beschikbaar was om arbeid te
aanvaarden. Van beschikbaarheid per 14 april 2003 is niet gebleken.
Uitgaande van 3 november 2003 als eerste werkloosheidsdag heeft het Uwv
terecht geconcludeerd dat appellant in de op grond van artikel 17,
aanhef en onder a, van de WW geldende referteperiode, welke in dit geval
liep van 3 februari 2003 tot 3 november 2003, niet in ten minste 26
weken als werknemer arbeid heeft verricht. Het Uwv heeft bij het
bestreden besluit dan ook terecht een WW-uitkering en een TW-uitkering
aan appellant ontzegd.
5.1. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en
B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
|
|