Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  NABESTAANDENWET

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1994-1995, 24 169

Regeling van een verzekering voor nabestaanden (Algemene nabestaandenwet)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Ontwikkelingen in het verleden
2.1 Het tot stand komen van de AWW
2.2 De adviesaanvraag aan SER, ER en Raad voor het Jeugdbeleid van 16 juli 1987
2.3 Advies van de SER
2.4 Advies van de ER
2.5 Het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet
3 Achtergrond en hoofdlijnen van de wet
4 Uitwerking van de belangrijkste onderdelen van de wet
4.1 Rechthebbenden
4.2 Inkomensafhankelijkheid en het inkomensbegrip
4.3 Pseudo-weduwen
4.4 Einde van de uitkering
4.5 Wezenuitkering
4.6 Hoogte van de uitkering
4.7 Geen tijdelijke gewenningsuitkering
4.8 Halfwezen
5 Overgangsrecht
6 Internationale aspecten
7 Het regresrecht
7.1 Voorgeschiedenis
7.2 Opvattingen adviesorganen
7.3 Inhoud voorstellen
8 Gevolgen voor de aanvullende nabestaandenpensioenen
8.1 De particuliere sector
8.2 De overheidssector
9 FinanciŽle consequenties en inkomenseffecten
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 3 t/m 97

 
 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Het laatste decennium is algemeen de noodzaak gevoeld om de Algemene Weduwen- en Wezenwet te wijzigen. Deze wet uit 1959 paste bij de toenmalige maatschappelijke constellatie van een duidelijke arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen, maar schiet thans op een groot aantal punten tekort.

     De AWW geeft een uitkering aan nabestaanden alhoewel die vaak niet in behoeftige omstandigheden zijn. Dit komt enerzijds omdat weduwen anders dan ten tijde van het in werking treden van de AWW vaak aan het arbeidsproces deelnemen en anderzijds omdat ook weduwnaars met een baan een uitkering krijgen. Dit strookt niet met het karakter van de AWW als volksverzekering gebaseerd op het behoefteprincipe. Dit gegeven gecombineerd met de behoefte om de collectieve lasten te verlagen, leidt ertoe dat een nabestaandenwet die een inkomensafhankelijke uitkering verstrekt de voorkeur verdient. Daarnaast heeft het kabinet zich beraden over de vraag welke groepen nabestaanden onder de bescherming van de wet zouden moeten vallen en welke groepen zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien dan wel zich particulier kunnen verzekeren voor het overlijdensrisico.
     De regering stelt voor een nabestaandenverzekering te handhaven waarin aan een beperkte groep nabestaanden waarvan niet kan worden verwacht dat zij door middel van arbeid in hun onderhoud voorzien, recht op uitkering wordt gegeven. Op die manier wordt de solidariteit tussen burgers via een volksverzekering optimaal vormgegeven.

     Bovenstaande overwegingen leiden tot het voorstel voor een nieuwe nabestaandenwet die recht geeft op uitkering aan nabestaanden met kinderen onder de 18 jaar, arbeidsongeschikte nabestaanden en nabestaanden geboren vůůr 1945 waarvan in zijn algemeenheid gezien hun arbeidsverleden geen arbeidsparticipatie verwacht kan worden. De uitkering die op grond van deze wet verstrekt wordt, is inkomensafhankelijk, waarbij een gedeelte van het inkomen uit arbeid wordt vrijgelaten.

     rblz.|2| Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd.
     In hoofdstuk 2 wordt het ontstaan van de AWW geschetst en de in het verleden voorgenomen wijzigingen daarvan, waaronder het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet.
     In hoofdstuk 3 worden de achtergrond en de hoofdlijnen van de nieuwe nabestaandenwet geschetst.
     In hoofdstuk 4 worden de belangrijkste onderdelen van het wetsvoorstel verder uitgewerkt.
     In hoofdstuk 5 wordt het overgangsrecht met betrekking tot nabestaanden met een AWW-uitkering beschreven.
     In hoofdstuk 6 komen de internationale aspecten aan de orde, te weten de relevante IAO-verdragen [Internationale Arbeidsorganisatie, red.] en de Europese Code met Protocol.
     In hoofdstuk 7 wordt de regeling voor het regresrecht toegelicht.
     In hoofdstuk 8 worden de gevolgen voor de aanvullende nabestaandenpensioenen beschreven.
     In hoofdstuk 9 worden de financiŽle effecten van de nieuwe wet gepresenteerd.

 

2. Ontwikkelingen in het verleden


2.1. Het tot stand komen van de AWW


     De eerste wettelijke regeling waarbij in de vorm van een verplichte sociale verzekering een voorziening voor weduwen en wezen was getroffen, was de Ongevallenwet 1901. Deze wet voorzag in een rente voor de weduwe en wees van een als gevolg van een bedrijfsongeval overleden, verzekerde arbeider wanneer deze in een nader aangewezen industrieel bedrijf had gewerkt. Ook de inmiddels in liquidatie zijnde Invaliditeitswet (1919) kende aan weduwen en wezen een rente toe.
     De renten ingevolge de ongevallenwetten en de Invaliditeitswet lagen niet op het peil dat voldoende kon worden geacht om de weduwen en wezen in staat te stellen in het noodzakelijk levensonderhoud te voorzien. Bovendien bleef de ontwikkeling van privaatrechtelijke voorzieningen voor het overlijdensrisico achter. Daarnaast was de kring van verzekerden tot loontrekkenden beperkt. De roep om een wettelijke, meer adequate regeling werd daarom steeds groter.

     Na de Tweede wereldoorlog werd de zogenaamde gemengde commissie-Van Rhijn ingesteld om te adviseren over voorzieningen voor weduwen. Deze commissie was van mening dat aan het recht op weduwenpensioen de beperkende voorwaarde verbonden moest worden dat de vrouw op de dag van overlijden van haar echtgenoot een bepaalde leeftijd - bijvoorbeeld 45 of 50 jaar - zou moeten hebben bereikt, dan wel blijvend invalide zou moeten zijn of ťťn of meer kinderen beneden een bepaalde leeftijd zou moeten hebben. De commissie was namelijk van mening dat de overige weduwen in het algemeen nog wel in het arbeidsproces een plaats zouden kunnen vinden om dan door eigen werkzaamheid inkomsten te verwerven.
     De SER [Sociaal-Economische Raad, red.] sloot zich in 1957 in zijn advies over een algemene weduwen- en wezenverzekering in hoofdlijnen aan bij de voorstellen van de commissie-Van Rhijn.
     De toenmalige regering onderschreef de stelling van de SER dat in veel situaties weduwen en wezen in geval van vroegtijdig overlijden van de kostwinner onverzorgd of onvoldoende verzorgd achterbleven. Het besef van persoonlijke verantwoordelijkheid in deze had in 1959 nog niet tot tastbare resultaten geleid. De regering achtte het de taak van de sociale verzekering om voorzieningen te treffen voor degenen die tengevolge van bepaalde omstandigheden in materiŽle nood geraken. Hiervan was echter geen sprake indien na het overlijden van de echtgenoot de weduwe
rblz.|3| in staat geacht moet worden door eigen arbeid in haar onderhoud te voorzien.
     Bij de vertaling van de algemene doelstellingen in een concreet recht op weduwenpensioen nam de regering de toelatingsvoorwaarden zoals door de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x