|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Relevante
overige regelgeving:
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Besluit regels export uitkeringen
- Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties 2011
- Regeling uitbreiding werkingssfeer
Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
Vervallen
nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export
uitkeringen 2001
(vervallen)
-
Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties 2005
(vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
(vervallen)
Inhoudsopgave
Wet BEU
| Hoofdstuk
1 |
Wijziging
van de verschillende wetten |
artt.
I - VII |
| Hoofdstuk
2 |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
VIII - XVIII |
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxx|xxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 1998-1999,
25 757.
Handelingen II 1998-1999, blz. 1038-1056, 1069-1090, 1144-1145.
Kamerstukken I 1998-1999, 25 757 (60, 60a, 60b, 60c, 60d, 60e, 60f, 60g,
60h).
Handelingen I 1998-1999, blz. 803-817, 820-831, 1410-1423.
Geschiedenis:
Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 1999, 250;
Staatsblad
1999, 594.
WET
van 27 mei 1999, Stb. 1999, 250, tot wijziging van de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere
wetten
in verband met de beperking van het exporteren van uitkeringen (Wet
beperking export uitkeringen). Inwerkingtreding: 1 januari 2000 (Stb.
1999, 251).
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is met het oog op de handhaafbaarheid van de
socialeverzekeringswetten het exporteren van uitkeringen te beperken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Wijziging
van de verschillende wetten
Art.
I. Ziektewet
[Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
Na artikel 19 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 19a.
-1. Geen recht op ziekengeld heeft de verzekerde
gedurende de periode dat hij buiten Nederland woont. Met wonen buiten
Nederland wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten
Nederland verblijven.
-2. Indien het recht op ziekengeld op grond van het
eerste lid is geëindigd dan wel niet is ontstaan, wordt betrokkene
vanaf de dag dat hij in Nederland gaat wonen weer als verzekerde
aangemerkt indien hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 19,
voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel
toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode,
bedoeld in artikel 29, vijfde lid,
artikel 29a, eerste lid, dan wel artikel 29a,
zevende lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
Artikel 44, eerste lid, onderdeel a,
is niet van toepassing.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de
verzekerde die buiten Nederland woont doch langer dan drie maanden
onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid
worden perioden van verblijf samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten
aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste
van:
a. de verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen belang
en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de in onderdeel a bedoelde
verzekerde; of
c. de verzekerde die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt
de landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie recht op ziekengeld bestaat.
Art.
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 19, zesde lid, wordt de zinsnede
"de artikelen 29, 30,
31, 42, 44
en
45 van de Ziektewet"
vervangen door: de artikelen 19a, 29,
30, 31, 42,
44 en 45 van
de
Ziektewet.
B. [MvT]
Artikel 20 komt als volgt te luiden:
Art. 20.
-1. De verzekerde, bedoeld in artikel 19,
heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
ingaan, is gelegen in een periode dat hij buiten Nederland woont. Met
wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden
buiten Nederland verblijven.
-2. De persoon die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die op
grond van artikel 19a van de Ziektewet
geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat hij in Nederland
woont weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de
bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 19, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. De
artikelen 18, tweede tot en met vierde lid,
en
30, eerste lid, onderdeel a, zijn
niet van toepassing.
-3. De persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het
geval is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf de dag dat hij in
Nederland woont weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming
van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
-4. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde die buiten
Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland
verblijft.
-5. Voor de toepassing van het eerste en vierde lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen belang
en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de in onderdeel a bedoelde
verzekerde; of
c. de verzekerde die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-7. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
bestaat.
C. [MvT]
Onder vernummering van de artikelen 43b
en
43c tot artikelen 43c
en
43d wordt na artikel
43a een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 43b.
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de
verzekerde buiten Nederland is gaan wonen dan wel buiten Nederland
verblijft, vanaf de dag dat dit verblijf drie maanden heeft geduurd.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde die buiten
Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland
verblijft.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-4. Artikel 20, zesde en zevende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
D. [MvT]
Na artikel 47
wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 47a.
-1. De persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43b,
eerste lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland
woont aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19, vierde lid, 35
en 47, zevende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
Art.
III.
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c wordt vervangen door:
c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die
door de toepassing van artikel
7a, eerste lid, geen recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering doch met toepassing van artikel 7a,
tweede of derde lid, in aanmerking komt voor toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
2. Onderdeel d wordt vervangen door:
d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op
grond van artikel
19, eerste lid, onderdeel
b, of 19a doch met
toepassing van artikel 20, 21
of
21a in aanmerking komt voor
toekenning of heropening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
3. Onderdeel f wordt vervangen door:
f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op
grond van deze wet dan wel die door de toepassing van artikel 22a
geen recht heeft op uitkering in verband met bevalling doch met
toepassing van dat artikel, door overeenkomstige toepassing van artikel 7a,
tweede of derde lid, of
21a, in aanmerking komt voor toekenning of heropening van die
uitkering;.
B. [MvT]
Na artikel 7 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 7a. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering buiten Nederland
-1. De verzekerde, bedoeld in artikel 7,
heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in
een periode dat hij buiten Nederland woont. Met wonen buiten Nederland
wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland
verblijven.
-2. De verzekerde die op grond van het eerste lid geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag dat hij in
Nederland woont met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 7, zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-3. De verzekerde, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dat wel
het geval is binnen vier weken na die dag, heeft met inachtneming van de
bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde die buiten
Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland
verblijft.
-5. Voor de toepassing van het eerste en vierde lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die tevens werkzaamheden verricht in het algemeen
belang en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de in onderdeel a bedoelde
verzekerde; of
c. de verzekerde die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-7. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat.
C. [MvT]
Na artikel 19 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 19a. Einde van
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
buiten Nederland
-1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de
verzekerde buiten Nederland is gaan wonen dan wel buiten Nederland
verblijft, vanaf de dag dat dit verblijf drie maanden heeft geduurd.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde die buiten
Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland
verblijft.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-4. Artikel 7a, zesde en zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
D. [MvT]
Na artikel 21 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 21a. Heropening
van de uitkering bij terugkomst naar Nederland
-1. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 19a,
eerste lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont
met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 7, zevende lid, 36,
en 37, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
E. [MvT]
Na artikel 22 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 22a. Geen recht
op uitkering in verband met bevalling buiten Nederland
De artikelen 7a, 19a
en
21a zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het recht op uitkering in verband met
bevalling.
Art.
IV. Toeslagenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
Artikel 4 van de Toeslagenwet komt te
luiden:
Art. 4.
-1. Geen recht op toeslag heeft de persoon, bedoeld in artikel 2,
gedurende de periode dat hij buiten Nederland woont. Met wonen buiten
Nederland wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten
Nederland verblijven.
-2. De persoon, bedoeld in
artikel 2, die op grond van het eerste lid geen recht heeft op
toeslag, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont recht op toeslag
indien hij aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2,
eerste, tweede of derde lid, voldoet.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de persoon, bedoeld in artikel
2, die buiten Nederland woont doch langer dan drie maanden
onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de persoon, bedoeld in
artikel 2, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en
woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de in onderdeel a bedoelde persoon;
of
c. de persoon, bedoeld in
artikel 2, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op toeslag bestaat.
Art.
V.
Algemene Ouderdomswet [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
De Algemene Ouderdomswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 8a.
-1. Geen recht op toeslag heeft de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel
8, eerste lid, die buiten Nederland woont. Met wonen buiten
Nederland wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten
Nederland verblijven.
-2. Voor de pensioengerechtigde wiens recht op toeslag op grond van het
eerste lid niet is ontstaan of is geëindigd, ontstaat respectievelijk
herleeft het recht op toeslag op de eerste dag van de maand waarin hij
in Nederland woont en hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8,
eerste lid.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de pensioengerechtigde,
bedoeld in artikel
8, eerste lid, die buiten Nederland woont doch langer dan drie
maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op toeslag bestaat.
B. [MvT]
Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 9a.
-1. In afwijking van
artikel 9 is voor de pensioengerechtigde die buiten Nederland
woont, het bruto-ouderdomspensioen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel
9, tiende lid, onderdeel b, onverminderd artikel
13, eerste lid. Met wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het
langer dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de pensioengerechtigde,
bedoeld in artikel
8, eerste lid, die buiten Nederland woont doch langer dan drie
maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdeel a en c, die op de Nederlandse
Antillen of Aruba woont.
-5. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op ouderdomspensioen dient te bestaan alsof de
pensioengerechtigde in Nederland woonachtig is.
Art.
VI.
Algemene Kinderbijslagwet [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
Na artikel 7a van de
Algemene Kinderbijslagwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 7b.
-1. Geen recht op
kinderbijslag heeft de verzekerde die op de eerste dag van een
kalenderkwartaal buiten Nederland woont. Evenmin heeft de verzekerde
recht op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde
kind of het pleegkind indien dat kind op de eerste dag van een
kalenderkwartaal buiten Nederland woont. Met wonen buiten Nederland
wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland
verblijven.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde indien hij
dan wel het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind op de
eerste dag van een kalenderkwartaal buiten Nederland woont doch langer
dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen
belang en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de in onderdeel a bedoelde
verzekerde; of
c. de verzekerde die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-5. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op kinderbijslag bestaat.
Art.
VII.
Algemene nabestaandenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
Na hoofdstuk 3, afdeling
I, paragraaf 8, van de Algemene nabestaandenwet
wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 9. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en
wezenuitkering buiten Nederland
Art. 32a. [MvT]
-1. Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande
indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde buiten
Nederland woont. Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de
nabestaande indien hij of de halfwees op de dag van het overlijden van
de verzekerde buiten Nederland woont. Geen recht op wezenuitkering
ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de
verzekerde buiten Nederland woont. Met wonen buiten Nederland wordt
gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel
15, 23 of 27,
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering
vanaf de dag dat:
a. de nabestaande in Nederland woont en hij voldoet aan een
voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a,
tweede lid;
b. de nabestaande en de halfwees in Nederland wonen en de
nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde
als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de nabestaande, de
halfwees of het kind buiten Nederland woont, doch op de dag van
overlijden van de verzekerde langer dan drie maanden onafgebroken in
Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste
lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de nabestaande of het kind indien de nabestaande, de halfwees
of het kind werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont
buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de in onderdeel a bedoelde
nabestaande of het in onderdeel a bedoelde kind;
c. de nabestaande of het kind indien de nabestaande, de halfwees
of het kind op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de landen bekend
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel
wezenuitkering bestaat.
Art. 32b. [MvT]
-1. Het recht op nabestaandenuitkering eindigt op de eerste dag dat de
nabestaande buiten Nederland woont. Het recht op halfwezenuitkering
eindigt op de eerste dag dat de nabestaande of de halfwees buiten
Nederland woont. Het recht op wezenuitkering eindigt op de eerste dag
dat het kind buiten Nederland woont. Met wonen buiten Nederland wordt
gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel
15, 23 of 27,
het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering
op de dag dat:
a. de nabestaande in Nederland woont en hij voldoet aan een
voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a,
tweede lid;
b. de nabestaande en de halfwees in Nederland wonen en de
nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde
als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de nabestaande, de
halfwees of het kind buiten Nederland woont, doch op de dag van
overlijden van de verzekerde langer dan drie maanden onafgebroken in
Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid worden perioden van
verblijf samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-5. Artikel 32a, vijfde en zesde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
2
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
VIII.
Overgangsbepaling Ziektewet en het recht op ziekengeld bij wonen niet
in Nederland [Geschiedenis:
MvT; Stb. 1998, 742; versie 27 mei 1999;
Stb. 1999, 594 + bis]
Artikel 19a van de Ziektewet is niet van toepassing op de
persoon die op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 19 van de Ziektewet
recht heeft op ziekengeld en op die dag niet woont in Nederland.
Art.
IX.
Overgangsbepaling Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij wonen niet in
Nederland [Geschiedenis:
MvT; Stb. 1998, 742; versie 27 mei 1999;
Stb. 1999, 594 + bis]
De artikelen 20, 43b en
47a van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn gedurende drie jaren
na de dag van inwerkingtreding van deze wet niet van
toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet op grond van artikel 18 van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering
en op die dag niet woont in Nederland.
Art.
X.
Overgangsbepaling Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
en het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering en het recht op
uitkering in verband met bevalling bij wonen niet in Nederland
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 1998, 742; versie 27 mei 1999;
Stb. 1999, 594 + bis]
De artikelen 7a, 19a,
21a en 22a
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn
gedurende drie jaren na de dag van inwerkingtreding van deze
wet niet van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet op grond van de artikelen 7 dan wel
22
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
recht heeft
op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel recht op uitkering in
verband met bevalling en op die dag niet woont in Nederland.
Art.
XI.
Overgangsbepaling Toeslagenwet en het recht op toeslag bij wonen niet
in
Nederland [Geschiedenis:
MvT; Stb. 1998, 742; versie 27 mei 1999;
Stb. 1999, 594 + bis
+ bis]
In afwijking van artikel 4a van de Toeslagenwet
wordt aan de persoon die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze
wet op grond van artikel 2 van de Toeslagenwet
recht heeft op een toeslag en op die dag niet woont in Nederland:
a. gedurende het eerste jaar na
inwerkingtreding van deze wet het bedrag uitbetaald waarop recht zou
bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;
b. gedurende het tweede jaar na
inwerkingtreding van deze wet twee derden van het bedrag uitbetaald
waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;
c. gedurende het derde jaar na
inwerkingtreding van deze wet een derde van het bedrag uitbetaald waarop
recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen.
Art.
XII.
Overgangsbepaling Algemene Ouderdomswet en het recht op
ouderdomspensioen bij wonen niet in
Nederland [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999; Stb.
1999, 594]
-1. Artikel 8a
van de Algemene Ouderdomswet
is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet niet van
toepassing op de pensioengerechtigde die op de dag vóór de
inwerkingtreding van deze wet niet in Nederland woont en op die dag op
grond van artikel 8 van de Algemene Ouderdomswet
recht heeft op een toeslag.
-2. Artikel 9a
van de Algemene Ouderdomswet
is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet niet van
toepassing op de pensioengerechtigde die op de dag vóór de
inwerkingtreding van deze wet niet in Nederland woont en op die dag op
grond van artikel 9, tiende lid, van de Algemene Ouderdomswet
aanspraak heeft op een bruto-ouderdomspensioen gelijk aan het bedrag,
bedoeld in artikel 9, tiende lid, onderdeel a of c.
-3. Het eerste en tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op de pensioengerechtigde die op en na 1
februari 1994 recht heeft op ouderdomspensioen op grond van artikel II
van de Wet van 23 oktober 1993 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet
(wijziging in de verhouding van ouderdomspensioen en toeslag, Stb.
1993, 592) en op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet niet in
Nederland woont.
Art.
XIII.
Overgangsbepaling
Algemene Kinderbijslagwet en het recht op kinderbijslag bij wonen niet
in
Nederland [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999; Stb.
1999, 594 + bis]
Artikel 7b van de
Algemene Kinderbijslagwet is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze
wet niet van toepassing op:
a. de verzekerde die
over het kwartaal voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze
wet op grond van artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet recht
heeft op kinderbijslag en op de laatste dag van dat kwartaal
niet in Nederland woont; en
b. de verzekerde, voor zover die over het kwartaal voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding
van deze wet op grond van artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde kind of het
pleegkind dat op de laatste
dag van dat kwartaal niet in Nederland woont.
Art.
XIV.
Overgangsbepaling Algemene nabestaandenwet en het recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering bij wonen
niet in
Nederland [Geschiedenis:
MvT; Stb. 1998, 742; versie 27 mei 1999;
Stb. 1999, 594 + bis]
Hoofdstuk 3, afdeling I,
paragraaf 9, van de Algemene nabestaandenwet is gedurende drie jaren
na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de persoon
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet op grond
van artikel 14, 22 dan wel
26 van de Algemene nabestaandenwet
recht heeft op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan
wel wezenuitkering en op die dag niet woont in Nederland. Genoemde
paragraaf is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet evenmin
van
toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 22 van de Algemene nabestaandenwet
recht heeft op halfwezenuitkering indien de halfwees op die
dag niet woont in Nederland.
Art.
XV.
Wijziging
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 1998, 742; versie 27 mei 1999;
Stb. 1999, 594]
Artikel X van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt vervangen door:
Art. X. Overgangsbepaling inzake artikel 17 Wajong
Artikel 17, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is
gedurende drie jaren na inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen niet van toepassing ten
aanzien van de
jonggehandicapte die op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en op die dag niet woont in Nederland, zolang laatstgenoemde
omstandigheid voortduurt.
Art.
XVI.
Evaluatiebepaling [Geschiedenis:
versie 27 mei 1999]
Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
XVII.
Inwerkingtreding [Geschiedenis:
versie 27 mei 1999]
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat niet eerder
is gelegen dan zes maanden na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en dat voor de verschillende artikelen
of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 11 juni 1999, Stb. 1999, 251, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2000, red.
Art.
XVIII.
Citeertitel [Geschiedenis:
MvT; versie 27 mei 1999]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet beperking export uitkeringen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
27 mei 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de negenentwintigste
juni 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
MEMORIE VAN TOELICHTING
|
|