Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene Kinderbijslagwet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 29 april 2004

 

BESLUIT  KORANONDERWIJS  AKW/ANW

Vervallen
m.i.v. 30 april 2003
(art. 3 BbS04)

 
 

26 september 1997, Stcrt. 1997, 187
Inwerkingtreding: 1 oktober 1997
(T.a.v. artt. 7:2a en 7:3aAKW en 26:2a Anw)

 

 

 

 
     Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
De beoordeling of een kind dat onderwijs volgt aan een école of mosquée coranique in Marokko kan worden aangemerkt als onderwijs volgend in de zin van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, artikel 7, derde lid, onderdeel a, ten eerste, en artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, (zoals deze bepaling gold tot 1 januari 1996) van de Algemene Kinderbijslagwet en artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene nabestaandenwet, zal plaatsvinden op een wijze zoals is beschreven in de bijlage welke bij dit besluit is gevoegd.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1997.

 

Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit koranonderwijs AKW/Anw.

 

 

     Dit besluit zal met bijlage en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Aldus besloten door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Amstelveen, 26 september 1997.
Prof. dr. B. de Vries, voorzitter,
mr. P.A. Schaafsma, president-directeur.

 

 

 

BIJLAGE

 

     Het volgen van onderwijs in Marokko aan een école of mosquée coranique, dat niet voorbereidend is op enig examen, resulterend in een diploma of getuigschrift, verder te noemen koranonderwijs, wordt met ingang van 1 oktober 1997 niet aangemerkt als het volgen van onderwijs in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Indien naar aanleiding van een eerste aanvraag nog een primaire beslissing, een beslissing op bezwaar of een nieuwe beslissing hangende of na een gevoerde beroepsprocedure dient te worden genomen, zal het volgen van koranonderwijs wél als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt, voor zover het de beoordeling van tijdvakken betreft gelegen vóór 1 oktober 1997. In de gevallen waarin reeds kinderbijslag over het derde kwartaal van 1997 is toegekend ten behoeve van kinderen die koranonderwijs volgen of een wezenpensioen is toegekend over periodes vóór 1 oktober 1997 aan kinderen die koranonderwijs volgen en waarin de toekenning afhankelijk is van het volgen van onderwijs, zal het volgen van koranonderwijs evenwel nog tot 1 april 1998 als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt.
     Dit laatste geldt eveneens voor de gevallen waarin de Sociale Verzekeringsbank een eerdere toekenning heeft beëindigd vanwege het volgen van koranonderwijs en deze beëindigingsbeslissing door de rechter in beroep is vernietigd.
     In de gevallen waarin reeds een afwijzende primaire beslissing of een beschikking op bezwaar is genomen, zal in beginsel slechts op verzoek van betrokkenen tot herziening van de betreffende beslissingen worden overgegaan. Het maakt hierbij geen verschil of tegen de betreffende besluiten nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld of dat zij rechtens onaantastbaar zijn geworden.

 

 

 

TOELICHTING
[26 september 1997]

 

     Voor een kind jonger dan 16 jaar kan, krachtens artikel 7, derde lid, onderdeel a, ten eerste, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), recht op tweevoudige kinderbijslag bestaan indien dat kind door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, noch als eigen, aangehuwd of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en tevens door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden. Voor een kind van 16 jaar of ouder kan, krachtens artikel 7, tweede lid, onderdeel a, en artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, AKW (zoals deze bepaling gold tot 1 januari 1996), onder andere recht op kinderbijslag bestaan als het kind onderwijs volgt.
     Ook kan een wees van 16 tot 21 jaar, krachtens artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene nabestaandenwet (Anw), recht op een wezenuitkering hebben indien de wees onderwijs volgt.
     Recht op een wezenuitkering of kinderbijslag kan slechts ontstaan indien het onderwijs dat het kind volgt, aangemerkt wordt als onderwijs in de van de AKW en Anw. Om een bepaalde onderwijsvorm aan te kunnen merken als onderwijs in de zin van de AKW en Anw dient het onderwijs aan een aantal in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ontwikkelde vereisten te voldoen. Overeenkomstig de jurisprudentie wordt de eis gesteld dat het onderwijs voorbereidend moet zijn op enig examen ter verkrijging van een diploma of getuigschrift.
     Uit in Marokko ingestelde onderzoeken is gebleken dat het onderwijs gegeven aan de école en de mosquée coranique niet voldoet aan het bovengenoemde vereiste en derhalve is deze onderwijsvorm niet aan te merken als onderwijs in de zin van de AKW.
     Het eerste door de SVB ingestelde onderzoek omtrent het koranonderwijs vond plaats medio 1994. Vanaf dat moment werd geen kinderbijslag of een wezenpensioen meer toegekend indien het kind onderwijs volgde aan een école of mosquée coranique. De rechtbank Amsterdam heeft op 1 oktober 1996 in enkele uitspraken geoordeeld dat het ingestelde onderzoek onvoldoende was om op basis daarvan tot de conclusie te komen dat het koranonderwijs niet als onderwijs in de zin van de AKW aangemerkt kon worden. Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de SVB een uitgebreider onderzoek naar de status van het koranonderwijs in Marokko laten uitvoeren. Dit vervolgonderzoek bevestigde de conclusie van het eerdere onderzoek.
     De rechtbank oordeelde tevens dat in gevallen waarin sprake is van gewijzigd beleid, de in acht te nemen zorgvuldigheid bij de invoering van dat gewijzigd inzicht vereist dat ongerechtvaardigde temporele verschillen in de uitvoering vermeden dienen te worden.
     De rechtbank was van mening dat alvorens het gewijzigd beleid werd ingevoerd een tijdstip van invoering vastgesteld had moeten worden en dat een regeling voor de lopende gevallen getroffen had moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van een overgangsregeling.
     Ter voldoening aan de door de rechter gestelde eisen wordt nu een tijdstip vastgesteld met ingang waarvan het volgen van onderwijs aan een école of mosquée coranique niet meer zal worden aangemerkt als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en de Anw.
     Door te kiezen voor een in de toekomst liggend moment voor de invoering van het gewijzigde beleid ten aanzien van het koranonderwijs wordt zoveel mogelijk tegemoet gekomen aan het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel.
     Het besluit zal ingaan per 1 oktober 1997 en derhalve slechts betrekking hebben op periodes gelegen ná 1 oktober 1997. In de gevallen waarin nog op een primaire aanvraag of op een aanhangig bezwaar moet worden beslist, zal het volgen van koranonderwijs wél als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt, voor zover het de beoordeling van tijdvakken betreft gelegen vóór 1 oktober 1997.
     Bij wijze van overgangsregeling zal in de gevallen waarin reeds kinderbijslag over het derde kwartaal 1997 of een wezenpensioen is toegekend over periodes tot 1 oktober 1997 ten behoeve van kinderen die koranonderwijs volgen, en waarin de toekenning afhankelijk is van het volgen van onderwijs, het volgen van koranonderwijs evenwel nog tot 1 april 1998 als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt.
     Op die manier krijgen gerechtigden die bij de toekenningsbeschikking niet zijn gewezen op de eventuele beperkte duur van het recht, de gelegenheid om zich gedurende twee kwartalen in te stellen op het feit dat het recht beëindigd zal worden.
     In situaties waarin een reeds lopend recht door de SVB was beëindigd en deze beëindigingsbeslissing door de rechter werd vernietigd, zal bij de nieuw te nemen beslissing eveneens het volgen van koranonderwijs tot 1 april 1998 als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt.
     Dit laatste geldt niet indien een afwijzingsbeslissing op de eerste aanvraag door de rechter werd vernietigd. Voor betrokkenen in die situaties is het rechtszekerheidsbeginsel niet aan de orde omdat aan hen nog niet eerder het recht op kinderbijslag of een wezenuitkering was toegekend. Wel geldt voor deze gevallen dat tot 1 oktober 1997 het volgen van koranonderwijs geaccepteerd zal worden.
     In de gevallen waarin reeds een afwijzende primaire beslissing of een beschikking op bezwaar is genomen, zal in beginsel slechts op verzoek van betrokkenen tot herziening van de betreffende beslissingen worden overgegaan. Het maakt hierbij geen verschil of tegen de betreffende besluiten nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld of dat zij rechtens onaantastbaar zijn geworden.
     De herzieningsverzoeken zullen vervolgens worden afgehandeld overeenkomstig het beleid van de SVB zoals dat is geformuleerd in haar brochure "SVB Beleidsregels ’97".

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x