Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene Ouderdomswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2010

 

INKOMENSBESLUIT  AOW  1996

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2011
(art. 5:7:1d Ivsv)

 
 

26 juni 1996, Stcrt. 1996, 122
Inwerkingtreding: 1 juli 1996
(T.a.v. art. 10:4 AOW)

 

 

 

 
26 juni 1996/nr. SV/VP/96/2459
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikel 10, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet;

     Besluit:

 

 

ß 1.  Begripsbepalingen

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Ouderdomswet;
b. een loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede een uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, alsmede een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg met uitzondering van een uitkering aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, tweede lid, van die wet;
c. een stamrecht: een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

 

 

ß 2.  Inkomen uit arbeid

 

Art. 2.
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 11 van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.

 

Art. 3.
-1. Onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover deze arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde ťťn of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een loondervingsuitkering;
c. een aanvulling op een loondervingsuitkering;
d. vakantie-uitkering.
-3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b en c, worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, tweede lid, van die wet, en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, alsmede aanvullingen op die uitkeringen, als opbrengst van arbeid beschouwd.

 

Art. 4.
-1. Onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover deze arbeid in dienstbetrekking wordt verricht doch niet door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen, verstaan de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.
-2. Ten aanzien van de gelden en alle andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een uitkering die naar aard en strekking met een loondervingsuitkering overeenkomt;
b. een aanvulling daarop;
c. vakantie-uitkering.
-4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a en b, worden, voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen ter zake van werkloosheid alsmede aanvullingen daarop als opbrengst van arbeid beschouwd.

 

Art. 5.
-1. Onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover deze arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van die wet.
-2. Het bij of krachtens artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde is met betrekking tot het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor zover over de opbrengst van arbeid, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiŽnt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

 

Art. 5a. Vervallen.

 

Art. 6.
-1. Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.
-3. Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien de pensioengerechtigde en zijn echtgenoot samenwerken in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep en de echtgenoot dan wel de pensioengerechtigde geen vergoeding ontvangt ter zake van de in de onderneming verrichte arbeid, wordt ter vaststelling van het deel van de met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid berekende winst dat de echtgenoot toekomt, de winst vermenigvuldigd met de factor a/b, waarbij:
a. het loon voorstelt van de werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de echtgenoot; en
b. de som voorstelt van het onder a bedoelde loon en het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de pensioengerechtigde.

 

 

ß 3.  Inkomen in verband met arbeid

 

Art. 7.
-1. Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 11 van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. een loondervingsuitkering alsmede uitkeringen die naar aard en strekking daarmee overeenkomen, met uitzondering van de uitkeringen die op grond van artikel 3, derde lid, en artikel 4, vierde lid, als opbrengst van arbeid worden beschouwd;
b. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen die ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
c. een uitkering op grond van een pensioenregeling, voor zover niet begrepen onder a;
d. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
e. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen;
f. loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten, voor zover niet begrepen onder a, b, c, d, e, j en k;
g. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 alsmede een beurs die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
h. een bedrijfsbeŽindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf;
i. een maandelijkse bedrijfsbeŽindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw;
j. een uitkering ingevolge de wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba, een volkenrechtelijke organisatie of ťťn of meer andere mogendheden, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in dit lid, voor zover niet al begrepen onder a, of met een nabestaandenuitkering, met uitzondering van een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
k. het bedrag van de uitkering, bedoeld in onderdeel j, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan;
l. een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde ťťn of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover deze niet worden gedekt door stortingen van degene die het desbetreffende inkomen geniet;
b. een eenmalige uitkering die na beŽindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beŽindiging wordt betaald;
c. het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering is verhoogd met toepassing van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 53 of 63 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een combinatie van deze artikelen;
d. vakantie-uitkering over de in het eerste lid genoemde inkomensbestanddelen;
e. een vakantiebon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder d;
f. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder die niet als werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt beschouwd;
g. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beŽindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beŽindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.
-4.
Voor zover over een inkomen als genoemd in het eerste lid geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
-5. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid gekort of geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de toepassing van dit besluit als inkomen beschouwd de uitkering zonder deze korting of weigering.

 

 

ß 4.  Bepaling van het inkomen

 

Art. 8.
-1. Het inkomen uit of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven wordt vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de maand gesteld op 21,75 dagen.
-3. Bij per maand wisselende inkomsten kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per maand worden bepaald, waarna per periode van zes maanden een herberekening plaatsvindt.

 

Art. 9.
-1. De bij de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijke omrekening in euro van het niet in euro uitgedrukte inkomen uit of in verband met arbeid geschiedt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beÔnvloedt het op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:
1ļ. bij wijziging van het inkomen uit of in verband met arbeid, anders dan tengevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
2ļ. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.

 

Art. 10.
Indien de toepassing van dit besluit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, bepaalt de Sociale verzekeringsbank het inkomen op andere wijze.

 

Art. 11. Vervallen.

 

 

ß 5.  Slotbepalingen

 

Art. 12.
Het Inkomensbesluit AOW wordt ingetrokken.

 

Art. 13.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1996.

 

Art. 14.
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit AOW 1996.

 

 

ís-Gravenhage, 26 juni 1996.
De Staatssecretaris voornoemd,
R.L.O. Linschoten.

 

 

 

TOELICHTING
[26 juni 1996]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Met ingang van 1 juli 1996 wordt voor de bepaling van de hoogte van de AOW-toeslag het inkomen in verband met arbeid van de partner van de pensioengerechtigde niet meer vrijgelaten. Dit noodzaakte tot een wijziging van het Inkomensbesluit AOW, omdat in het tot die datum vigerende Inkomensbesluit AOW geen onderscheid werd gemaakt tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid. Het onderscheid tussen beide soorten inkomens is van belang omdat van het inkomen uit arbeid een deel, namelijk 15% van het brutominimumloon en een derde van het meerdere, wordt vrijgelaten, terwijl van het inkomen in verband met arbeid niet een deel wordt vrijgelaten. Overigens geldt de nieuwe bepaling over de vrijlating alleen voor echtgenoten van personen die 65 jaar worden vanaf 1 juli 1996.
     Ook op enkele andere punten was een aanpassing van het Inkomensbesluit nodig. Om die reden is besloten het gehele oude Inkomensbesluit AOW (Stcrt. 1988, 64) in te trekken en te vervangen door het onderhavige Inkomensbesluit AOW 1996. In grote lijnen en afgezien van bovenstaande hebben beide inkomensbesluiten dezelfde strekking. Aan het eind van het algemene deel van deze toelichting worden de belangrijkste verschillen tussen beide inkomensbesluiten beschreven.
     Bij de opstelling van dit besluit is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het Inkomensbesluit Toeslagenwet en het Inkomensbesluit Anw [zie Inkomens- en samenloopbesluit Anw, red.]. Uitgangspunt is dat het totale nettogezinsinkomen, dus het inkomen uit of in verband met arbeid en AOW-uitkering met toeslag, steeds ten minste op het niveau van het sociaal minimum is.
     Tot het inkomen worden niet gerekend het vermogen of de inkomsten uit vermogen en niet een particulier afgesloten verzekering. In deze beperktere invulling van het inkomensbegrip onderscheidt het inkomensbegrip in de AOW zich van de middelentoets in de Algemene bijstandswet.
     In de artikelen 2 tot en met 6 wordt aangegeven wat verstaan wordt onder inkomen uit arbeid. Op dit inkomen is de vrijlating zoals geregeld in artikel 11 van de wet van toepassing.
     In artikel 7 wordt aangegeven wat als inkomen in verband met arbeid moet worden beschouwd.
     Paragraaf 4 (artikelen 8 tot en met 11) gaat over de bepaling van het inkomen. Artikel 8 geeft aan hoe het inkomen moet worden herleid tot een inkomen per maand en hoe moet worden omgegaan met per maand wisselende inkomsten. In artikel 9 wordt bepaald hoe inkomen dat is uitgedrukt in een buitenlandse munteenheid, moet worden omgerekend in de Nederlandse munteenheid. In artikel 10 wordt bepaald dat de Sociale Verzekeringsbank in bepaalde gevallen tot een andere inkomensvaststelling kan komen.
     Artikel 11 geeft aan hoe moet worden omgegaan met de overhevelingstoeslag.
     In het algemeen kan het volgende gesteld worden over het onderscheid tussen inkomen uit en inkomen in verband met arbeid. Voor personen die in dienstbetrekking werkzaam zijn (al dan niet in de zin van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV)) of een daarmee te vergelijken arbeidsverhouding hebben, dient al hetgeen uit die dienstbetrekking genoten wordt als opbrengst van arbeid te worden aangemerkt. Als inkomen in verband met arbeid dient te worden aangemerkt al het inkomen dat wordt genoten uit of is gerelateerd aan die dienstbetrekking, nadat de dienstbetrekking is geŽindigd. Hierbij kan gedacht worden aan loondervingsuitkeringen op grond van de wettelijke verplichte werknemersverzekeringen, VUT-uitkeringen, pensioenen, aanvullingen op loondervingsuitkeringen, enzovoort. Een loondervingsuitkering die wordt verstrekt tijdens het bestaan van de dienstbetrekking zoals een Ziektewetuitkering, wordt gezien als inkomen uit arbeid. Een eenmalige uitkering die na afloop van de dienstbetrekking aan de werknemer wordt betaald, wordt niet als inkomen in de zin van dit besluit beschouwd.
     Voor personen die werkzaam zijn in het kader van bedrijf of zelfstandig uitgeoefend beroep wordt als inkomen uit arbeid aangemerkt de winst. Inkomen in verband met arbeid voor deze categorie wordt gevormd door uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid (echter niet op grond van een particulier afgesloten verzekering) en periodieke uitkeringen in verband met bedrijfsbeŽindiging.
     Dit inkomensbesluit wijkt op de volgende punten af van het oude inkomensbesluit.
     Het belangrijkste verschil is, zoals hierboven al is aangegeven, dat in dit besluit onderscheid wordt gemaakt tussen inkomen uit en inkomen in verband met arbeid. Dit heeft gevolgen voor de artikelen 3, 4 en 5 van het oude besluit waarin inkomen uit arbeid wordt gedefinieerd. In de corresponderende artikelen 3, 4 en 5 van dit besluit wordt thans aangegeven wat in afwijking van deze artikelen als inkomen in verband met arbeid of niet als inkomen in de zin van dit besluit wordt beschouwd.
     Artikel 6 van dit besluit dat betrekking heeft op winst uit bedrijf of zelfstandig uitgeoefend beroep, komt overeen met artikel 7 van het oude besluit. Een inhoudelijk verschil tussen deze artikelen is (evenals dat het geval is bij artikel 5, derde lid, van het nieuwe besluit; zie de toelichting aldaar) dat het inkomen slechts voor een deel (100/108) in aanmerking wordt genomen.
     Artikel 7 van dit besluit (inkomen in verband met arbeid) komt grotendeels overeen met artikel 6 van het oude besluit. Nieuw is het vierde lid en het vijfde lid. In dit laatste wordt bepaald dat indien een uitkering wordt gekort of geweigerd op grond van een boete of maatregel, bij de vaststelling van de toeslag gerekend wordt met de ongekorte uitkering. Nieuw is in artikel 8 over de bepaling van het inkomen dat om uitvoeringstechnische redenen bij wisselende inkomsten gewerkt kan worden met een geschat gemiddeld inkomen per maand. Artikel 9 komt in hoofdlijnen overeen met artikel 8a van het oude besluit. Artikel 10 is nieuw; het betreft een bepaling die de Sociale Verzekeringsbank de bevoegdheid geeft om in uitzonderlijke gevallen bij een kennelijk onredelijk resultaat het inkomen anders vast te stellen. Dit artikel komt overeen met een betreffend artikel in het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.
     Artikel 9 van het oude besluit kon vervallen. Artikel 9a van het oude besluit komt overeen met artikel 11 van het nieuwe besluit.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 2

     Dit artikel geeft een globale aanduiding van al hetgeen onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven moet worden verstaan. Het gaat om enerzijds opbrengst van arbeid (arbeid al dan niet in dienstbetrekking) en anderzijds winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.

 

Artikel 3. Personen werkzaam in dienstbetrekking in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV)

     In het eerste lid wordt bepaald wat de opbrengst van arbeid is voor personen werkzaam in dienstbetrekking in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Aansluiting is conform het Inkomensbesluit Toeslagenwet en het Inkomens- en samenloopbesluit Anw gezocht bij het loonbegrip in de CSV. Indien de bedrijfsvereniging [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en uitvoeringsinstellingen, red.] de loonbetalingsverplichting op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet overneemt, is er eveneens sprake van loon.
     In het tweede lid wordt een aantal inkomensbestanddelen die wel als loon in de zin van de CSV worden beschouwd, uitgezonderd van het begrip inkomen uit arbeid (onderdeel b en c) dan wel van het inkomensbegrip in de zin van dit besluit (onderdeel a en d).
     Onderdeel a. Een aanspraak, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de CSV, om na verloop van tijd of onder een voorwaarde ťťn of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, wordt niet als loon beschouwd. Indien een dergelijke aanspraak tot het loon zou worden gerekend, zou de AOW-uitkering inclusief toeslag onvoldoende zijn om het relevante sociaal minimum te garanderen.
     Onderdelen b en c. Sinds de invoering van de Wet premieheffing over uitkeringen worden ZW-, WW- en WAO-uitkeringen, al dan niet vermeerderd met aanvullingen, beschouwd als loon. In het kader van dit besluit moeten deze uitkeringen echter als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd (waarop geen vrijlating van toepassing is). Om die reden wordt in de onderdelen b en c bepaald dat deze inkomensbestanddelen niet als loon worden beschouwd.
     Een uitzondering op de onderdelen b en c staat in het derde lid. Dit heeft betrekking op het geval dat deze uitkeringen worden verstrekt terwijl het dienstverband voortduurt.
     Onderdeel d. Voor de bepaling van de hoogte van de AOW-toeslag dient de vakantie-uitkering (wat loon in de zin van de CSV is) buiten beschouwing te blijven. De reden hiervoor is de volgende.
     Voor de bepaling van de hoogte van de vakantie-uitkering over de toeslag is artikel 29 van de wet van belang. Hierin wordt bepaald dat als de toeslag met toepassing van artikel 10 van de wet wordt verminderd, op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering wordt toegepast.
     Door het bepaalde in dit onderdeel d wordt nu voorkomen dat de vakantie-uitkering als bedoeld in dit onderdeel ook betrokken zou worden bij de korting van de toeslag zelf. Dit zou ertoe leiden dat de AOW-gerechtigde niet het sociaal minimum zou ontvangen.
     Het derde lid regelt een afwijking van het tweede lid. Dit tweede lid bepaalt dat een Ziektewetuitkering en een werkloosheidsuitkering en de eventuele aanvullingen daarop, in beginsel als inkomen in verband met arbeid beschouwd worden. Indien deze uitkeringen echter worden verstrekt terwijl de dienstbetrekking nog voortduurt, worden zij beschouwd als inkomen uit arbeid. De uitkeringen worden dan dus gelijkgesteld aan het loon. Dit is van belang voor de vrijlating. Hierdoor wordt bereikt dat bij ziekteverzuim bij een dienstbetrekking en bij werkloosheid bij een dienstbetrekking (bijvoorbeeld in geval van buitengewone natuurlijke omstandigheden) er geen terugval in inkomen optreedt.

 

Artikel 4. Personen werkzaam in dienstbetrekking, maar niet in de zin van de CSV

     Dit artikel bepaalt wat de opbrengst van arbeid is van degene die wel in dienstbetrekking werkzaam is, maar niet in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de CSV. Het betreft ambtenaren, militairen en huispersoneel. Teneinde te bereiken dat de gelden en alle andere voordelen die uit die dienstbetrekking zijn genoten, op dezelfde wijze worden gewaardeerd als de voordelen genoten uit een dienstbetrekking in de zin van de CSV, wordt in het tweede lid van dit artikel geregeld dat het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 8 van de CSV van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.
     In het derde lid is op grond van dezelfde overwegingen als bij artikel 3, tweede lid, onderdeel b, c en d, bepaald dat een met een loondervingsuitkering overeenkomende uitkering en de vakantie-uitkering niet worden beschouwd als opbrengst van arbeid. Een overeenkomende uitkering is inkomen in verband met arbeid waarop de vrijlating niet van toepassing is. Een uitzondering hierop staat in het vierde lid: zolang de dienstbetrekking voortduurt, wordt de werkloosheidsuitkering beschouwd als opbrengst van arbeid waarop de vrijlating wel van toepassing is.
     De vakantie-uitkering is geen inkomen in de zin van dit besluit.
     De hier bedoelde uitkeringen zijn onder meer: de WAO-conforme uitkering, het bovenwettelijk invaliditeitspensioen, het invaliditeitspensioen voor militairen, het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966, andere werkloosheids- en ontslaguitkeringsregelingen en de suppletie.

 

Artikel 5. Personen niet werkzaam in dienstbetrekking

     In dit artikel wordt het inkomen uit arbeid bepaald van degenen die niet in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn en waarvan geen sprake is van arbeid als zelfstandige. Het betreft personen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken, terwijl hun arbeidsverhouding ook niet ingevolge de loondervingsverzekeringswetten met een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking is gelijkgesteld.
     Zij verrichten arbeid in het economisch verkeer, waarmee het behalen van enig voordeel wordt beoogd, zonder dat er sprake is van hetzij een dienstbetrekking, hetzij een onderneming. In dit verband moet bijvoorbeeld gedacht worden aan thuiswerkers die per week doorgaans minder dan twee vijfde van het minimumloon verdienen, aan huishoudelijke hulpen die wekelijks doorgaans op minder dan drie dagen in een bepaald huishouden werken of aan politieke ambtsdragers.
     Het derde lid is van belang voor die personen, bedoeld in het eerste lid, die over hun arbeidsinkomen geen recht op vakantiebijslag hebben. Het totale gezinsinkomen per maand (inkomen en AOW-uitkering met toeslag) is op het niveau van het sociaal minimum, maar het totale inkomen per jaar inclusief vakantiegeld is dat niet, omdat over de AOW-uitkering en toeslag wel vakantietoeslag wordt verleend, maar over de andere inkomsten niet. Door het hier bedoelde arbeidsinkomen slechts voor een deel (100/108) in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat het totale inkomen op jaarbasis lager is dan het sociaal minimum.

 

Artikel 6. Winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep

     Artikel 6 verduidelijkt wat is gesteld bij artikel 2, onderdeel b, namelijk winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep. Een inkomstenbron die reeds als opbrengst van arbeid, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van dit besluit, of als inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 7, is aangemerkt, kan niet ook onder het winstbegrip begrepen worden.
     In het eerste lid is bepaald wat onder winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep dient te worden verstaan. Dit winstbegrip is overgenomen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [zie Wet inkomstenbelasting 2001, red.], komt overeen met het in die wet gehanteerde begrip winst uit onderneming en dient dan ook overeenkomstig te worden uitgelegd. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt eerst aangegeven waaruit gedurende het bestaan van een onderneming de winst bestaat (het zgn. "totale-winstbegrip" van artikel 7) en vervolgens hoe de winst moet worden toegerekend aan de respectieve kalenderjaren (het zgn. "jaarwinstbegrip" van de artikelen 9 en volgende). De "totale winst" is een ruim begrip: het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming. Hieronder vallen ook min of meer incidentele voordelen die uit de onderneming voortvloeien, zoals de winst behaald bij de verkoop van een bedrijfsauto. De winst wordt "nominalistisch" berekend, volgens het zgn. gulden-is-guldenstelsel, dat wil zeggen er wordt geen rekening gehouden met de waardeverandering die de munteenheid kan hebben ondergaan.
     De "jaarwinst" wordt bepaald volgens "goed koopmansgebruik", met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst en die slechts gewijzigd kan worden als goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Dit biedt de ondernemer de mogelijkheid zelf binnen zekere grenzen een bepaald systeem van jaarlijkse winstberekening te kiezen. Een systeem dat in overeenstemming is met de bedrijfseconomische theorie, is in het algemeen in overeenstemming met goed koopmansgebruik, tenzij het niet strookt met de belastingwet, de algemene opzet van de belastingwet casu quo een beginsel van de belastingwet. Op dit gebied is een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld.
     De bestendige gedragslijn houdt in dat een eenmaal gekozen systeem dat in overeenstemming is met goed koopmansgebruik niet zonder meer mag worden vervangen door een ander, ťťn en ander teneinde te voorkomen dat willekeur of uitsluitend fiscale motieven een rol zouden kunnen spelen.
     Teneinde uit de jaarlijkse winsten uiteindelijk de totale winst te kunnen berekenen, dient gedurende het bestaan van de onderneming de eindbalans van ieder jaar gelijk te zijn aan de beginbalans van het volgend jaar. Dit wordt het beginsel van de balanscontinuÔteit genoemd. De winst behaald met of bij het staken van een onderneming dan wel met of bij overdracht of liquidatie van een gedeelte van de onderneming, winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming en voorts voordelen uit onderneming die niet reeds op de voet van de artikelen 9 tot en met 15 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen als bedoeld in artikel 16 van die wet, vallen niet onder het winstbegrip voor de toepassing van de AOW.
     Voor een toelichting op het derde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5, derde lid.


Vierde lid

     Dit onderdeel regelt de verdeling van de winst over beide echtgenoten indien zij samen in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep werkzaam zijn.
     Een voorbeeld ter verduidelijking. De gezamenlijke winst van A en B over ťťn jaar is É60 000,-. De echtgenoot A werkt parttime en zou in dienstbetrekking É25. 000,- verdiend hebben, en de met pensioengerechtigde B vergelijkbare werknemer zou in dienstbetrekking É50 000,- verdiend hebben. Het aandeel van A in de winst is nu 25/75 x É60 000,- = É20 000,-.

 

Artikel 7. Inkomen in verband met arbeid

     In artikel 7 wordt aangegeven wat moet worden verstaan onder inkomen in verband met arbeid. In het eerste lid wordt een limitatieve opsomming van inkomensbestanddelen gegeven die volledig met de AOW-uitkering worden verrekend.
     Voor de volledigheid zij vermeld dat een toeslag op grond van de Toeslagenwet niet als inkomen in de zin van dit besluit wordt beschouwd. In het Inkomensbesluit Toeslagenwet wordt een AOW-uitkering en toeslag als inkomen in verband met arbeid aangeduid. De toeslag op de AOW-uitkering wordt gekort met de loondervingsuitkering; het totale gezinsinkomen is dan in ieder geval op minimumniveau, zodat een toeslag op grond van de Toeslagenwet niet toegekend zal worden.
     Afkoopsommen op grond van de Liquidatiewet invaliditeitswetten en de ongevallenwetten, en de eenmalige silicosevergoeding ingevolge het Reglement eenmalige silicosevergoeding oud-mijnwerkers zijn geen inkomen in de zin van dit besluit.


Onderdeel a

     In dit onderdeel wordt bepaald dat loondervingsuitkeringen als inkomen in verband met arbeid moeten worden beschouwd. Met de toevoeging "die naar aard en strekking daarmee overeenkomen" worden uitkeringen bedoeld op grond van de "oude" Werkloosheidswet, op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening voor zover die nog voorkomen, vergelijkbare uitkeringen voor overheidspersoneel en militairen (zie de voorbeelden bij de toelichting op artikel 4), vergelijkbare buitenlandse socialeverzekeringsuitkeringen, bovenwettelijke uitkeringen en aanvullingen op loondervingsuitkeringen.
     Zoals hierboven in de toelichting bij artikel 3 reeds is uiteengezet, worden een Ziektewetuitkering en een werkloosheidsuitkering, zolang de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die uitkeringen, als inkomen uit arbeid beschouwd, waarop de vrijlatingsregeling van toepassing is.


Onderdeel b

     Bij een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens inkomensderving, gesloten ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, gaat het om een uitkering die vergelijkbaar is met aanvullingen op loondervingsuitkeringen en bovenwettelijke uitkeringen. Uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten door zelfstandigen of door werknemers "los" van de arbeidsovereenkomst in de privťsfeer, worden niet als inkomen in de zin van dit besluit beschouwd.


Onderdeel c en derde lid

     In het derde lid is de definitie van een pensioenregeling gegeven. Het betreft een toezegging door de werkgever, een verplichtstelling of een vrijwillige voorziening of een vrijwillige voortzetting. In dit besluit gaat het om aanvullend ouderdomspensioen, invaliditeitspensioen en aanvullend nabestaandenpensioen of pensioen voortvloeiend uit pensioenverevening bij scheiding.


Onderdelen d en e

     Hierbij gaat het om uitkeringen op grond van vrijwillige en verplichte regelingen voor vervroegde uittreding. Deze uitkeringen en uitkeringen die daarmee naar aard en strekking overeenkomen, zijn inkomen in verband met arbeid.


Onderdeel f

     Onder loon uit vroegere dienstbetrekking van de echtgenoot worden alle voordelen verstaan die een werknemer uit vroegere dienstbetrekking geniet, zoals periodieke uitkeringen die voortvloeien uit een stamrecht dat als schadeloosstelling voor gederfd inkomen is toegekend, voor zover deze inkomensbestanddelen niet al op grond van de onderdelen a, b, c, d, e, j of k als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd. Het gaat alleen om loon uit vroegere dienstbetrekking van de jongere echtgenoot zelf en niet om dat van de AOW-gerechtigde.


Onderdeel g

     Het recht op studiefinanciering gaat voor op het recht op AOW-toeslag. Dit wordt geregeld in onderdeel g, waarin is aangegeven dat een beurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet op de studiefinanciering ten behoeve van studerenden van 18 jaar of ouder die volledig onderwijs volgen, alsmede beurzen die daarmee naar aard en strekking overeenkomen, als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.


Onderdelen h en i

     De hier genoemde bedrijfsbeŽindigingsvergoedingen worden als inkomen in verband met arbeid beschouwd, omdat zij het karakter van inkomensdervingsuitkeringen hebben.


Onderdelen j en k

     Deze onderdelen betreffen alle sociale wettelijke uitkeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba, een andere mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een aanspraak daarop in het geval men de uitkering niet daadwerkelijk ontvangt omdat daarvan is afgezien, inclusief de buitenlandse nabestaandenuitkeringen op grond van verplichte verzekering en met uitzondering van een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de AKW of de AWBZ.


Onderdeel q

     Onder een Anw-uitkering wordt verstaan een nabestaandenuitkering, een halfwezenuitkering of een wezenuitkering.
     Voor personen die vůůr inwerkingtreding van de Anw een AWW-uitkering genoten, kan het voorkomen dat zij terwijl zij een gezamenlijke huishouding voeren met een AOW-gerechtigde, op grond van het overgangsrecht toch recht op een nabestaandenuitkering hebben. Dit kan het geval zijn tot 1998 (als de gelijkstelling voor AWW-gerechtigden van toepassing wordt) en na 1998 (als de nabestaande is geboren vůůr 1941). Voor alle Anw-gerechtigden kan het gaan om een halfwezenuitkering of een wezenuitkering.


Tweede lid

     In het tweede lid wordt een opsomming gegeven van inkomensbestanddelen die geen inkomen in verband met arbeid zijn. Voor de volledigheid zij vermeld dat deze onderdelen ook geen inkomen uit arbeid zijn, zodat zij geen inkomen in de zin van dit besluit zijn.


Onderdeel a

     In het eerste lid van artikel 7 is via onderdeel f loon uit vroegere dienstbetrekking als inkomen in verband met arbeid aangeduid. Dit zou betekenen dat ook aanspraken die tot het loon uit vroegere dienstbetrekking behoren, tot het loon worden gerekend; wat ertoe zou kunnen leiden dat de toeslag onvoldoende is om het relevante sociaal minimum te garanderen. Daarom is bepaald dat dergelijke aanspraken (zoals bijvoorbeeld het werkgeversaandeel ten behoeve van de premieheffing voor de werknemersverzekeringen) niet tot inkomen in verband met arbeid worden gerekend.


Onderdeel b

     Een eenmalige uitkering die na beŽindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met de beŽindiging wordt betaald, wordt buiten beschouwing gelaten. Deze eenmalige uitkering moet wel ter vrije besteding van de werknemer komen.


Onderdeel c

     In dit geval gaat het om een verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met hulpbehoevendheid van de arbeidsongeschikte, waardoor oppassing en verzorging nodig is.


Onderdeel d

     Op grond van de overwegingen genoemd in de toelichting op artikel 3, tweede lid, onderdeel d, dienen ook vakantie-uitkeringen over inkomensbestanddelen die als inkomen in verband met arbeid beschouwd worden, niet in aanmerking te worden genomen.


Onderdeel e

     Bij een aantal bedrijfsverenigingen (met name de Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf en de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid) wordt een vakantiebon verstrekt naast de loondervingsuitkering. Op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, zou een dergelijke vakantiebon als inkomen in verband met arbeid moeten worden beschouwd. Aangezien de vakantiebon pas op een later tijdstip wordt verzilverd, zou dit ertoe kunnen leiden dat degene die een vakantiebon naast een loondervingsuitkering ontvangt, een totaalinkomen zou genieten dat minder bedraagt dan het relevante sociaal minimum. Om die reden wordt de vakantiebon niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd.


Onderdeel f

     Op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 oktober 1985 (RSV, 1986, 21) wordt de directeur-grootaandeelhouder niet als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen beschouwd indien de feitelijke gezagsverhouding ontbreekt. In het kader van dit besluit worden de arbeidsinkomsten van deze directeur-grootaandeelhouder beschouwd als inkomen uit arbeid uit een dienstbetrekking, doch niet in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de CSV. Dit betekent dat uitkeringen in geval van loonderving op grond van een (aanvullende) verzekering die door de vennootschap ten behoeve van deze directeur-grootaandeelhouder wordt afgesloten, als loon uit vroegere dienstbetrekking zouden moeten worden beschouwd. Het gaat hier om uitkeringen op grond van een vrijwillige verzekering ZW/WAO of op grond van een particuliere verzekering. In het kader van dit besluit worden deze inkomensbestanddelen buiten beschouwing gelaten. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat loondervingsuitkeringen zelf (met name AAW-uitkeringen) wel als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.
     Voor een toelichting op het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5, derde lid.
     Het vijfde lid heeft betrekking op de situatie dat een uitkering die als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd, gekort of geweigerd wordt op grond van een boete of maatregel. Zonder nadere regeling zou een lagere andere uitkering leiden tot een hogere (minder gekorte) toeslag. Dit is niet de bedoeling, omdat dan de gevolgen van de boete of maatregel tenietgedaan zouden worden. Een gekorte of geweigerde uitkering wordt daarom beschouwd als een ongekorte uitkering en als zodanig bij de korting betrokken.

 

Artikel 8. Bepaling van het inkomen per maand


Eerste lid

     In dit onderdeel wordt bepaald over welke periode het inkomen uit of in verband met arbeid in beschouwing wordt genomen. Hoofdregel is daarbij het tot een bedrag per maand herleidde inkomen dat de jongere echtgenoot die maand verdient.


Derde lid

     In geval van wisselende inkomsten die leiden tot een per maand andere toeslag of periodieke betalingen (bijvoorbeeld eenmaal per kwartaal), is het niet zinvol per maand een voorschot te betalen en vervolgens iedere maand tot een beschikking met betrekking tot de afrekening te komen. Dit zou namelijk tot een verhoging van de werklast bij de SVB leiden, terwijl de inzichtelijkheid van de uitkeringsbedragen voor de uitkeringsgerechtigde evenredig afneemt.
     Om deze redenen is daarom bepaald dat (binnen de algemene systematiek van uitbetaling per maand van de uitkering) in bepaalde gevallen de uitkeringsgerechtigde zelf een schatting maakt van de inkomsten in de komende periode van zes maanden. Op basis van deze schatting wordt de uitkering berekend en uitbetaald. Vervolgens wordt ieder halfjaar de uitkering over de afgelopen maanden herberekend en in ťťn keer verrekend.

 

Artikel 9

     Deze bepalingen zijn conform die in de andere inkomensbesluiten in de sociale zekerheid en behoeven dus geen toelichting. Om uitvoeringstechnische redenen is bepaald dat bij gelijkblijvend inkomen uit het buitenland de toeslag ťťn keer per jaar herberekend wordt op grond van koersverschillen. In bijzondere gevallen kan de Sociale Verzekeringsbank dit ook vaker doen.

 

Artikel 10

     Bij een kennelijk onredelijk resultaat kan aan de volgende situaties gedacht worden. De Sociale Verzekeringsbank kan tot een andere inkomensvaststelling komen als toepassing van het eerste lid van artikel 8, gelet op het tijdstip van verwerving van het inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. De Bank kan dan bepalen op welke periode het inkomensbestanddeel geacht wordt betrekking te hebben en hoe dit verdeeld moet worden over deze periode.
     Een tweede situatie doet zich voor als er ook sprake is van een buitenlandse inkomensafhankelijke uitkering. Het kan gaan om wederzijdse vermindering van uitkeringen of om het door verschillende staten in mindering brengen van eenzelfde inkomen op de verschillende uitkeringen. Dit artikel geeft de mogelijkheid dat de Sociale Verzekeringsbank in samenspraak met de buitenlandse uitkeringsinstanties tot een voor allen aanvaarde berekeningswijze komt, in gevallen dat hierin niet in verdragen is voorzien.
     Een derde mogelijkheid waarin dit artikel kan voorzien is de volgende. Het kan gebeuren dat het nettogezinsinkomen van een AOW-gerechtigde met een partner jonger dan 65 jaar lager uitkomt dan het sociaal minimum voor een gezin indien de jongere partner inkomen in verband met arbeid heeft dat geheel in mindering wordt gebracht op de toeslag. Dit inkomenseffect wordt veroorzaakt door de verschillende tarieven voor de inhouding van loonheffing en ziekenfondspremie die voor beide partners gelden. Het is gewenst dat de Sociale Verzekeringsbank in dergelijke gevallen waarin door de toepassing van artikel 7 van dit besluit het totale nettogezinsinkomen lager is dan het nettogezinsinkomen van een AOW-gerechtigde met volledige toeslag, de toeslag zo vaststelt dat het nettogezinsinkomen gelijk is aan het nettogezinsinkomen van een AOW-gerechtigde met volledige toeslag.

 

Artikel 11

     De verrekening van inkomensbestanddelen vindt inclusief de overhevelingstoeslag plaats. Dit artikel regelt dat een overhevelingstoeslag als inkomen uit of in verband met arbeid (afhankelijk van de vraag wat het betreffende inkomensbestanddeel is) moet worden beschouwd.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x