Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Algemene Kinderbijslagwet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 juni 2014

 

REGELING  INKOMEN  KINDERBIJSLAG  1997

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2014
(art. 21:2a Buk)

 
 

10 juni 1997, Stcrt. 1997, 108
Inwerkingtreding: 1 oktober 1997
(T.a.v. artt. 7:5 en 41 AKW)

 

 

 

 
10 juni 1997/nr. SV/VP/97/2018
Directie Sociale Verzekeringen
 
    
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 9, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet;
 
     Besluit:

 

 

Art. 1. Inkomen van het kind
-1. Onder inkomen van het kind, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet, wordt verstaan alle inkomsten uit arbeid na aftrek van eventueel verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen die in een kwartaal betaald of verrekend zijn, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden, die dat kind toekomen of ter beschikking worden gesteld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt tevens als inkomen van het kind aangemerkt inkomen uit arbeid van dat kind in natura.
-3. Inkomsten in natura als bedoeld in het tweede lid worden gewaardeerd overeenkomstig de normen, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

Art. 2. Verwervingskosten
De kosten van verwerving, inning of behoud van inkomen die het kind maakt, worden, voor zover redelijk, op het inkomen, bedoeld in artikel 1, in mindering gebracht.

 

Art. 3. Inkomen uit vakantiewerk
Netto-inkomen tot een totaalbedrag van Ä|1300,00 dat het kind tijdens de zomervakantie uit arbeid verwerft voor zover deze arbeid niet voor een langere periode ook buiten de zomervakantie wordt verricht en mits deze arbeid geen deel uitmaakt van de studie of beroepsopleiding die dat kind volgt, wordt niet als inkomen als bedoeld in artikel 1 aangemerkt.

 

Art. 4. Grondslag
Deze regeling berust op de artikelen 7, tiende lid, en 41 van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1997.

 

Art. 6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inkomen kinderbijslag 1997.

 

 

ís-Gravenhage, 10 juni 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[10 juni 1997]

 

     Deze ministeriŽle regeling vervangt de Regeling inkomen kinderbijslag van 24 oktober 1995. Op grond van de Regeling inkomen kinderbijslag werd onder inkomen van het kind verstaan alle gelden die het kind of de ouders van het kind ten behoeve van dat kind toekomen en die aangewend kunnen worden ter bestrijding van de onderhoudskosten van dat kind. Op deze inkomsten waren een aantal uitzonderingen gemaakt.
     Uitzonderingen waren:
- de onderhoudsbijdrage van de verzekerde aan het kind;
- de inkomsten uit vermogen waarover de verzekerde het vruchtgenot heeft;
- op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Wet op de jeugdhulpverlening of vergelijkbare regelingen verstrekte vergoedingen of tegemoetkomingen in de kosten ten behoeve van verleende zorg;
- netto-inkomen uit vakantiewerk tot een bepaald bedrag;
- commerciŽle leningen of bijdragen van derden ter bekostiging van onderwijskosten, boven een bepaald bedrag. Bij ministeriŽle regeling van 3 oktober 1996 werd aan de rij uitzonderingen de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toegevoegd.
     In de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG) [zie Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000), red.] werd nog geregeld dat een tegemoetkoming op grond van die regeling geen inkomen van het kind in de zin van de AKW is.
     Inkomen uit arbeid (anders dan vakantiewerk), huursubsidie en wezenpensioen bijvoorbeeld werden wel als inkomen aangemerkt. Bij nader inzien wordt het ongewenst geacht bepaalde inkomensbestanddelen als inkomen aan te merken.
     Een (half)wezenuitkering, verstrekt ingevolge een particuliere verzekering vanwege het wegvallen van (een deel van) het ouderlijk inkomen, kon er bijvoorbeeld toe leiden dat de overblijvende ouder of de pleegouders van een kind (van 16 of 17 jaar) geen aanspraak konden maken op kinderbijslag voor dat kind. De (half)wezenuitkering ingevolge een particuliere verzekering werd immers tot het inkomen van het kind gerekend in de zin van de AKW.
     Een ander voorbeeld van de onbillijke uitwerking van de Regeling inkomen kinderbijslag betreft de door een werkgever verstrekte reiskostenvergoeding aan het kind. Deze reiskostenvergoeding werd aangemerkt als inkomen van het kind in de zin van de AKW. Tegenover de reiskostenvergoeding staan echter de door het kind gemaakte reiskosten. Met individuele kosten als reiskosten kon sinds de vereenvoudiging van de onderhoudsvoorwaarden AKW per 1 oktober 1995 (Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 220, en Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag) op geen enkele manier meer rekening gehouden worden bij de beoordeling van het recht op kinderbijslag. Juist voor kinderen met een hoge reiskostenvergoeding (en naar mag worden aangenomen dus met hoge reiskosten) bestond geen recht op kinderbijslag. Dit, terwijl voor kinderen zonder reiskostenvergoeding (en dus met geen of lage reiskosten) wel recht op kinderbijslag bestond.
     Met onderhavige ministeriŽle regeling wordt ernaar gestreefd dat onwenselijke uitkomsten als bovengenoemd in de toekomst niet meer voorkomen.
     Als inkomen wordt slechts nog aangemerkt het inkomen dat uit arbeid wordt verworven.
     Ingevolge bovengenoemd Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag wordt een bepaald forfaitair bedrag per kwartaal vrijgesteld. Het inkomen uit arbeid dat die grens overschrijdt, heeft tot gevolg dat het recht op kinderbijslag wordt beŽindigd. Van kinderen met een dusdanig hoog inkomen (ongeveer het niveau van het nettominimumjeugdloon voor een 16/17-jarige) uit arbeid kan gesteld worden dat zij een grote mate van zelfstandigheid hebben. Dit kan niet gezegd worden van bijvoorbeeld kinderen die een wezenpensioen ontvangen.
     Bij inkomen uit arbeid kan het gaan om arbeid in dienstbetrekking, maar ook om arbeid verricht in een arbeidsverhouding die daarmee gelijk te stellen is. Essentieel daarbij is dat werkzaamheden worden verricht waarvoor een vergoeding wordt gegeven. Daarnaast kan de arbeid ook uit stagewerkzaamheden bestaan. De stagevergoeding wordt dan ook als inkomen aangemerkt.
     Overeenkomstig de Regeling inkomen kinderbijslag gaat het in onderhavige regeling om inkomsten die in een kwartaal betaald of verrekend zijn, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden. De definitie van inkomen wordt gegeven in het eerste lid van artikel 1.
     Ook inkomsten uit arbeid die in natura worden verstrekt, behoren tot het inkomensbegrip van onderhavige regeling. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 1. Onder inkomen in natura worden bijvoorbeeld verstaan de inkomsten die een kind dat als au pair werkt geheel of gedeeltelijk in natura ontvangt. De inkomsten in natura dienen zo nodig te worden gewaardeerd overeenkomstig de normen van artikel 8 CoŲrdinatiewet Sociale Verzekeringen (artikel 1, derde lid).
     Verwervingskosten kunnen voor zover redelijk van het inkomen worden afgetrokken. Dit is geregeld in artikel 2. Onder verwervingskosten worden verstaan de kosten van verwerven, inning of behoud van inkomen. Reiskosten zijn een voorbeeld van verwervingskosten en kunnen dus op de inkomsten in mindering worden gebracht. Als redelijk worden hier beschouwd de kosten die zijn gebaseerd op de kosten van tweede klas openbaar vervoer.
     Een reiskostenvergoeding van de werkgever, opdrachtgever of stagebaas moet daarentegen tot het inkomen uit arbeid worden gerekend.
     Evenals in de Regeling inkomen kinderbijslag het geval was, is ook in onderhavige regeling (artikel 3) het inkomen van het kind uit vakantiewerk tot een bepaald bedrag (bovenop eerdergenoemde forfaitaire vrijstelling) uitgezonderd van het inkomensbegrip. Indien deze arbeid ook buiten de zomervakantie voor langere tijd wordt verricht of deze arbeid deel uitmaakt van de studie of opleiding die het kind volgt, dan is er geen sprake van vakantiewerk. Indien in de vakantieperiode meer dan voordien en nadien gebruikelijk is, wordt gewerkt, kan dit meerwerk wel als vakantiewerk worden aangemerkt. Voor het jaar 1997 was de vrijstelling van inkomsten uit vakantiewerk reeds geregeld in de ministeriŽle regeling van 27 maart 1997, Stcrt. 63. Dit bedrag is overgenomen in onderhavige regeling.
     Met onderhavige regeling wordt derhalve de onredelijke uitwerking van de Regeling inkomen kinderbijslag weggenomen. Daarnaast betekent de nieuwe regeling een aanmerkelijke vereenvoudiging van het inkomensbegrip. Alleen met inkomen uit arbeid dient nog rekening gehouden te worden bij de vaststelling van de onderhoudsvoorwaarden AKW en dus bij de bepaling van het recht op AKW. Vooral de uitvoeringsorganisatie, de Sociale Verzekeringsbank, is gebaat bij deze vereenvoudiging. Daarnaast zal een eenvoudiger inkomensbegrip ook de verzekerden beter inzicht geven in hun rechten.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x