Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Algemene Ouderdomswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 juni 2009

 

BESLUIT  INVORDERING  BOETEN  EN  ONVERSCHULDIGD  BETAALDE  BEDRAGEN  AOW,  ANW  EN  AKW

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
(art. 11 Rtbbtob)

 
 

28 juni 1996, Stcrt. 1996, 141
Inwerkingtreding: 1 augustus 1996
(T.a.v. artt. 17e:1 en 24b AOW, 41:3 en 55 Anw en 17c:3 en 24b AKW)

 

 

 

 
     Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank;
     Gelet op de artikelen 17e, eerste lid, en 24b van de Algemene Ouderdomswet, 41, derde lid, en 55 van de Algemene nabestaandenwet en 17c, derde lid, en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet;

     Besluit:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de Bank: de Sociale Verzekeringsbank;
b. de AOW: de Algemene Ouderdomswet;
c. de Anw: de Algemene nabestaandenwet;
d. de AKW: de Algemene Kinderbijslagwet;
e. vordering: een vordering uit hoofde van een boete die is opgelegd op grond van artikel 17c AOW, op grond van artikel 39 Anw of op grond van artikel 17a AKW, alsmede een bedrag dat wordt teruggevorderd in een besluit als bedoeld in de artikelen 24 AOW, 54 Anw en 24 AKW, beide met inbegrip van de verhogingen als bedoeld in de artikelen 17i, zesde lid, AOW, 45, zesde lid, Anw en 17g, zesde lid, AKW;
f. schuldenaar: degene aan wie een boete is opgelegd dan wel van wie een bedrag wordt teruggevorderd;
g. aflossingscapaciteit: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;
h. vermogen: vermogensrechten, roerende en onroerende zaken, met uitzondering van zaken waarvan de dagwaarde minder dan |1135,00 bedraagt.

 

Art. 2.
-1. Dit besluit is van toepassing op de invordering van boeten die zijn opgelegd met toepassing van artikel 17c AOW, artikel 39 Anw dan wel artikel 17a AKW.
-2. Dit besluit is voorts van toepassing op de invordering van bedragen die in het kader van de uitvoering van de AOW, de Anw en de AKW onverschuldigd zijn uitbetaald, in zoverre het besluit tot terugvordering hiervan op of na de dag van inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid is genomen.
-3. Artikel 4, vijfde lid, artikel 5, vijfde lid, en artikel 6, zesde lid, zijn niet van toepassing op vorderingen op een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft, tenzij de kantonrechter met toepassing van artikel 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn verzoek een beslagvrije voet heeft vastgesteld.
-4. Dit besluit is niet van toepassing indien en voor zolang de Bank heeft ingestemd met een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel e, Faillissementswet.
-5. Dit besluit is niet van toepassing indien en voor zolang de rechtbank met toepassing van artikel 287 Faillissementswet een schuldsaneringsregeling van toepassing heeft verklaard.

 

 

HOOFDSTUK  2

Termijnen van aflossing

 

Art. 3.
-1. De Bank kan de termijn of termijnen van betaling of verrekening vaststellen conform een met redenen omkleed voorstel van de schuldenaar, mits volgens dit voorstel de gehele vordering binnen twaalf maanden wordt voldaan en de schuldenaar dit voorstel heeft gedaan binnen zes weken nadat hem daartoe door de Bank de gelegenheid is geboden.
-2. In afwijking van het eerste lid doet de Bank ingeval zij een vordering beneden |2268,00 heeft, aan de schuldenaar een voorstel inzake de wijze van betaling van deze vordering. Indien de schuldenaar niet binnen de door de Bank gestelde termijn op het voorstel reageert, stelt de Bank de wijze en termijnen van aflossing vast overeenkomstig het gedane voorstel.
-3. In afwijking van het eerste lid wordt een vordering van ten hoogste |272,00 zonder voorafgaand overleg met de belanghebbende verrekend door inhouding van een bedrag van ten hoogste |22,00 per maand op toekomstige betalingen aan de belanghebbende.
-4. Bij gebreke van toepassing van n van de voorafgaande leden stelt de Bank de termijn of termijnen van betaling of verrekening vast met inachtneming van de artikelen 4 tot en met 7.

 

Art. 4.
-1. Dit artikel is van toepassing op de invordering van boeten.
-2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
-3. Indien bij betaling conform de volgens het tweede lid vastgestelde termijnen de vordering binnen twaalf maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
-4. Indien de schuldenaar na aanwending van zijn vermogen en zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal hebben voldaan, stelt de Bank een groter aantal termijnen vast waarbinnen de vordering moet worden voldaan.
-5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, naast de verhoging als bedoeld in artikel 475d, derde lid, een inkomen ontvangen gelijk aan honderd ten negentigste van de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-6. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
-7. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.

 

Art. 5.
-1. Dit artikel is van toepassing op de invordering van teruggevorderde onverschuldigd betaalde bedragen indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49 AOW, artikel 35 Anw en artikel 15 AKW.
-2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
-3. Indien bij betaling conform de volgens het tweede lid vastgestelde termijnen de vordering binnen twaalf maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
-4. Indien de schuldenaar na aanwending van zijn vermogen en zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal hebben voldaan, stelt de Bank een groter aantal termijnen vast waarbinnen de vordering moet worden voldaan.
-5. Indien de schuldenaar de vordering na drie jaar nog niet volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, naast de verhoging als bedoeld in artikel 475d, vijfde lid, een inkomen ontvangen gelijk aan honderd ten negentigste van de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-6. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering, indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald.
-7. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
-8. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.

 

Art. 6.
-1. Dit artikel is van toepassing in andere gevallen dan die genoemd in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, eerste lid.
-2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat de vordering volledig wordt afgelost binnen uiterlijk zestig maanden nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen.
-3. De termijnen worden zodanig vastgesteld dat ten minste de halve en ten hoogste de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt benut.
-4. Indien bij betaling conform de volgens het derde lid vastgestelde termijnen de vordering binnen zestig maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen zestig maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
-5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering, indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald.
-6. De in het vijfde lid genoemde termijn is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de schuldenaar in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan.
-7. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
-8. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.

 

Art. 7.
-1. In afwijking van de artikelen 4, 5 en 6 kan de Bank op verzoek van de schuldenaar de termijnen van aflossing zodanig vaststellen dat aflossing plaatsvindt binnen kortere tijd dan bij inachtneming van de artikelen 4, 5 en 6.
-2. In afwijking van de artikelen 4 en 5 kan de Bank instemmen met voldoening van de vordering in een periode van ten hoogste 24 maanden indien binnen deze termijn volledige aflossing door middel van verrekening met een lopende uitkering of periodiek inkomen mogelijk is.
-3. In afwijking van de artikelen 5 en 6 kan de Bank op verzoek van de schuldenaar afzien van (verdere) terugvordering indien de schuldenaar een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost. Van deze bevoegdheid maakt de Bank slechts gebruik indien zij van oordeel is dat de invordering op grond van de artikelen 5 of 6 niet langer geffectueerd zal kunnen worden.

 

Art. 8.
Indien de schuldenaar niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AOW, de artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid, Anw en de artikelen 17a, vijfde lid, en 24, zesde lid, AKW, is de vordering terstond opeisbaar.

 

Art. 9.
De Bank besluit van (verdere) terugvordering af te zien indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, indien de vordering het bedrag van |2268,00 niet te boven gaat. De periode is tien jaar bij vorderingen tot |6807,00, vijftien jaar bij vorderingen tot |11 345,00 en twintig jaar bij vorderingen vanaf |11 345,00.

 

Art. 10.
De Bank kan de vastgestelde termijn of termijnen herzien wegens gewijzigde omstandigheden. De Bank onderzoekt of er termen aanwezig zijn voor herziening indien de schuldenaar hiertoe een met redenen omkleed verzoek indient.

 

 

HOOFDSTUK  3

Tenuitvoerlegging van boetebesluiten en besluiten tot terugvordering

 

Art. 11.
-1. Indien de schuldenaar heeft nagelaten enig bedrag binnen de gestelde termijn te voldoen, is de resterende vordering volledig opeisbaar. De Bank legt dan het besluit waarbij een boete is opgelegd dan wel een onverschuldigd betaald bedrag is teruggevorderd, ten uitvoer op de wijze zoals bepaald in artikel 17i AOW, 45 Anw dan wel artikel 17g AKW. Deze tenuitvoerlegging vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
-2. De tenuitvoerlegging vindt, voor zover mogelijk in verband met de vrijlating van inkomen als bedoeld in de artikelen 17i, achtste lid, AOW, 45, achtste lid, Anw en 17g, achtste lid, AKW, plaats op zodanige wijze dat de vordering uiterlijk wordt voldaan:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid: binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aan de schuldenaar bekend is gemaakt;
b. in andere gevallen: binnen twaalf maanden nadat de Bank een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van het besluit.
-3. Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van artikel 17i, tweede of derde lid, AOW, artikel 45, tweede of derde lid, Anw dan wel artikel 17g, tweede of derde lid, AKW, dan wel door middel van beslag op periodieke uitkeringen of loon, worden maandelijks zodanige bedragen gevorderd dat de schuldenaar zijn volledige aflossingscapaciteit benut. De Bank kan in afwijking van het gestelde in de vorige volzin een hoger bedrag vorderen als de schuldenaar zijn verplichting uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AOW, de artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid, Anw of de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AKW niet nakomt.
-4. Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, merkt de Bank in afwijking van artikel 1, onderdeel g, als vermogensbestanddelen mede aan zaken waarvan de dagwaarde minder dan |1135,00 bedraagt.
-5. Indien de schuldenaar onvoldoende verhaal biedt voor volledige voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank de verdere tenuitvoerlegging van het besluit op totdat de schuldenaar weer verhaal biedt.
-6. Artikel 4, vijfde lid, en artikel 5, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-7. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van het bepaalde in dit artikel.

 

 

HOOFDSTUK  4

Wettelijke rente en kosten

 

Art. 12.
-1. De wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten zijn verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de termijn of termijnen zijn verstreken waarbinnen volgens het besluit tot terugvordering dan wel het besluit tot boeteoplegging moest worden betaald.
-2. De op de invordering betrekking hebbende kosten bedragen:
a. 15% van de resterende vordering, doch ten minste |45,00 en ten hoogste |680,00; alsmede
b. de kosten van betekening en gerechtelijke tenuitvoerlegging, zoals vastgesteld bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken, alsmede de hierover verschuldigde BTW.

 

 

HOOFDSTUK  5

Toerekening van betalingen

 

Art. 13.
-1. Tenzij de schuldenaar een andere bestemming aanwijst, wordt een betaling die zou kunnen worden toegerekend aan n of meer boeten en aan n of meer teruggevorderde bedragen, in de eerste plaats toegerekend aan de verschuldigde boete of boeten.
-2. Met inachtneming van het eerste lid vindt toerekening van betalingen plaats op de wijze zoals vastgesteld in de artikelen 6:43, tweede lid, en 6:44, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

 

 

HOOFDSTUK  6

Slotbepalingen

 

Art. 14.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid in werking treedt, doch niet eerder dan met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 15.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW.

 

 

     Dit besluit zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amstelveen, 28 juni 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.

 

 

 

TOELICHTING
[28 juni 1996]

 

Algemene  toelichting

 

1. Inleiding


     Op 1 augustus 1996 treedt de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid in werking. Op grond van deze wet is de SVB verplicht een boete op te leggen aan verzekerden die de mededelingsverplichting niet nakomen die hun wordt opgelegd in de artikelen 49 AOW, 35 Anw en 15 AKW. Voorts is de Bank verplicht onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.
     Op grond van de artikelen 17e, derde lid, AOW, 41, derde lid, Anw en 17c, derde lid, AKW stelt de Bank nadere regels omtrent de termijn of termijnen waarbinnen een opgelegde boete moet worden betaald en de wijze waarop boetebesluiten ten uitvoer worden gelegd bij gebreke van tijdige betaling. Voorts dient de Bank op grond van de artikelen 24b AOW, 55 Anw en 24b AKW regels te stellen met betrekking tot terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen 24 en 24a AOW, 53 en 54 Anw en 24 en 24a AKW.
     Dit besluit bevat regels over de termijn of termijnen waarbinnen een boete of een teruggevorderd bedrag moet worden betaald, de tenuitvoerlegging van de boete- en terugvorderingsbesluiten bij gebreke van tijdige betaling, de berekening van rente en kosten bij de tenuitvoerlegging van de besluiten en de toerekening van betalingen. Regels over de vaststelling van boeten zijn neergelegd in het Boetebesluit AOW, het Boetebesluit Anw en het Boetebesluit AKW [zie Boetebesluit socialezekerheidswetten, red.]. Nadere regels omtrent de vaststelling van terug te vorderen bedragen zijn te vinden in de Beleidsregels SVB [zie Besluit beleidsregels SVB 2002, red.].

 

2. Toepassingssfeer van het besluit


     Dit besluit is van toepassing op de betaling en invordering van boeten die de Bank met toepassing van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid en met toepassing van de Anw aan de belanghebbenden oplegt. Tevens is het besluit van toepassing op de invordering van onverschuldigd betaalde bedragen voor zover het terugvorderingsbesluit op of na de dag van inwerkingtreding van deze wetten is genomen. Hierbij is niet van belang of de onverschuldigde betaling vr of na de inwerkingtreding van de wetten heeft plaatsgevonden. Het nieuwe invorderingsregime waarin de wet voorziet is namelijk ook van toepassing als de onverschuldigde betaling vr de inwerkingtreding van de wetten heeft plaatsgevonden, maar het terugvorderingsbesluit pas hierna wordt genomen.
     Het besluit is van toepassing op de terugvordering van alle onverschuldigde betalingen die in het kader van de uitvoering van de AOW, de Anw en de AKW hebben plaatsgevonden. Niet van belang is of de onverschuldigde betaling gebaseerd is geweest op een onjuiste beslissing of dat anderszins een foutieve betaling heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld de betaling van een bedrag dat hoger is dan in de beslissing is voorzien).
     Het besluit heeft geen betrekking op foutieve betalingen aan willekeurige derden, bijvoorbeeld doordat een uitkering op een foutieve rekening is gestort. In deze gevallen geldt de algemene regeling in het Burgerlijk Wetboek inzake terugvordering van onverschuldigde betalingen.

 

3. Termijnen van aflossing


     Als de Bank een vordering heeft op een belanghebbende ter zake van een opgelegde boete of een terugvordering, worden de termijnen voor voldoening van de vordering als volgt vastgesteld.


Voorstel van de belanghebbende tot afbetaling binnen n jaar

     De belanghebbende krijgt in eerste instantie de gelegenheid om een voorstel tot terugbetaling of verrekening te doen. Doet hij een voorstel dat leidt tot terugbetaling binnen n jaar, dan kan de Bank zonder nader (inkomens)onderzoek een terugvorderingsbesluit nemen waarin de betalingstermijnen conform het voorstel van de belanghebbende zijn vastgesteld. Slechts in bijzondere gevallen zal de Bank niet op een zodanig voorstel van de belanghebbende ingaan. In dat geval stelt de Bank de betalingstermijnen vast volgens de regels van de artikelen 4 tot en met 7 [zie de artikelen 4 tot en met 8, red.].
     De termijnstelling is in dat geval met name afhankelijk van de vraag of de vordering aan een gedraging van de belanghebbende te wijten is of niet.


Vordering gevolg van gedraging belanghebbende of partner

     Als de vordering het gevolg is van een gedraging van de belanghebbende of zijn partner, dient de belanghebbende zijn volledige aflossingscapaciteit te benutten om de vordering te voldoen. Van verwijtbaarheid bij de belanghebbende is sprake als een boete is opgelegd of aangifte is gedaan of proces-verbaal opgemaakt van de gedraging die de vordering tot gevolg heeft gehad.
     De vordering omvat zowel het bedrag van de boete als het teruggevorderde bedrag.
     Uitgangspunt is dat de vordering binnen twaalf maanden geheel moet zijn voldaan.
     Zal aanwending van de volledige aflossingscapaciteit niet binnen twaalf maanden tot volledige aflossing leiden, dan moet de belanghebbende het resterende bedrag ineens betalen tot ten hoogste de waarde in het economisch verkeer van zijn vermogen. Met vermogensbestanddelen met een dagwaarde beneden 2500,- wordt geen rekening gehouden.
     De belanghebbende moet het bedrag ineens in principe betalen binnen zes weken nadat de Bank het besluit over de betalingstermijnen aan hem heeft toegezonden. Als de belanghebbende echter voldoende zekerheid stelt voor dit bedrag, kan hij de betaling uitstellen. Op deze wijze wordt aan de belanghebbende tijd gegund om het benodigde bedrag vrij te maken op een manier die zo min mogelijk bezwarend is, terwijl de Bank voldoende waarborgen heeft dat de belanghebbende de vordering ook daadwerkelijk zal voldoen.
     De belanghebbende moet het bedrag ineens uiterlijk binnen twaalf maanden betalen.
     Is de vordering op deze wijze nog niet volledig voldaan, dan zal de belanghebbende voor betaling van het resterende gedeelte weer zijn volledige aflossingscapaciteit moeten benutten. Na vijf jaar worden de termijnen zodanig vastgesteld dat de belanghebbende een besteedbaar inkomen ter hoogte van het volledige sociaal minimum heeft.
     Is de belanghebbende in verband met de vrijlating van inkomen niet in staat betalingen te verrichten, dan wordt de invordering opgeschort tot een later moment. Kwijtschelding vindt niet plaats.


Vordering niet aan belanghebbende of partner te wijten

     Is een onverschuldigde betaling niet te wijten aan een gedraging van de belanghebbende of zijn partner, dan dient hij in principe de helft van zijn aflossingscapaciteit te benutten om de vordering te voldoen. Hiermee mag een termijn van uiterlijk zestig maanden gemoeid zijn. Zou bij betaling op basis van de halve aflossingscapaciteit de volledige aflossing meer dan zestig maanden in beslag nemen, dan worden de termijnen op een hoger bedrag gesteld, zodanig dat de vordering binnen zestig maanden wordt betaald. De termijnen worden ten hoogste zo vastgesteld dat de belanghebbende zijn volledige aflossingscapaciteit benut.
     Zal de belanghebbende bij aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen uiterlijk zestig maanden kunnen voldoen, dan moet hij het resterende bedrag ineens betalen tot ten hoogste de waarde van zijn vermogen in het economisch verkeer. Met vermogensbestanddelen met een dagwaarde beneden 2500,- wordt geen rekening gehouden.
     De belanghebbende moet het bedrag ineens in principe binnen zes weken betalen nadat de Bank het besluit over de betalingstermijnen aan hem heeft toegezonden. Als de belanghebbende echter voldoende zekerheid stelt voor dit bedrag, kan hij de betaling uitstellen. Hierdoor heeft hij wat meer tijd ter beschikking om het benodigde bedrag vrij te maken op een manier die zo min mogelijk bezwarend is. Hij moet het bedrag echter uiterlijk binnen zestig maanden betalen.
     Slaagt hij er ook op die manier niet in binnen zestig maanden volledig te betalen, dan worden de termijnen zodanig vastgesteld dat de belanghebbende een besteedbaar inkomen ter hoogte van het volledige sociaal minimum heeft. Is de belanghebbende in verband met de vrijlating van inkomen niet in staat betalingen te verrichten, dan wordt de invordering opgeschort tot een later moment. Kwijtschelding vindt niet plaats.


Snellere afbetaling op verzoek van de belanghebbende

     In principe zal de belanghebbende zijn vermogen pas hoeven aanspreken als hij er niet in slaagt de vordering binnen twaalf dan wel zestig maanden uit zijn periodieke inkomsten te voldoen. Het kan echter voorkomen dat de belanghebbende zelf liever zijn vermogen wil aanspreken dan aan een langdurige en bezwarende betalingsregeling te moeten meewerken. In dat geval kan de Bank op verzoek van de belanghebbende afwijkende betalingstermijnen vaststellen. Voorwaarde is wel dat deze tot snellere aflossing leiden.


Afwijking in bijzondere gevallen

     De regeling geeft de Bank de bevoegdheid om in bijzondere gevallen af te wijken van de hier geformuleerde regels voor het stellen van aflossingstermijnen. Deze afwijking kan zowel in het voordeel als in het nadeel van de belanghebbende zijn. Bij een afwijking in het voordeel van de belanghebbende kan onder meer worden gedacht aan de situatie waarin meerdere schuldeisers in het geding zijn. Bestaande schulden kunnen immers van invloed zijn op de door de Bank vast te stellen aflossingsregeling. Van een afwijking ten nadele van de belanghebbende kan bijvoorbeeld sprake zijn als de solvabiliteit van de belanghebbende op de langere termijn aan ernstige twijfel onderhevig is.


Belanghebbende geeft onvoldoende inzicht in financile situatie

     Zoals gesteld, gaat de Bank bij de vaststelling van de termijnen uit van de gegevens die door de belanghebbende zijn verstrekt. Weigert de belanghebbende echter voldoende inzicht te verstrekken in zijn financile situatie, dan is de vordering direct opeisbaar. De Bank kan het besluit dan ten uitvoer leggen.

 

4. Wijze van betaling


     Waar mogelijk zal de Bank de vordering innen door verrekening. Verrekening kan mogelijk zijn op grond van artikel 6:135 BW of, als de schuldenaar niet tijdig betaalt, op grond van de artikelen 17i AOW, 45 Anw of 17g AKW.

 

5. Niet-tijdige betaling; tenuitvoerlegging van het besluit


     Onder punt 3 van deze toelichting is beschreven hoe de Bank de termijnen vaststelt waarbinnen de belanghebbende de vordering moet voldoen. Als de belanghebbende niet volgens deze termijnen betaalt, is de volledige vordering terstond opeisbaar en zal de Bank het boetebesluit of terugvorderingsbesluit ten uitvoer leggen. Over de wijze van tenuitvoerlegging bevatten de artikelen 17i AOW, 45 Anw en 17g AKW tamelijk gedetailleerde regels. In dit besluit zijn nog enkele aanvullende bepalingen opgenomen.
     Blijkens de artikelen 17i, vijfde lid, AOW, 45, vijfde lid, Anw en 17g, vijfde lid, AKW heeft de Bank de vrije keuze uit diverse manieren van tenuitvoerlegging. In de eerste plaats kan de Bank het besluit ten uitvoer leggen door verrekening met een door de Bank verstrekte uitkering. Uitzondering hierop is dat een boete of teruggevorderd bedrag op grond van de AOW niet mag worden verrekend met kinderbijslag.
     In de tweede plaats kan de Bank aan een andere uitvoeringsinstantie verzoeken een socialezekerheidsuitkering waarop de schuldenaar recht heeft, aan de Bank over te maken.
     Verder kan de Bank nog gebruik maken van de voorzieningen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (beslaglegging en executie) om het boete- of terugvorderingbesluit ten uitvoer te leggen.
     In het onderhavige besluit maakt de Bank niet reeds op voorhand een keuze voor een bepaalde volgorde van manieren van tenuitvoerlegging. De Bank beziet per geval welke wijze van tenuitvoerlegging het meest effectief is. Een belangrijke factor hierbij is de afweging van kosten en baten van de verschillende mogelijkheden. De Bank zal voorts streven naar een zo spoedig mogelijke voldoening van de vordering. Behoudens het feit dat aan betrokkenen 90% van het sociaal minimum ter beschikking moet staan, moet de vordering volledig zijn afgelost:
- in gevallen van boete of aangifte: binnen twaalf maanden vanaf het oorspronkelijke besluit over de betalingstermijnen;
- in andere gevallen: binnen twaalf maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging.
     Voor zover de Bank de tenuitvoerlegging verricht door verrekening met of (vereenvoudigd) beslag op periodieke inkomsten zal zij steeds de volledige aflossingscapaciteit van de belanghebbende benutten. Daarbij is niet van belang of er al of niet sprake is van aan de vordering ten grondslag liggend verwijtbaar gedrag. De belanghebbende heeft immers door niet correct te betalen de tenuitvoerlegging zelf over zich afgeroepen.
     Voor zover de Bank zich verhaalt op zaken van de belanghebbende zal zij ook zaken met een dagwaarde van minder dan 2500,- uitwinnen. Door van de belanghebbende niet te eisen dat hij deze zaken te gelde maakt zolang hij correct betaalt, maar deze zaken wel in de executie te betrekken als tenuitvoerlegging nodig is, hoopt de Bank een correct betalingsgedrag te stimuleren.
     Ook in de fase van tenuitvoerlegging geldt dat de belanghebbende na vijf jaar 100% van het sociaal minimum ter vrije besteding krijgt.
     De kosten van de tenuitvoerlegging van een besluit drukken op de belanghebbende. Zodra de belanghebbende een achterstallig bedrag niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan, is hij administratiekosten en wettelijke rente verschuldigd. Wettelijke rente en kosten komen dus enkel aan de orde in geval van toepassing van artikel 9 [zie artikel 11, red.] van het besluit.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1, onderdeel g


     Zoals in het algemene gedeelte van deze toelichting reeds werd beschreven, zijn de termijnen die de SVB vaststelt voor voldoening van de vordering afhankelijk van de aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Deze aflossingscapaciteit wordt vastgesteld met analoge toepassing van de artikelen 17i, achtste lid, AOW, 45, achtste lid, Anw en 17g, achtste lid, AKW. In die artikelen wordt aangesloten bij de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

 

Artikel 1, onderdeel h

     Deze bepaling bevat de fictie dat zaken met een dagwaarde beneden 2500,- niet tot het vermogen van de schuldenaar behoren. Met deze zaken houdt de Bank dan ook geen rekening bij de vaststelling van het bedrag ineens dat de schuldenaar moet betalen als hij uit zijn periodieke inkomsten zijn schuld niet binnen twaalf dan wel zestig maanden kan voldoen (artikel 3, derde lid; artikel 4, vierde lid; artikel 9, derde lid [zie artikel 11, derde lid, red.]). Overigens blijft de Bank wel bevoegd zich bij wanbetaling ook op zaken met een dagwaarde beneden 2500,- te verhalen (artikel 9, vierde lid [zie artikel 11, vierde lid, red.]).

 

Artikel 2

     Artikel XVI van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid regelt het toepasselijke recht in gevallen waarin het terugvorderingsbesluit is genomen vr de inwerkingtreding van deze wet en in gevallen waarin de onverschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk vr deze datum heeft plaatsgevonden, maar het terugvorderingsbesluit op of na deze datum is genomen. In het eerste geval blijft het recht van toepassing zoals dat gold vr de inwerkingtreding van de wet. Dat geldt zowel voor de bevoegdheid tot terugvordering als voor de invordering. In het tweede geval wordt enkel de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening bepaald aan de hand van het oude recht. Kennelijk gelden voor het overige de bepalingen van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid. In het onderhavige besluit zijn geen bepalingen opgenomen die afwijken van de regels inzake de bevoegdheid tot terugvordering die golden vr de inwerkingtreding van de wet. Het besluit is daarom volledig van toepassing op terugvorderingsbesluiten die geheel of gedeeltelijk handelen over uitkeringen die vr de inwerkingtreding van de wet onverschuldigd zijn betaald.

 

Artikelen 3 tot en met 6

     Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar punt 3 van deze toelichting.

 

Artikel 7. [Zie art. 8]

     De schuldenaar is op grond van de artikelen 17c, vierde lid, en 24, vierde lid, AOW, de artikelen 39, vierde lid, en 53, vierde lid, Anw en de artikelen 17a, vierde lid, en 24, vierde lid, AKW verplicht op verzoek aan de Bank inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van het boetebesluit en voor de terugvordering van belang zijn. Laat hij dit na, dan wordt de vordering direct opeisbaar. De Bank kan het besluit dan ten uitvoer leggen.

 

Artikel 8. [Zie art. 10]

     In geval van gewijzigde omstandigheden kan de Bank een overeengekomen of opgelegde terugbetalingsregeling herzien. De Bank is hiertoe verplicht wanneer de belanghebbende bij handhaving van de bestaande terugbetalingsregeling een inkomen beneden de beslagvrije voet zou overhouden. Als de belanghebbende gemotiveerd verzoekt om herziening, onderzoekt de Bank of hiervoor termen aanwezig zijn. Dit laat onverlet de bevoegdheid van de Bank om spontaan een heronderzoek bij de belanghebbende in te stellen naar eventuele wijzigingen in diens financile situatie en op basis van de resultaten daarvan de betalingsregeling te herzien. Herziening van de betalingsregeling kan zowel in het voordeel als in het nadeel van de belanghebbende zijn. Verbetering van de inkomenssituatie kan leiden tot de verplichting tot snellere aflossing; bij verslechtering van de inkomenssituatie kan de terugbetaling worden vertraagd.

 

Artikel 9. [Zie art. 11]

     Hiervoor wordt verwezen naar punt 5 van deze toelichting.

 

Artikel 10. [Zie art. 12]

     Op grond van de artikelen 17i, zesde lid AOW, 45, zesde lid, Anw en 17g, zesde lid, AKW wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten. Zodra de Bank tot tenuitvoerlegging van het besluit overgaat, is de belanghebbende wettelijke rente en kosten van invordering verschuldigd. Kosten van invordering kunnen worden onderscheiden in kosten voor werkzaamheden verricht door de Bank en kosten die de Bank moet maken voor de betekening van de beschikking en de executie door de deurwaarder. De kosten voor de werkzaamheden van de Bank worden gesteld op 15% van de resterende vordering met een minimum van 100,- en een maximum van 1500,-. Bij deze kosten moet worden gedacht aan extra administratiekosten, kosten voor extra onderzoek naar inkomen en vermogen en de werkzaamheden voor het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag. Als de vordering niet kan worden gend door het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag, zal de Bank een deurwaarder moeten inschakelen voor de betekening en het leggen van beslag. Het Deurwaardersreglement, dat is gebaseerd op de artikelen 53 tot en met 55 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken, regelt welke bedragen aan de deurwaarder zijn verschuldigd voor deze ambtshandelingen. Deze bedragen komen eveneens voor rekening van de schuldenaar.

 

Artikel 11. [Zie art. 13]

     In dit artikel wordt de toerekening van betalingen geregeld. Een betaling die aan meerdere vorderingen zou kunnen worden toegerekend, wordt, tenzij de schuldenaar een andere toerekening aanwijst, eerst toegerekend aan boeten, in volgorde van ouderdom, en dan aan terugvorderingen, eveneens in volgorde van ouderdom. Per boete, dan wel per terugvordering, wordt de betaling eerst toegerekend aan de kosten van invordering, dan aan de verschuldigde wettelijke rente en dan aan de hoofdsom.

 

Amstelveen, 28 juni 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x