Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene Kinderbijslagwet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 juni 2014

 

BESLUIT  ONDERHOUDSVOORWAARDEN  KINDERBIJSLAG

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2014
(art. 21:1a Buk)

 
 

21 september 1995, Stb. 1995, 451
Inwerkingtreding: 1 oktober 1995
(T.a.v. art. 7:5 AKW)

 

 

 

 
BESLUIT van 21 september 1995, houdende een algemene maatregel van bestuur tot het vaststellen van nadere onderhoudsvoorwaarden voor het toekennen van kinderbijslag (Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 1995, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/VP/95/3100;
     Gelet op artikel 7, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet;
     De Raad van State gehoord (advies van 8 augustus 1995, nr. W12.95.0324);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 september 1995, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/VP/95/4232;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1.
-1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Algemene Kinderbijslagwet;
b. kind: een eigen kind, een aangehuwd kind of een pleegkind;
c. inkomen van het kind: het inkomen van het kind, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de wet;
d. onderhoud van het kind:
1. de kosten die noodzakelijkerwijs verband houden met het levensonderhoud van het kind alsmede de kosten die noodzakelijkerwijs verband houden met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding door dat kind;
2. de reiskosten die een verzekerde maakt om een kind dat in verband met ziekte of gebreken niet tot zijn huishouden behoort, te bezoeken.
-2. Dit besluit berust op artikel 7, vijfde lid, van de wet.

 

Art. 2.
-1. Voor de toepassing van artikel 3 en 4 wordt verstaan onder verzekerde:
a. een verzekerde die met een andere verzekerde een gemeenschappelijke huishouding voert waarbij een kind gezamenlijk door beiden wordt verzorgd en onderhouden;
b. een verzekerde die, op basis van een overeenkomst met een andere verzekerde, met die andere verzekerde een kind overwegend in gelijke mate verzorgt en onderhoudt, zonder met die andere verzekerde een gemeenschappelijke huishouding te voeren;
c. een verzekerde die een kind onderhoudt en in overwegende mate verzorgt, maar waarbij het kind tevens door een andere verzekerde wordt onderhouden;
d. een verzekerde die een kind verzorgt en onderhoudt en waarbij het kind niet tevens door een andere verzekerde wordt onderhouden;
-2. Indien een verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een kind onderhoudt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c en d, en artikel 6, zijn, in afwijking van het eerste lid, artikel 5 respectievelijk 6 van toepassing.

 

Art. 3.
De verzekerde onderhoudt een kind in belangrijke mate, indien:
a. het kind jonger is dan 16 jaar, het niet tot zijn huishouden behoort en het inkomen van het kind minder dan |1790,00 per kwartaal bedraagt;
b. het kind 16 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is, het:
1. tot zijn huishouden behoort en het inkomen van het kind minder dan |1266,00 per kwartaal bedraagt;
2. niet tot zijn huishouden behoort en het inkomen van het kind minder dan |1790,00 per kwartaal bedraagt.

 

Art. 4.
De verzekerde onderhoudt een kind grotendeels indien het kind 16 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is, het niet tot zijn huishouden behoort en het inkomen van het kind ten hoogste |1103,00 per kwartaal bedraagt.

 

Art. 5.
-1. Een verzekerde kan een kind in belangrijke mate of grotendeels onderhouden indien een kind niet tot zijn huishouden behoort en:
a. het wel tot het huishouden van een ander behoort; of
b.
1. het ook niet tot het huishouden van een ander behoort; en
2. voor wie meer personen recht hebben op kinderbijslag waaronder een persoon die recht heeft op kinderbijslag uit hoofde van onderhoud, bedoeld in artikel 3 of 4; en
3. voor wie hij verplicht is krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud; of
c. het niet in Nederland verblijft en niet in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel in een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten op grond waarvan voor de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling inzake kinderbijslag het wonen van kinderen op het grondgebied van die staat moet worden gelijkgesteld met het wonen op het grondgebied van Nederland; of
d. waarbij een bijdrage in het onderhoud van het kind wordt geleverd door een derde, niet zijnde een verzekerde die een kind onderhoudt als bedoeld in artikel 3, 4, het tweede tot en met vierde lid van dit artikel, of artikel 6.
-2. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, onderhoudt een kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat jonger is dan 16 jaar in belangrijke mate indien het inkomen van het kind minder bedraagt dan |1790,00 per kwartaal en de verzekerde een bijdrage in het onderhoud levert van ten minste |416,00 per kwartaal.
-3. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, onderhoudt een kind als bedoeld in het eerste lid in belangrijke mate indien hij, naast het onderhoud, bedoeld in artikel 3, een bijdrage in het onderhoud van het kind levert van ten minste |416,00 per kwartaal.
-4. De verzekerde, bedoeld in het eerste lid, onderhoudt een kind als bedoeld in het eerste lid grotendeels indien hij, naast het onderhoud, bedoeld in artikel 4, een bijdrage in het onderhoud van het kind levert van meer dan |1103,00 per kwartaal.

 

Art. 6.
In afwijking van artikel 5 onderhoudt een verzekerde een kind dat jonger is dan 16 jaar en dat door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot zijn huishouden behoort of in verband met ziekte of gebreken vermoedelijk het eerstkomende jaar niet tot zijn huishouden zal behoren:
a. in belangrijke mate indien het inkomen van dat kind minder dan |1790,00 per kwartaal bedraagt en hij een bijdrage in het onderhoud levert van ten minste |416,00 per kwartaal;
b. grotendeels indien het inkomen van dat kind niet meer dan |1103,00 per kwartaal bedraagt en hij een bijdrage in het onderhoud levert van meer dan |1103,00 per kwartaal.

 

Art. 7.
In afwijking van artikel 5, vierde lid, en artikel 6 onderhoudt de verzekerde een kind als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, en artikel 6, onderdeel b, dat al vr 1 oktober 1995 in verband met ziekte of gebreken noch tot zijn huishouden, noch tot dat van een ander behoort, grotendeels indien het inkomen van het kind ten hoogste |1103,00 per kwartaal bedraagt en de verzekerde een bijdrage in het onderhoud van het kind levert van ten minste |830,00 per kwartaal.

 

Art. 7a.
-1. In de bijdragen, genoemd in de artikelen 5, 6 en 7, wordt in ieder geval geacht te zijn begrepen een bedrag van |9,00 per dag dat het kind bij de verzekerde verblijft.
-2. Dit bedrag wordt aangepast aan het bedrag opgenomen in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, dat per dag van verzorging van een doorgaans in een inrichting verblijvend gehandicapt familielid door de belastingplichtige voor aftrek in aanmerking kan worden genomen.

 

Art. 8.
Indien een verzekerde eenzelfde kind over eenzelfde tijdvak zowel in belangrijke mate als grotendeels onderhoudt, onderhoudt hij het kind grotendeels.

 

Art. 9.
Indien twee verzekerden eenzelfde kind over eenzelfde tijdvak grotendeels onderhouden, onderhoudt de verzekerde die de hoogste bijdrage in het onderhoud levert, het kind grotendeels en de andere verzekerde het kind in belangrijke mate.

 

Art. 10.
-1. Bij ministerile regeling kunnen de in dit besluit genoemde bijdragen ieder jaar per 1 oktober worden aangepast aan de ontwikkeling die de kinderbijslagbedragen op grond van artikel 13, tweede lid, van de wet hebben ondergaan in de periode van 2 juli tot en met 1 juli direct daaraan voorafgaand alsmede aan de ontwikkeling in diezelfde periode van de verschuldigde collegegelden op grond van artikel 7.43, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
-2. De in het eerste lid bedoelde bedragen worden afgerond op hele euro's.
-3. De gewijzigde bedragen worden in de Staatscourant bekendgemaakt.

 

Art. 11.
Na artikel 5 Samenloopbesluit kinderbijslag wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 5a.
Indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop n van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen, terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.

 

Art. 12.
De regelingen van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 1983, nr. 52 304 (Stcrt. 1983, 124), van 30 maart 1983, nr. 51 225 (Stcrt. 1983, 64) en van 29 september 1980, nr. 54 829 (Stcrt. 1980, 193) worden ingetrokken.

 

Art. 13.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1995.

 

Art. 14.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 21 september 1995

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

 

Uitgegeven de achtentwintigste september 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[21 september 1995]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     In deze algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een kind dat jonger is dan 18 jaar in belangrijke mate of grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden. De basis voor dit besluit is gelegen in de Wet van 26 april 1995 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet op de studiefinanciering (Stb. 1995, 220), hierna te noemen: de wet. In deze wet wordt de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) met ingang van 1 oktober 1995 zodanig gewijzigd dat het mogelijk wordt gemaakt om dit besluit te treffen. Artikel I, onderdeel A, van de wet voorziet in de desbetreffende delegatiebepaling in artikel 7, vierde lid, van de AKW.

     De wet en het besluit bewerkstelligen een vereenvoudiging van de wijze van vaststelling van het recht op kinderbijslag. De vereenvoudiging bestaat uit het stellen van vaste bedragen voor enerzijds de onderhoudsbijdrage van de verzekerde en anderzijds de inkomsten van het kind. Dit betekent voor zowel de uitvoering door de Sociale Verzekeringsbank als de kinderbijslaggerechtigden een vereenvoudiging. Voor de aanleiding voor deze vereenvoudiging, het betreffende advies van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad (SVr), de budgettaire gevolgen, de gevolgen voor de handhaving en de overige achtergronden wordt verwezen naar de toelichting bij de wet.

     Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat tegelijk met dit besluit in werking is getreden het Tijdelijk besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag 18-plussers. In dat besluit zijn, zoals de titel al aangeeft, de onderhoudsvoorwaarden vastgelegd voor de verzekerde die een kind onderhoudt dat 18 jaar of ouder doch jonger dan 25 jaar is. Gezien het bij koninklijke boodschap van 4 september 1995 ingediende voorstel tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen, Kamerstukken II 1995-1996, nr. 24 326), waarin wordt voorgesteld hoofdstuk IV van de AKW te laten vervallen, wordt er de voorkeur aan gegeven de onderhoudsvoorwaarden voor deze categorie kinderen in een apart besluit onder te brengen. In genoemd wetsvoorstel, dat naar verwachting met ingang van 1 januari 1996 in werking zal treden, zal bedoeld hoofdstuk IV, voor een verzekerde die over het vierde kwartaal van 1995 recht heeft op kinderbijslag, in bepaalde met name genoemde gevallen gefaseerd worden ingetrokken.

 

2. De algemene maatregel van bestuur


2.1. De toepassing


     Het besluit heeft slechts betrekking op die kinderen, jonger dan 18 jaar, waarop het onderhoudsbeginsel van toepassing is. Dit zijn de thuiswonende kinderen vanaf 16 jaar en alle uitwonende kinderen. Ten aanzien van thuiswonende kinderen tot 16 jaar wordt uitgegaan van het verzorgingsbeginsel. Dat wil zeggen dat zonder nadere voorwaarde wordt aangenomen dat de kinderbijslaggerechtigde waarbij het kind woont een bijdrage aan het onderhoud van het kind levert. In verband hiermee is voor de thuiswonende kinderen tot 16 jaar dan ook niets geregeld in dit besluit.

     Ten aanzien van thuiswonende kinderen vanaf 16 jaar en alle uitwonende kinderen wordt in reguliere gevallen niet meer uitgegaan van een eis om onderhoudskosten aan te tonen (zoals tot op heden het geval was), maar van een eis dat er slechts tot een maximumbedrag inkomsten zijn toegestaan. Omdat in de wet al is bepaald dat voor een kind van 16 jaar of ouder alleen recht op kinderbijslag bestaat indien het kind studeert, werkloos is of gehandicapt, waardoor het niet door middel van arbeid in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, kan ervan worden uitgegaan dat een kind van deze leeftijd dat aan de inkomenseis voldoet, altijd door de ouders zal worden onderhouden. Het is daarom niet nodig om aan de ouders het aantonen van een onderhoudsbijdrage te vragen.
     Alleen in de minder reguliere gevallen moet naast de inkomenseis ook voldaan worden aan een onderhoudseis. Deze minder reguliere gevallen betreffen die gevallen waarin het niet vanzelfsprekend is dat het kind volledig voor rekening komt van de aanvrager, zoals bijvoorbeeld wanneer het kind tot het huishouden van de ex-partner behoort of wanneer het kind in een inrichting verblijft.
     Om duidelijk te kunnen onderscheiden in welke gevallen alleen een inkomenseis geldt en in welke gevallen de aanvrager tevens een onderhoudsbijdrage moet aantonen, wordt in artikel 2 van dit besluit gedefinieerd wat voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 (dus waarin alleen de inkomenseis geldt) onder verzekerde wordt verstaan. Het gaat hier om de situatie:
1. waarin de ouders van het kind een gemeenschappelijke huishouding voeren (artikel 2, eerste lid, onderdeel a);
2. waarin de ouders van het kind geen gemeenschappelijke huishouding voeren, maar wel in gelijke mate het kind verzorgen en onderhouden op basis van een zogenaamde co-ouderschapsovereenkomst (artikel 2, eerste lid, onderdeel b);
3. waarin de ouders van het kind gescheiden zijn en het kind tot het huishouden van de aanvrager behoort, dan wel uitwonend is en de ex-partner verplicht is alimentatie te betalen (artikel 2, eerste lid, onderdeel c);
4. waarin de aanvrager de enige ouder is die het kind nog heeft, dan wel waar het kind nog contact mee heeft of waarin het huishouden van de aanvrager buiten Nederland is gevestigd (artikel 2, eerste lid, onderdeel d).
     In bovengenoemde situaties wordt het als vanzelfsprekend beschouwd dat de aanvrager het kind, wanneer aan de inkomenseis wordt voldaan, onderhoudt.

     Bovengenoemde situaties kunnen zich ook voordoen wanneer een kind niet in Nederland verblijft, indien geen gelijkstelling van woonplaats geldt als bedoeld in de toelichting op artikel 5 van dit besluit of wanneer een bijdrage in het onderhoud wordt geleverd door een derde (de situaties, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c en d, van dit besluit). Toch wordt in die gevallen naast de inkomenseis ook een minimale onderhoudseis gesteld, omdat in die gevallen niet vanzelfsprekend is dat de aanvrager het kind volledig onderhoudt. Ook in de situatie waarin de ouders van het kind gescheiden zijn en het kind bij de ex-partner woont, dan wel uitwonend is en de aanvrager verplicht is alimentatie te betalen (de situaties, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a en b, van dit besluit), moet naast de inkomenseis eveneens voldaan worden aan de onderhoudseis. Een in deze gevallen vastgesteld recht op (meervoudige) kinderbijslag komt ingevolge het Samenloopbesluit kinderbijslag (op grond van artikel 18, zesde lid, van de AKW) echter niet tot uitbetaling. Het gaat hier om voor de gezinsgrootte van de aanvrager meetellende kinderen.

     Afzonderlijk vermeld dient te worden een kind van gescheiden ouders dat bij de ex-partner van de aanvrager woont en jonger is dan 16 jaar. Ten opzichte van de ex-partner is dit kind een thuiswonend kind van jonger dan 16 jaar en dus is voor die ouder het verzorgingsbeginsel van toepassing. Een inkomenseis wordt ten aanzien van dit kind in de artikelen 3 en 4 niet gesteld. Omdat voor de aanvragende ouder wel de inkomens- en onderhoudseis moeten worden gesteld, wordt in het tweede lid van artikel 5 van dit besluit naast de onderhoudseis eveneens de inkomenseis gesteld.
     Nog een categorie die afzonderlijk vermeld dient te worden, betreft de kinderen jonger dan 16 jaar die in verband met ziekte of gebreken of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde behoren. In principe behoren deze kinderen tot de categorie, genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdeel d. In deze gevallen gaat het immers om kinderen die verblijven in een bijvoorbeeld van overheidswege (dus een derde) gesubsidieerde instelling. Aangezien voor deze kinderen in de artikelen 3 en 4 geen inkomenseis is opgenomen en de in artikel 6 genoemde kinderen een verbijzondering zijn van het kind, genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, is het noodzakelijk het grotendeels onderhoud van deze categorien kinderen in een apart artikel te regelen. De inkomens- en onderhoudseis komen overeen met die van uitwonende kinderen van 16 en 17 jaar. Alleen voor een gehandicapt kind dat al sinds een datum gelegen vr 1 oktober 1995 in een inrichting verblijft, geldt voor het grotendeels onderhoud een lagere onderhoudseis (namelijk de bijdrage die ook in de huidige situatie vereist is van ten minste 1456,- per kwartaal). Dit overgangsrecht, geregeld in artikel 7 van dit besluit, is opgenomen om de ouders van de betreffende kinderen niet ineens met een hogere onderhoudseis, waardoor zij wellicht het recht op tweevoudige kinderbijslag zouden verliezen, te confronteren.

 

2.2. Forfaitaire bedragen


     Deze algemene maatregel van bestuur gaat uit van forfaitaire bedragen voor de onderhoudskosten. Hierdoor is het niet meer nodig om voor individuele kinderen afzonderlijk een berekening te maken van de onderhoudskosten van het kind en de onderhoudsbijdrage van de ouders, zoals in de huidige situatie het geval was.
     Voor het forfaitaire bedrag aan onderhoudskosten is het voorheen gemaximeerde bedrag aan onderhoudskosten als uitgangspunt genomen; voor uitwonende kinderen bedroeg dit 14 700,- en voor thuiswonende kinderen 10 600,-.
     Van deze bedragen is 90% genomen als onderhoudskosten van het kind. Hiervoor is de volgende reden. Het bestaande bedrag is een maximum dat voor onderhoudskosten in aanmerking wordt genomen. Nu gaat het om een minimale onderhoudsbijdrage. Het ligt daarom voor de hand niet van het maximum uit te gaan. Indien het maximum van 100% onderhoudskosten als uitgangspunt zou zijn gekozen, is de kans groter dat verzekerden kinderbijslag verliezen. (Dit is het geval indien de huidige bijdrage "grotendeels" lager is dan het bedrag dat hiervoor in dit besluit is opgenomen; dus wanneer de huidige onderhoudskosten van het kind lager zijn dan de onderhoudskosten waarop dit besluit gebaseerd is). Om dit te voorkomen is aangesloten bij 90% van dit bedrag.
     Bij dit bedrag is het collegegeld van 2250,- (voor het studiejaar 1995/1996) geteld; de regeling is immers met name van toepassing op studerende kinderen (de werkloze kinderen stromen door naar de Jeugdwerkgarantiewet [zie Wet inschakeling werkzoekenden, red.]).

     Voorts worden met deze algemene maatregel van bestuur alle onderhoudsvoorwaarden voor het recht op kinderbijslag in n regeling opgenomen, waarbij ze in vaste bedragen worden uitgedrukt. Voor "in belangrijke mate" is het bedrag van 728,- per kwartaal afgeleid van de huidige 56,-; "grotendeels" is afgeleid van de genoemde onderhoudskosten (meer dan 50%). Alle bedragen worden, als gevolg van de kwartaalsystematiek, uitgedrukt in bedragen per kwartaal.
     Met het uitdrukken van zowel de onderhoudsvoorwaarden als de inkomsten van het kind in vaste bedragen, is het overbodig geworden de (gemaximeerde) onderhoudskosten, waarvan deze bedragen zijn afgeleid, eveneens in dit besluit op te nemen.
     Ter verduidelijking zijn de forfaitaire bedragen in het schema in de bijlage weergegeven.

     De onderhoudsvoorwaarden kunnen jaarlijks per 1 oktober worden aangepast aan de ontwikkeling die de kinderbijslagbedragen op grond van artikel 13, tweede lid, van de AKW hebben ondergaan in de periode van 2 juli tot en met 1 juli direct daaraan voorafgaande. Hiermee worden de onderhoudsvoorwaarden gekoppeld aan de ontwikkeling van het prijsindexcijfer. De toenmalige SVr oordeelde in zijn desgevraagd advies van 16 juli 1992 (A92/16) hierover positief. Daarnaast wordt het noodzakelijk geacht de onderhoudsvoorwaarden per 1 oktober jaarlijks aan te passen aan de ontwikkeling van de collegegelden.

     Ter illustratie volgen hieronder nog drie voorbeelden.

     Voorbeeld 1
     Casus: Een studerend kind van 17 jaar woont op kamers. De ouders zijn gehuwd en de moeder vraagt kinderbijslag aan. Het kind heeft eigen inkomsten ten bedrage van 2100,- per kwartaal.
     Recht op kinderbijslag: Artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de AKW bepaalt dat de verzekerde recht heeft op kinderbijslag indien hij het kind in belangrijke mate onderhoudt. Voorts bepaalt het derde lid van dit artikel dat het kind voor twee kinderen geteld wordt indien het grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden. Of de verzekerde het kind in belangrijke mate dan wel grotendeels onderhoudt, is vast te stellen aan de hand van het onderhavige besluit. Op grond van artikel 3, onderdeel b, ten tweede, wordt de verzekerde geacht het kind in belangrijke mate te onderhouden, omdat het inkomen van het kind minder bedraagt dan 3142,- per kwartaal. Op grond van artikel 4 wordt de verzekerde niet geacht het kind grotendeels te onderhouden; het inkomen van het kind bedraagt immers meer dan 1935,- per kwartaal. Artikel 5 is niet van toepassing.

     Voorbeeld 2
     Casus: Een kind van 14 jaar woont bij zijn moeder; de ouders zijn gescheiden. Zijn vader levert een onderhoudsbijdrage van 400,- per kwartaal. Het kind heeft geen eigen inkomsten.
     Beoordeling van het recht op kinderbijslag: Artikel 7, eerste lid, van de AKW bepaalt dat de verzekerde recht heeft op kinderbijslag indien a. het kind tot zijn huishouden behoort of b. indien hij het kind in belangrijke mate onderhoudt. Onderdeel a is in deze casus van toepassing op de moeder en onderdeel b op de vader. Het besluit is niet van toepassing op de moeder, zij heeft immers al recht op kinderbijslag op grond van het verzorgingsbeginsel. Op grond van artikel 5, tweede lid, zou de vader in ieder geval een onderhoudsbijdrage moeten leveren van 728,- per kwartaal. Hij voldoet daar niet aan en komt derhalve niet in aanmerking voor kinderbijslag.

     Voorbeeld 3
     Dezelfde situatie als in voorbeeld 2, met dit verschil dat de vader een onderhoudsbijdrage levert van 728,- per kwartaal.
     Beoordeling van het recht op kinderbijslag: Voor de moeder verandert er ten opzichte van voorbeeld 2 niets. De vader voldoet thans wel aan de voorwaarde van artikel 5, tweede lid, van dit besluit. Op grond van artikel 18, vierde lid, van de AKW wordt de kinderbijslag waar de vader recht op heeft echter niet betaald. Wanneer de vader (bijvoorbeeld uit een nieuw huwelijk) weer kinderen heeft waarvoor hij recht op kinderbijslag heeft, kan het kind uit dit voorbeeld wel meetellen voor de gezinsgrootte.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1

     In artikel 1 worden een aantal termen gedefinieerd die voor dit besluit van belang zijn.
     Ten aanzien van de term inkomen van het kind zij opgemerkt dat de tot op heden bestaande ministerile regeling (Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 1980, nr. 55 826 (Stcrt. 1980, nr. 17)) waarin deze term nader is uitgelegd, gebaseerd op het voormalige artikel 10 van de AKW, thans vernummerd tot artikel 9 (Stb. 1995, 220), zal worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuwe regeling.
     Ten slotte is een definitie opgenomen van hetgeen onder onderhoud van het kind dient te worden verstaan. Ten aanzien van de reiskosten die een verzekerde maakt om een kind dat in verband met ziekte of gebreken niet tot zijn huishouden behoort te bezoeken, zij nog opgemerkt dat indien een verzekerde twee kinderen bezoekt die op dezelfde lokatie verblijven, hij de (feitelijk slechts eenmaal) gemaakte reiskosten bij beide kinderen tot onderhoudskosten mag rekenen.

 

Artikel 2

     Zoals reeds in het algemeen gedeelte van deze toelichting uiteen is gezet, worden in dit besluit verschillende categorien verzekerden die recht kunnen hebben op kinderbijslag onderscheiden. Kort samengevat kunnen worden onderscheiden verzekerden waarvoor het vanzelfsprekend is, mits het inkomen van het kind onder een bepaalde grens blijft, dat zij een kind onderhouden (en daarmee dus recht hebben op kinderbijslag) en verzekerden van wie dit minder vanzelfsprekend is. In situaties waarin het vanzelfsprekend is, mits het inkomen van het kind onder een bepaalde grens blijft, dat het kind door een verzekerde wordt onderhouden, is slechts het inkomen van het kind bepalend voor de vraag of de verzekerde recht heeft op kinderbijslag.
     Artikel 2 beoogt aan te geven in welke situaties het vanzelfsprekend is dat de verzekerde een kind onderhoudt. Kort gezegd de situatie waarbij het kind tot het huishouden van de verzekerde of verzekerden behoort of wordt geacht te behoren.
     Ten eerste valt hierbij te denken aan situaties waarin het kind tot de gemeenschappelijke huishouding van verzekerden, de ouders, behoort. Anders dan in andere socialeverzekeringswetten is het voor de vraag of er in een bepaalde situatie sprake is van een gemeenschappelijke huishouding niet van belang dat de verzekerden met elkaar gehuwd zijn of dat de verzekerden elkaar onderhouden. Bepalend is of twee verzekerden (duurzaam) gezamenlijk met een kind (of meerdere kinderen) voorzien in huisvesting en de huishouding gezamenlijk voeren waarbij het kind door beide verzekerden wordt verzorgd en onderhouden.
     Ten tweede valt te denken aan co-ouderschap. Wil er sprake zijn van co-ouderschap, dan dienen de verzekerden, de ouders (na echtscheiding) overeengekomen te zijn het kind in gelijke mate te verzorgen en te onderhouden. Dit wil zeggen dat het kind bijvoorbeeld een aantal dagen per week bij de ene en een aantal dagen per week bij de andere ouder verblijft. In geval van co-ouderschap behoort het kind derhalve tot het huishouden van beide ouders. Op beide ouders zijn dus de artikelen 3 en 4 van toepassing.
     Een derde situatie waarin het vanzelfsprekend is dat het kind door de verzekerde wordt onderhouden, is de situatie dat een kind, na echtscheiding van de ouders, tot het huishouden van n van de ouders behoort. In deze situatie betaalt de andere ouder alimentatie voor het kind. Het kind zal dan wellicht slechts een beperkt aantal dagen per kwartaal bij deze alimentatie betalende ouder verblijven. Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, ziet op de ouder bij wie het kind gewoonlijk verblijft. Op deze ouder zijn de artikelen 3 en 4 van toepassing. Op de alimentatie betalende ouder is artikel 5 van dit besluit van toepassing.
     Een vierde situatie waarin het vanzelfsprekend is dat het kind door de verzekerde wordt onderhouden, is in het geval er geen alimentatie betalende ouder is. Te denken valt aan situaties waarbij n van de ouders is overleden of er geen alimentatieverplichting bestaat. Ook kan gedacht worden aan arbeiders met een gezin in het buitenland die in Nederland arbeid verrichten.
     Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin het kind vanwege bijzondere omstandigheden toch niet vanzelfsprekend tot het huishouden van de verzekerde behoort of wordt geacht te behoren. Te denken valt aan een kind dat in bepaalde landen buiten Nederland verblijft of een kind dat in verband met ziekten of gebreken elders verblijft. In deze situaties is het niet vanzelfsprekend dat het kind door de verzekerde wordt onderhouden. Deze situaties zijn derhalve uitgezonderd van artikel 2, eerste lid, en vallen derhalve niet onder de artikelen 3 en 4, maar wel onder artikel 5 en 6.

 

Artikelen 3 en 4

     Overeenkomstig het schema dat als bijlage bij deze nota van toelichting is gevoegd, is in deze artikelen vastgelegd hoeveel inkomsten het kind mag hebben, wil sprake zijn van in belangrijke mate of grotendeels onderhouden. Bij de inkomsten is een onderscheid gemaakt tussen de leeftijd van het kind en het antwoord op de vraag of het kind wel of niet tot het huishouden van de verzekerde behoort.

 

Artikel 5

     Zoals hiervoor bij artikel 2 al ter sprake is gekomen, zijn er situaties waarbij het, gelet op de situatie waarin het kind of de verzekerde zich bevindt, niet direct vanzelfsprekend is dat een kind door de verzekerde wordt onderhouden. Te denken valt aan de partner of ouder waarbij het kind na echtscheiding niet verblijft. Of de situatie dat het kind in bepaalde landen buiten Nederland of in een inrichting verblijft. Desalniettemin kan een verzekerde in deze situaties toch een (aanzienlijke) bijdrage leveren in de kosten van onderhoud van het kind.
     Voor deze situaties is artikel 5 bedoeld. Om te voorkomen dat een verzekerde, zonder daadwerkelijk in het onderhoud bij te dragen, toch aanspraak kan maken op (meervoudige) kinderbijslag, is in de hier bedoelde situaties, naast het inkomen van het kind (afhankelijk van de specifieke omstandigheden het inkomen van het kind, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van dit besluit), ook de hoogte van de bijdrage in het onderhoud bepalend voor de vraag of er recht op kinderbijslag bestaat. Hoe hoog die ouderlijke bijdrage in deze gevallen moet zijn, blijkt uit het tweede tot en met vierde lid van artikel 5. Hetgeen in deze leden is bepaald, blijkt schematisch uit de al eerder aangehaalde bijlage behorende bij het algemeen deel van deze toelichting.

     Ten aanzien van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, zij het volgende opgemerkt. Op basis van artikel 73 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1983, L 230), heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden. Derhalve mogen de verplichtingen van het kind dat in een andere lidstaat verblijft niet afwijken van de verplichtingen van kinderen die in Nederland verblijven. Hetzelfde geldt voor de verzekerde zelf. Zijn recht op kinderbijslag mag niet van andere voorwaarden afhankelijk worden gesteld dan wanneer het kind in Nederland zou wonen.
     Bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) is de werking van deze verordening uitgebreid tot staten die deel uitmaken van de EER. Daarnaast zijn in enkele verdragen inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en andere staten zijn afgesloten soortgelijke regelingen opgenomen. Dit is onder meer het geval in het tussen Nederland en Canada gesloten Verdrag inzake sociale zekerheid van 26 februari 1987 (Trb. 1987, nr. 66: artikel VIII) en het tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika gesloten Verdrag inzake sociale zekerheid van 8 december 1987 (Trb. 1987, nr. 202: artikel 9, derde lid, en artikel 12, derde lid, jo. artikel 13).
     Kort samengevat betekent het voorgaande dat verzekerden en kinderen voor wie een gelijkstelling van woonplaats geldt op grond van bovengenoemde internationale regelingen, onder de werking van artikel 3 en 4 van dit besluit vallen, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, b of d.
     Verzekerden en kinderen die niet onder n van deze internationale regelingen vallen, vallen onder de werking van artikel 5 van dit besluit.

     Ten aanzien van kinderen waarbij een bijdrage in het onderhoud door een derde wordt geleverd, moet gedacht worden aan kinderen die in een gesubsidieerd internaat verblijven of gehandicapte kinderen die in een AWBZ-inrichting verblijven.
     In dit verband zij echter nog gewezen op artikel 6 en 7. In deze artikelen wordt deels afgeweken van het bepaalde in artikel 5.
     Artikel 6 betreft een afwijking ten behoeve van kinderen jonger dan 16 jaar en artikel 7 ten behoeve van kinderen die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit al in verband met ziekten of gebreken elders verblijven.

     Ten slotte zij nog opgemerkt dat het voor de verzekerde die een kind onderhoudt als bedoeld in het eerste lid van artikel 5 niet altijd tot uitbetaling van de kinderbijslag komt. Dit is afhankelijk van het bepaalde bij of krachtens artikel 18 van de AKW.
     Indien het bij of krachtens artikel 18 van de AKW niet tot uitbetaling van de kinderbijslag komt, telt het betreffende kind wel mee voor de bepaling van de gezinsgrootte van de verzekerde. Dit kan van belang zijn wanneer een verzekerde, na echtscheiding, een nieuw gezin is gaan vormen en hierin kinderen onderhoudt als bedoeld in de artikelen 3 en 4.

 

Artikel 6

     In beginsel geldt voor kinderen jonger dan 16 jaar het verzorgingsbeginsel. Zij worden geacht te worden onderhouden door degene bij wie ze verblijven. Het komt echter voor dat deze kinderen wegens onderwijs of in verband met ziekten en gebreken niet bij een verzekerde (kunnen) verblijven. Veelal zal de verzekerde dan meer dan gemiddelde onderhoudskosten aan deze kinderen hebben. In deze situatie is artikel 6 van toepassing. Afhankelijk van de inkomsten van het kind en de bijdrage van de verzekerde in de onderhoudskosten kan een verzekerde een hier bedoeld kind grotendeels of in belangrijke mate onderhouden.

     Voor de duidelijkheid wordt hier nog opgemerkt dat artikel 6 niet bedoeld is voor kinderen jonger dan 16 jaar (in echtscheidingssituaties) die in verband met onderwijs of ziekten van de ene verzekerde naar de andere verzekerde verhuizen. In deze situaties zal tussen de verzekerden een rolwisseling plaatsvinden ten aanzien van de op hen van toepassing zijnde bepalingen van dit besluit. De verzekerde van waaruit het kind verhuist en die voorheen recht had op basis van artikel 3, onderdeel a, heeft nu aanspraak op basis van artikel 5. Voor de verzekerde waarbij het kind tot het huishouden gaat behoren geldt het omgekeerde.

 

Artikel 7

     In dit artikel is een overgangsregeling getroffen ten behoeve van gehandicapte kinderen die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit al in een inrichting verblijven. Om te voorkomen dat de verzekerde, als gevolg van de nieuwe onderhoudsvoorwaarden die in dit besluit zijn opgenomen, van de n op de andere dag een veel hogere bijdrage in het onderhoud moet leveren dan dat voorheen het geval was, wil hij voor tweevoudige kinderbijslag (onderhoud grotendeels) in aanmerking komen, is voor deze groep kinderen de tot nog toe geldende, lagere, onderhoudsbijdrage gehandhaafd.
     Indien het kind na 1 oktober 1995 uit de inrichting wordt ontslagen en enige tijd later daar weer in wordt opgenomen, gelden voor deze nieuwe opname wel de nieuwe (hogere) onderhoudsbijdragen.

 

Artikel 8

     Uit artikel 3 en 4, maar ook uit artikel 5 kan voortvloeien dat een bepaalde verzekerde een kind zowel in belangrijke mate als grotendeels onderhoudt. Om te voorkomen dat deze verzekerde op grond van beide titels aanspraak kan maken op kinderbijslag, wordt in artikel 8 bepaald dat in dergelijke situaties de meest gunstige, het onderhoud grotendeels, voor gaat.

 

Artikel 9

     Gelet op met name artikel 3 en 4 versus artikel 5 kan het voorkomen dat twee verzekerden in eenzelfde tijdvak eenzelfde kind grotendeels onderhouden. Om te voorkomen dat hierdoor extra uitgaven (namelijk tweemaal recht op een hogere kinderbijslag) ontstaan, is in artikel 9 bepaald dat de verzekerde die in dat geval feitelijk de hoogste bijdrage in het onderhoud levert het kind grotendeels en de andere het kind in belangrijke mate onderhoudt.

 

Artikel 10

     Zoals onder punt 2.2 in het algemeen gedeelte van de toelichting al is besproken, zijn de in dit besluit genoemde bedragen tot stand gekomen aan de hand van de tot op dit moment vastgestelde onderhoudsbijdragen en de hoogte van het collegegeld vastgesteld op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek over het studiejaar 1995/1996.
     De in dit besluit genoemde bedragen zullen bij ministerile regeling, indien de ontwikkeling van de kinderbijslagbedragen of de hoogte van het collegegeld daartoe aanleiding geven, jaarlijks per 1 oktober worden aangepast. De nieuw vastgestelde bedragen zullen in de Staatscourant bekend worden gemaakt.

 

Artikel 11

     Afhankelijk van artikel 18 van de AKW en het daarop gebaseerde Samenloopbesluit kinderbijslag wordt de kinderbijslag aan een verzekerde betaald.
     Ten aanzien van co-ouderschap, de situatie dat op basis van een overeenkomst tussen twee verzekerden een kind overwegend in gelijke mate door twee verzekerden wordt verzorgd en onderhouden, is op dit moment nog geen regeling getroffen, terwijl daar in de praktijk behoefte aan blijkt te bestaan. Die behoefte bestaat met name ingeval de verzekerden geen overeenkomst hebben gesloten of hebben kunnen sluiten inzake de uitbetaling van de kinderbijslag. Artikel 11 voorziet daarom, door middel van het toevoegen van een nieuw artikel 5a aan het Samenloopbesluit kinderbijslag, in een dergelijke regeling. Net als in andere situaties wordt ten aanzien van eenzelfde kind het recht op kinderbijslag maar eenmaal uitbetaald. Artikel 5a bepaalt in verband met co-ouderschap dat het recht op kinderbijslag waarop n van de verzekerde personen ten aanzien van een bepaald kind recht heeft, tenzij partijen anders hebben afgesproken, gelijkelijk verdeeld over beide verzekerden wordt uitbetaald, terwijl het recht waarop de andere verzekerde recht heeft niet wordt uitbetaald.

 

Artikel 12

     Dit artikel voorziet in het intrekken van een aantal ministerile regelingen die, gelet op de inhoud van dit besluit kunnen komen te vervallen.

 

Artikel 13

     Gelet op het feit dat de Wet van 26 april 1995, zoals onder punt 1 in het algemeen gedeelte van deze toelichting al is besproken, met ingang van 1 oktober 1995 in werking treedt, zal ook dit besluit met ingang van deze datum in werking moeten treden.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

 

 

 

BIJLAGE

 

 
Tot het huishouden van de verzekerde behorend kind:

Leeftijd In belangrijke mate Grotendeels
Jonger dan
16 jaar:
verzorgingsbeginsel
van toepassing
n.v.t.
16 en 17 jaar: inkomen <2219,-
bijdrage >728,-
n.v.t.

 

Niet tot het huishouden van de verzekerde behorend kind:

Leeftijd In belangrijke mate Grotendeels
Jonger dan
16 jaar:
inkomen <3142,-
bijdrage >728,-
inkomen <1935,-
bijdrage >1935,-*
16 en 17 jaar: inkomen <3142,-
bijdrage >728,-
inkomen <1935,-
bijdrage >1935,-*

* Voor gehandicapte kinderen die al sedert een datum gelegen vr 1 oktober 1995 in een inrichting verblijven, geldt een onderhoudsbijdrage van ten minste 1456,- per kwartaal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x