Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

             

 
vorige

Algemene Ouderdomswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

BESLUIT  VRIJWILLIGE  VERZEKERING  AOW  EN  ANW  2001

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 5.2:1 BW)

 
 

8 mei 2001, Stb. 2001, 224
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
(T.a.v. artt. 35:5 en 38:2 AOW, 63a:5 Anw, 71 Wfsv en 25, 26:2 en 27:3 Wfv)

 

 

 

 
BESLUIT van 8 mei 2001, houdende nadere regels inzake de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet (Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 29 januari 2001, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/GSV/01/4340;
     Gelet op de artikelen 35, vijfde lid, en 38, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, 63a, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet en 25, 26, tweede lid, en 27, derde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen;
     De Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2001, nr. W12.01.0059/IV);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 1 mei 2001, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/GSV/01/11.779;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1. Begripsomschrijving
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de AOW: de Algemene Ouderdomswet;
b. de Anw: de Algemene nabestaandenwet;
c. de Wfv: de Wet financiering volksverzekeringen;
d. de SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. de AOW-premie: de premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
f. de Anw-premie: de premie voor de vrijwillige algemene nabestaandenverzekering;
g. de premie: de AOW-premie dan wel de Anw-premie.

 

 

HOOFDSTUK  II

Premiebetaling vrijwillige verzekering

 

Art. 2. AOW-premiebetaling door de gewezen verzekerde
-1. De SVB deelt de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 35 van de AOW, zo spoedig mogelijk nadat hij een aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering heeft ingediend, mee:
a. de hoogte van de verschuldigde AOW-premie;
b. de termijn waarbinnen de AOW-premie betaald dient te worden; en
c. de wijze waarop de betaling van de AOW-premie aan de SVB dient plaats te vinden.
-2. De gewezen verzekerde die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering betaalt de AOW-premie, per kalenderjaar, vooruit.
-3. Indien de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de AOW, is geindigd op grond van artikel 37, eerste lid, onderdeel a, e of f, van de AOW, dan vindt restitutie van eenmaal betaalde AOW-premie niet plaats.

 

Art. 3. AOW-premiebetaling door de verzekerde bij vrijwillige verzekering over een achterliggende periode
-1. Ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel 38 van de AOW, is artikel 2, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien binnen drie maanden na de door de SVB gestelde termijn de verschuldigde AOW-premie niet geheel is betaald, wordt over het zodanig gedeelte van de periode waarop de premiebetaling betrekking heeft, geacht AOW-premie te zijn betaald als de betaalde AOW-premie zich verhoudt tot de totaal verschuldigde AOW-premie. Daarbij wordt geacht AOW-premie te zijn betaald over de periode welke het verst verwijderd ligt van het tijdstip van de aanvang van de verplichte verzekering.

 

Art. 4. Anw-premiebetaling door de gewezen verzekerde
-1. Ten aanzien van de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 63a van de Anw, is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 63a van de Anw, een aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering heeft ingediend en overlijdt voordat hij de verschuldigde Anw-premie heeft kunnen betalen, is een ander bevoegd alsnog de verschuldigde Anw-premie over de periode van vrijwillige verzekering te betalen.

 

 

HOOFDSTUK  III

Tarief, vaststelling en inning van de premie vrijwillige verzekering AOW en Anw

 

Art. 5. Vaststelling AOW-premie en Anw-premie
-1. De premie wordt, voor elk in de periode van vrijwillige verzekering gelegen vol kalenderjaar, vastgesteld volgens de formule: P x H - K, waarbij:
a. P voorstelt:
1. indien er uitsluitend sprake is van vrijwillige verzekering op grond van de AOW, het percentage dat op grond van artikel 10a van de Wfv voor dat kalenderjaar wordt vastgesteld;
2. indien er uitsluitend sprake is van vrijwillige verzekering op grond van de Anw, het percentage dat op grond van artikel 11 van de Wfv voor dat kalenderjaar wordt vastgesteld;
3. indien er sprake is van zowel vrijwillige verzekering op grond van de AOW als vrijwillige verzekering op grond van de Anw, het totaal van de percentages die op grond van artikel 10a en artikel 11 van de Wfv voor dat kalenderjaar worden vastgesteld;
b. H voorstelt: het hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel 8 van de Wfv in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. K voorstelt:
1. indien er uitsluitend sprake is van vrijwillige verzekering op grond van de AOW:
de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 8.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermenigvuldigd met een breuk, met in de teller het percentage dat op grond van artikel 10a van de Wfv voor dat kalenderjaar wordt vastgesteld en in de noemer de som van de percentages, bedoeld in de artikelen 10a en 11 van de Wfv, en het percentage behorende bij de eerste belastingschijf, bedoeld in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die percentages voor dat kalenderjaar worden vastgesteld;
2. indien er uitsluitend sprake is van vrijwillige verzekering op grond van de Anw:
de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 8.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermenigvuldigd met een breuk, met in de teller het percentage dat op grond van artikel 11 van de Wfv voor dat kalenderjaar wordt vastgesteld en in de noemer de som van de percentages, bedoeld in de artikelen 10a en 11 van de Wfv, en het percentage behorende bij de eerste belastingschijf, bedoeld in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die percentages voor dat kalenderjaar worden vastgesteld;
3. indien er sprake is van zowel vrijwillige verzekering op grond van de AOW als vrijwillige verzekering op grond van de Anw:
de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 8.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermenigvuldigd met een breuk, met in de teller de som van de percentages die op grond van de artikelen 10a en 11 van de Wfv voor dat kalenderjaar worden vastgesteld en in de noemer de som van de percentages, bedoeld in de artikelen 10a en 11 van de Wfv, en het percentage behorende bij de eerste belastingschijf, bedoeld in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die percentages voor dat kalenderjaar worden vastgesteld.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt indien ten aanzien van de SVB aannemelijk wordt gemaakt dat zulks tot een lagere uitkomst leidt, H voorgesteld door het feitelijke premie-inkomen voor de premieheffing in de zin van artikel 8 van de Wfv.
-3. De met toepassing van het tweede lid vastgestelde premie bedraagt ten minste 10% van de premie vastgesteld op grond van het eerste lid.

 

Art. 6. Vaststelling inkomen in natura
-1. Bij de toepassing van artikel 5 wordt de waarde van inkomen in natura door de SVB geschat, waarbij wordt uitgegaan van de waarde van dat inkomen in het land waar het wordt of werd ontvangen.
-2. Bij de toepassing van artikel 5 wordt niet in euro ontvangen inkomen omgerekend in euro met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.

 

Art. 7. Voorlopige premievaststelling
De SVB kan de verschuldigde premie over een bepaald kalenderjaar voorlopig vaststellen:
a. indien zij bij de vaststelling van die premie rekening dient te houden met de in dat kalenderjaar verschuldigde premie op grond van de verplichte verzekering; of
b. indien nog onduidelijk is of artikel 5, tweede lid, van toepassing is.
Zodra dat naar het oordeel van de SVB mogelijk is, wordt de over bedoeld kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld. Eventueel te veel betaalde premie wordt terugbetaald. Eventueel nog verschuldigde aanvullende premie dient binnen een door de SVB vast te stellen termijn te worden betaald.

 

Art. 8. Evenredige vermindering
Voor zover de premiebetaling slechts betrekking heeft op een gedeelte van een kalenderjaar ondergaat de premie een naar tijdsruimte evenredige vermindering.

 

Art. 9. Vaststelling vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige betaling
-1. Indien de vrijwillige verzekering is geindigd, wordt voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden, de over ieder kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.
-2. Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de betaalde premie geacht betrekking te hebben op de achtereenvolgende gehele kalenderjaren of, zo de belanghebbende gedurende slechts een gedeelte van n of meer kalenderjaren niet verplicht verzekerd was, op alle betreffende gedeelten van de gehele kalenderjaren die het dichtst liggen bij het tijdstip waarop de verplichte verzekering is geindigd.
-3. Indien na toepassing van het eerste lid de over een kalenderjaar verschuldigde premie niet geheel blijkt te zijn voldaan, wordt over een zodanig gedeelte van dit kalenderjaar geacht premie te zijn betaald als de nog toe te rekenen premie zich verhoudt tot de totaal over dit kalenderjaar verschuldigde premie.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Slotbepalingen

 

Art. 10. Subdelegatie aan de minister
Bij ministerile regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit besluit.

 

Art. 11. Intrekking
Het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw wordt ingetrokken.

 

Art. 12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

 

Art. 13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 8 mei 2001

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

Uitgegeven de zeventiende mei 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[8 mei 2001]

 

Algemeen

 

     Verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen is in beginsel degene die in Nederland woont, dan wel degene die niet in Nederland woont maar die in verband met hier te lande in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden aan de loonbelasting is onderworpen.
     Eindigt de verzekeringsplicht, dan kan men zich aansluitend vrijwillig verzekeren voor de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) en de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw).
     Met ingang van 1 januari 2001 treedt de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw in werking (Wet van 26 april 2001, Stb. 2001, 212). Als gevolg van deze wet is de wettelijke regeling van de vrijwillige verzekering zo ingrijpend herzien dat voor een juiste uitvoering tevens de lagere regelgeving op dit punt aanpassing behoeft.

     De voorwaarden zoals die worden gesteld aan de vrijwillige verzekering zijn, tot aan inwerkingtreding van bovengenoemde wet, opgenomen in het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw (hierna: KB 38 [koninklijk besluit in Staatsblad nr. 38, red.]). Tevens regelt dit besluit de vaststelling van de premie voor de vrijwillige verzekering. In de nieuwe opzet van de vrijwillige verzekering zijn de voorwaarden waaronder men zich vrijwillig kan verzekeren, voor de AOW dan wel de Anw, in de wet zelf opgenomen.

     De herziening van de vrijwillige verzekering AOW en Anw voorziet er onder meer in dat met ingang van 1 januari 2001 men zich nog slechts tien jaar onafgebroken vrijwillig kan verzekeren. Tot dan toe bestond deze beperking niet. Overigens geldt deze tienjaarstermijn niet voor een aantal nader omschreven groepen van personen en tevens niet voor degenen die vr het in werking treden van die wet reeds vrijwillig verzekerd waren. Zij kunnen deze vorm van verzekering ook in de tijd gezien onbeperkt voortzetten. Een andere belangrijke verandering betreft het afschaffen van de koppeling tussen de vrijwillige verzekering AOW en de vrijwillige verzekering Anw. Men kan nu kiezen tussen hetzij n van beide vormen van vrijwillige verzekering dan wel voor beide vormen. Van belang is voorts dat er sprake moet zijn geweest van een onafgebroken verplichte verzekeringsperiode van n jaar wil men gebruik kunnen maken van de vrijwillige verzekering.

     Het onderhavige besluit berust op de nieuwe in de AOW (artikel 35, vijfde lid) en de Anw (artikel 63a, vijfde lid) opgenomen bepalingen inzake de vrijwillige verzekering. Tevens geeft dit besluit nadere regels omtrent de financiering van de vrijwillige verzekering op grond van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv).

     De belangrijkste veranderingen ten opzichte van het KB 38 liggen op het terrein van de premieberekening ten behoeve van de vrijwillig verzekerde. Tot 1 januari 2001 was degene die zich vrijwillig wilde verzekeren daarvoor de maximale premie verschuldigd. Bezat men de Nederlandse of een daarmee gelijkgestelde nationaliteit (dus de nationaliteit van n van de EU-landen of van een land waarmee ons land een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten), dan was de zogenaamde "berekende" premie verschuldigd. De premie werd aldus op dezelfde wijze vastgesteld als voor de verplicht verzekerde. Voor niet-Nederlanders gold een minder gunstige regeling, omdat men dacht daarmee een toestroom van buitenlanders naar ons land te kunnen voorkomen, die - na enkele maanden in Nederland verplicht verzekerd te zijn geweest - op een relatief goedkope wijze hun oudedagsvoorziening na vertrek naar het buitenland zouden kunnen veilig stellen door middel van de vrijwillige verzekering. Het opheffen van een dergelijke nationaliteitsvoorwaarde in zowel de Verordening (EEG) nr. 1408/71 als in de meeste bi- en multilaterale verdragen inzake sociale zekerheid die Nederland met andere landen in de loop der jaren heeft gesloten, heeft niet duidelijk gemaakt dat zulks tot de eerder verwachte toevloed van buitenlanders naar Nederland zou leiden. Met ingang van 1 januari 2001 wordt daarom in het kader van de premieberekening geen onderscheid meer gemaakt naar nationaliteit: iedere vrijwillig verzekerde betaalt premie over zijn of haar premie-inkomen onder aftrek van de toepasselijke heffingskorting.

     Een ander verschil met het KB 38 betreft de premievaststelling ten behoeve van de vrijwillig verzekerde die geen eigen inkomen heeft. Onder het oude regime moest in zon geval 5% aan premie worden betaald van het bedrag dat een verplicht verzekerde jaarlijks maximaal verschuldigd kan zijn. Voor het jaar 2000 komt dat bedrag voor AOW en Anw samen overeen met 469,-. Dit geringe bedrag staat in geen verhouding tot de uitkeringen die aan beide wetten kunnen worden ontleend. Het betreft hier personen die niet meer voldoen aan de voorwaarden voor de verplichte verzekering. Dat zij deze toch - op vrijwillige basis - kunnen voortzetten, is een serviceverlening waar wel wat voor betaald mag worden, ook al beschikt men niet over een eigen inkomen. Vanaf 1 januari 2001 is daarom het 5%-tarief opgetrokken naar 10%.
     Het 10%-tarief is een minimumtarief en geldt derhalve ook voor degenen die door hun lage inkomen een premie verschuldigd zouden zijn dat onder het bedrag zou uitkomen dat correspondeert met dat tarief.
     Het minimumtarief is niet van toepassing op de in een andere EU-lidstaat dan Nederland wonende huwelijkspartner van de eveneens buiten ons land wonende grensarbeider die uit hoofde van zijn werkzaamheden in Nederland reeds vr 2 augustus 1989 verplicht verzekerd was op grond van de AOW en de AWW. Op grond van Bijlage VI van Verordening (EEG) nr. 1408/71 kunnen deze personen zich vrijwillig verzekeren op grond van beide wetten, zolang de huwelijkspartner op basis van de te verrichten werkzaamheden in Nederland verplicht verzekerd is. De premieberekening vindt in dat geval plaats conform de bepalingen die gelden voor de verplichte verzekering. De situatie ligt anders voor de huwelijkspartner van degene die op of na 2 augustus 1989 verplicht verzekerd is geworden. Besluit die huwelijkspartner om zich vrijwillig te verzekeren dan wordt in dat geval de premie vastgesteld overeenkomstig de bepalingen conform de vrijwillige verzekering AOW/Anw. Met andere woorden: ontbreken eigen inkomsten, dan is op grond van de oude regeling op jaarbasis 5% verschuldigd van het bedrag dat men in enig jaar ten hoogste dient te betalen. Voor hen werken de wijzigingen zoals die gelden in het voorliggende besluit wel degelijk door. De verhoging van de minimumpremie van 5% naar 10% is dan ook wel op deze groep van toepassing.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2. AOW-premiebetaling door de gewezen verzekerde


Eerste lid

     Dit artikel regelt welke informatie de SVB verplicht is te melden aan de gewezen verzekerde die een aanvraag heeft ingediend om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW. Deze verplichting beperkt zich tot een mededeling inzake de hoogte van de AOW-premie, de termijn waarbinnen en de wijze waarop de AOW-premie voor de vrijwillige verzekering betaald dient te worden. Deze premie wordt overeenkomstig artikel 5 vastgesteld.


Tweede lid

     Hoewel de AOW een verzekering is met een opbouwkarakter en derhalve geen risicoverzekering is, dient de premie voor de vrijwillige verzekering bij vooruitbetaling te worden voldaan. Daar waar betrokkene tevens kiest voor de vrijwillige verzekering op grond van de Anw, zal een gecombineerde heffing plaatsvinden van zowel de AOW-premie als de Anw-premie. Per kalenderjaar dient vooruitbetaling plaats te vinden.


Derde lid

     In die gevallen waarin de vrijwillige verzekering op grond van de AOW eindigt (zie artikel 37, eerste lid, van de AOW), krijgt de gewezen verzekerde de eenmaal (vooruit)betaalde premie niet meer terug. Wordt bijvoorbeeld de gewezen verzekerde in de loop van het desbetreffende kalenderjaar 65 jaar, dan wordt over dat deel van het kalenderjaar waarin betrokkene derhalve niet meer (niet verplicht verzekerd betekent hier dus ook niet vrijwillig verzekerd) verzekerd is, niet door de SVB terugbetaald.

 

Artikel 3. AOW-premiebetaling door de verzekerde over een achterliggende periode

     Dit artikel is vergelijkbaar met artikel 2, maar nu op het terrein van het achteraf inkopen van niet-verzekerde jaren (zie artikel 38 van de AOW). In het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw werd de toenmalige inkoopregeling met de uitdrukking 'verzekering van verstreken tijdvakken" aangeduid. Deze vorm van vrijwillige verzekering is alleen van toepassing op de AOW vanwege het opbouwkarakter van deze verzekering. Het risicokarakter van de Anw brengt met zich mee dat een inkoop over niet-verzekerde jaren een verzekering om niet zou zijn.


Eerste lid

     In het eerste lid van dit artikel wordt artikel 2, eerste en derde lid, van dit besluit van overeenkomstige toepassing verklaard. De mededelingsverplichting van de SVB aan de verzekerde is van dezelfde aard als die aan de gewezen verzekerde bij de vrijwillige verzekering op grond van artikel 35 van de AOW.

 

Artikel 4. Anw-premiebetaling door de gewezen verzekerde


Eerste lid

     In dit lid wordt artikel 2 van dit besluit van overeenkomstige toepassing verklaard. De mededelingsverplichting van de SVB aan de verzekerde is van dezelfde aard als bij de AOW.


Tweede lid

     Dit lid opent de mogelijkheid dat premiebetaling geschiedt door een ander dan de gewezen verzekerde in die gevallen waarin de betrokkene zich tijdig heeft aangemeld voor de vrijwillige Anw-verzekering, doch is overleden voordat hij de verschuldigde premie heeft kunnen betalen.
     Indien de gewezen verzekerde, direct voorafgaande aan de eventuele toelating tot de vrijwillige verzekering, overlijdt, dan moet de SVB immers de aanvraag voor de vrijwillige verzekering afwijzen indien niet voldaan wordt aan de voorwaarde van premiebetaling. Ter voorkoming hiervan en van het eventuele verlies van aanspraken op een recht op nabestaandenuitkering is de mogelijkheid geopend dat een ander dan degene die is overleden, de verschuldigde premie alsnog voldoet.

 

Artikel 5. Vaststelling AOW-premie en Anw-premie

     In dit artikel is vastgelegd op welke wijze de premie voor de vrijwillige verzekering AOW en de vrijwillige verzekering Anw wordt vastgesteld.


Eerste lid

     In dit lid is de hoofdregel neergelegd: de vrijwillig verzekerde is (ongeacht de nationaliteit die betrokkene heeft) de maximale premie verschuldigd.

     Aan de hand van een voorbeeld wordt uiteengezet hoe de premie vrijwillige verzekering AOW en Anw voor de vrijwillig verzekerde die in het jaar 2001 de maximale premie verschuldigd is, wordt vastgesteld.

     H (het maximaal premieplichtig inkomen voor de AOW en de Anw in 2001) bedraagt: 59 520,- (dit bedrag is gelijk aan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001).

     P (het premiepercentage) voor de AOW is gelijk aan 17,9 en voor de Anw aan 1,25 (vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk de SVB onder goedkeuring van die minister, voor het jaar 2001).

     P x H bedraagt dus voor:
- de AOW (0,179 * 59 520 = ) 10 654,-; en
- de Anw (0,0125 * 59 520 = ) 744,-.

     K (de algemene heffingskorting) moet nog op deze bedragen in mindering worden gebracht. Bovendien dient de heffingskorting proportioneel over de AOW (17,9/32,35), de Anw (1,25/32,35) en overige (13,1/32,35) te worden verdeeld.

     Alsdan resulteert een K:
- voor de AOW van 17,9/32,35 x 3473 = 1922,-; en
- voor de Anw van 1,25/32,35 x 3473 = 134,-.

     De maximale premie in 2001 voor de AOW bedraagt 8732,- en voor de Anw 610,-.


Tweede lid

     Indien betrokkene tegenover de SVB kan aantonen dat het inkomen minder bedraagt dan het maximumbedrag waarover jaarlijks premie dient te worden betaald, dan vindt de premieheffing plaats over dat feitelijke inkomen.


Derde lid

     De vrijwillig verzekerde die geen eigen inkomen heeft, is toch premie verschuldigd. De hoogte daarvan is gelijk aan 10% van het premiebedrag dat men in enig jaar maximaal verschuldigd kan zijn. Overigens geldt deze regel ook voor degene van wie het inkomen zodanig laag is dat de door hem op te brengen premie minder zou zijn dan het bedrag dat correspondeert met de hiervoor bedoelde 10%. Als vrijwillig verzekerde is men met andere woorden voor elk verzekerd jaar ten minste 10% verschuldigd van het bedrag dat men als maximum in dat jaar moet betalen.

 

Artikel 6. Vaststelling inkomen in natura


Eerste lid

     Met dit lid wordt de SVB de mogelijkheid geboden om indien een betrokkene inkomen in natura geniet, dit inkomen in geldswaarde uit te drukken voor het bepalen van het premie-inkomen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de waarde van dat inkomen in het land waar het wordt verworven. Daarmee wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie.


Tweede lid

     Dit lid geeft aan welke wisselkoers bij de omrekening van een in buitenlandse valuta ontvangen inkomen in Nederlandse valuta moet worden gehanteerd, te weten de door de Nederlandse Bank NV geadviseerde wisselkoerspariteiten.

 

Artikel 9. Definitieve premievaststelling en verhouding premie en kalenderjaren

     Dit artikel regelt dat indien de vrijwillige verzekering is geindigd, de premie, voor zover dat nog niet is gebeurd, definitief wordt vastgesteld. Dit artikel regelt voorts hoe in deze gevallen de reeds betaalde premie aan de verschillende jaren wordt toegerekend.
     De betaalde premie wordt toegerekend aan opeenvolgende hele kalenderjaren of - bij verzekering gedurende een gedeelte van n of meer kalenderjaren - aan die gedeelten van hele kalenderjaren die het dichtst liggen bij het einde van de verplichte verzekering.

 

Artikel 10. Subdelegatie aan de minister

     Het ligt in de bedoeling dat in een ministerile regeling slechts regels van administratief-technische aard worden opgenomen.

 

Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x