St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  VERMOGENSWAARDERING  IOAZ
 
 

13 december 2000, Stcrt. 2000, 244
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
(T.a.v. art. 8:7 Ioaz)

 

 

 

 
13 december 2000/nr. BZ/ACT/00/82170
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
b. lijfrente: een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voor zover die uitkeringen verband houden met een lijfrente;
c. pensioenregeling:
1. een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting;
2. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambt of de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
3. een regeling van een andere mogendheid die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd.
d. levensverzekering: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

 

Art. 2.
De waarde van het vermogen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, wordt vastgesteld onmiddellijk nadat het bedrijf of beroep is beëindigd.

 

Art. 3.
-1. Vermogen is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.
-2. Bezittingen zijn:
a. onroerende zaken;
b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;
c. roerende zaken die door de gewezen zelfstandige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen;
d. rechten op roerende zaken;
e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld;
f. overige vermogensrechten met waarde in het economisch verkeer; en
g. goodwill.
-3. Schulden zijn:
a. verplichtingen met waarde in het economisch verkeer;
b. verplichtingen die voortvloeien uit de vaststelling van de waarde van de bezittingen.

 

Art. 4.
Tot de bezittingen behoren niet:
a. rechten die berusten op een pensioenregeling;
b. rechten op uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval toekomende aan de gewezen zelfstandige of zijn echtgenoot;
c. bossen, natuurterreinen en onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen.

 

Art. 5.
-1. Mits niet deel uitmakend van het vermogen van een onderneming behoren niet tot de bezittingen:
a. rechten op lijfrenten in het geval dat deze rechten niet zijn verkregen door middel van het voldoen van een koopsom of indien de premiebetaling niet is aangevangen binnen drie jaar vóór het indienen van de aanvraag in het kader van de wet, tenzij deze rechten zijn verkregen door de omzetting van de fiscale oudedagsreserve in een lijfrente en de opbouw van deze reserve voor de eerder genoemde periode is aangevangen;
b. rechten op ingegane lijfrenten, verkregen krachtens overeenkomst onder bezwarende titel en toekomende aan de gewezen zelfstandige, zijn echtgenoot of minderjarige kinderen, in geval van invaliditeit;
c. polissen van levensverzekering, mits ter zake van de verzekering geen koopsom is voldaan en deze polissen niet dienen als basis voor de financiering van de eigen woning;
d. een bedrag van €|114 131,00 ten behoeve van aanvullende pensioenvoorzieningen. Rechten op lijfrenten, bedoeld in de onderdelen a of b, alsmede polissen van levensverzekering, bedoeld in onderdeel c, worden op dit bedrag, tot ten hoogste een bedrag van €|114 131,00, in mindering gebracht.
-2. Tot de schulden behoren niet premies en bijdragen ter zake van rechten welke ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, en artikel 5, eerste lid, onderdeel a, b en c, niet tot de bezittingen behoren.
-3. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid herziet, met ingang van de dag waarop het nettominimumloon zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag wijzigt, met het percentage van deze wijziging, het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel d.

 

Art. 6.
-1. Bezittingen belast met vruchtgebruik of recht van gebruik worden aangemerkt als bezittingen van de blote eigenaar, tenzij het een door één of beide ouders van de gewezen zelfstandige bewoonde woning betreft. In dat geval wordt deze woning aangemerkt als bezit van de vruchtgebruiker.
-2. Schulden die behoren tot met vruchtgebruik belast vermogen worden aangemerkt als schulden van de blote eigenaar, tenzij het schulden betreft die behoren tot een door één of beide ouders van de gewezen zelfstandige bewoonde woning.

 

Art. 7.
-1. Tot de schulden wordt mede gerekend de inkomstenbelasting die de gewezen zelfstandige na het begin van het kalenderjaar verschuldigd kan worden ter zake van:
a. termijnen van in het vermogen begrepen, niet tot het vermogen van een onderneming behorende rechten die ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen opleveren (stamrechten);
b. in het vermogen begrepen aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigheid en koopopties als bedoeld in artikel 4.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die ingevolge die wet tot een aanmerkelijk belang behoren.
-2. De in het eerste lid bedoelde belasting wordt gesteld op:
a. 30% van de waarde van de stamrechten;
b. 6,25% van de waarde van de aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigheid en koopopties voor zover deze de verkrijgingsprijs daarvan in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 overtreft.

 

Art. 8.
-1. Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer.
-2. Bezittingen en schulden die, al dan niet tezamen, in het economisch verkeer als een eenheid plegen te worden beschouwd, worden als eenheid in aanmerking genomen.
-3. Bezittingen belast met vruchtgebruik of recht van gebruik worden in aanmerking genomen voor 80% van de waarde, bedoeld in het eerste lid, indien de bezitting onbezwaard zou zijn. Schulden behorende tot het met vruchtgebruik belast vermogen worden in aanmerking genomen voor 80% van de in de het eerste lid bedoelde waarde.
-4. De eigen woning waarvan de gewezen zelfstandige eigenaar is en die tot zijn hoofdverblijf dient, wordt gewaardeerd naar 60% van de waarde in het economisch verkeer indien de woning in volle eigendom en onbezwaard (vrij) wordt opgeleverd. Hetzelfde geldt voor de eigen woning direct gekocht na verkoop van de bedrijfswoning.
-5. Voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan de Euronext effectenbeurs te Amsterdam wordt voor de toepassing van het eerste lid de waarde in het economisch verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, uitgegeven door de AEX-Data Services, die geldt naar het tijdstip waarnaar de waarde moet worden bepaald.
-6. De veldinventaris wordt gewaardeerd op basis van de gemaakte kosten, waaronder begrepen arbeidskosten.

 

Art. 9.
Land- en tuinbouwgrond kan bij overdracht van ouders aan kinderen en bij uittreding uit een samenwerkingsverband of rechtspersoon, bij voortzetting van het bedrijf als volwaardig bedrijf, worden gewaardeerd naar de waarde in verpachte staat.

 

Art. 10.
Bij het in aanmerking nemen van bezittingen en schulden wordt geen rekening gehouden met:
a. wettelijk vruchtgenot, alsmede rechten op en verplichtingen tot periodieke uitkeringen en verstrekkingen rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiend, dan wel door ouders aan hun minderjarige kinderen toegekend;
b. lopende termijnen van inkomsten en verplichtingen, alsmede termijnen van inkomsten waarvan de grootte na de aanvang van het kalenderjaar door de schuldenaar wordt vastgesteld, mits zij niet behoren tot de onderneming van de gewezen zelfstandige.

 

Art. 11.
Indien bezittingen in het zicht van de beëindiging van het bedrijf of beroep zijn verkocht of overgedragen en dit, gelet op de aard en strekking van de wet, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, stellen burgemeester en wethouders de waarde van deze bezittingen vast op basis van de waarde in het economisch verkeer bij verkoop zonder bezwaring.

 

Art. 12.
Burgemeester en wethouders kunnen artikel 8, derde lid, buiten toepassing laten indien toepassing van die waardering zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

 

Art. 13.
Het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 1987, houdende nadere regels voor de vaststelling van de waarde van het eigen vermogen bij beëindiging van het bedrijf of beroep (Stcrt. 1987, 122), wordt ingetrokken.

 

Art. 14.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

 

Art. 15.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vermogenswaardering Ioaz.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

‘s-Gravenhage, 13 december 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[13 december 2000]

 

Algemeen

 

     In het kader van de belastingherziening 2001 wordt de Wet op de vermogensbelasting 1964 per 1 januari 2001 ingetrokken. Dit noopt tot intrekking van het Besluit nadere regels voor de vaststelling van de waarde van het eigen vermogen bij beëindiging van het bedrijf of beroep (hierna: de Vermogensbeschikking Ioaz), die in belangrijke mate verwees naar de Wet op de vermogensbelasting 1964, en het maken van een nieuwe regeling vermogenswaardering Ioaz.
     Waar in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is gekozen voor een andere benadering van het vermogen, beoogt de Regeling vermogenswaardering Ioaz (hierna: de regeling) geen rigoureuze inhoudelijke wijziging ten opzichte van de Vermogensbeschikking Ioaz. De uitgangspunten van de Vermogensbeschikking Ioaz zijn overeind gebleven.
     De vermogenswaardering in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) kan plaatsvinden aan de hand van deze regeling.
     Na beëindiging van het zelfstandig bedrijf of beroep verliest het eigen vermogen de functie van voor het eigen bedrijf of beroep bestemd vermogen dat onder meer dient als basis voor het opvangen van de aan de bedrijfsuitoefening verbonden financiële risico’s. Aangezien de vrijkomende middelen aanzienlijk kunnen zijn, is het verantwoord in de Ioaz, die geheel uit de algemene middelen wordt gefinancierd, rekening te houden met het inkomen uit aanzienlijk vermogen.
     De regeling geeft nadere regels voor de waardering van het vermogen zoals bedoeld in artikel 8, zesde lid, Ioaz. Deze waardering is noodzakelijk omdat artikel 8, tweede lid, Ioaz bepaalt dat bij een vermogen hoger dan €|102 554,- (ƒ226 000,-) (jaar 2001) het inkomen uit het meerdere vermogen wordt aangemerkt als inkomen in de zin van de Ioaz. Het inkomen uit vermogen is forfaitair vastgesteld op 4% per jaar.
     De waarde van het vermogen, dit is de waarde van de bezittingen minus de waarde van de schulden, wordt vastgesteld op het moment dat de zelfstandige zijn bedrijf of beroep beëindigt. Beëindiging wil zeggen: het liquideren van het bedrijf of beroep, maar ook uittreden uit een samenwerkingsverband of een rechtspersoon. Het vermogen wordt gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer. Dit wil in het algemeen zeggen de prijs die de meest biedende bereid is te betalen bij verkoop onder normale omstandigheden.
     Op grond van de regeling worden alle vermogensbestanddelen van de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot, voor zover niet uitgesloten, gewaardeerd. Als het bedrijf is geliquideerd of verkocht, is het meestal eenvoudig de waarde van het vermogen vast te stellen. Het voorheen aanwezige vermogen in de onderneming heeft meestal de vorm van liquide middelen of van vorderingen, waarmee de waarde, mits het gaat om reële transacties, een gegeven is. Dit geldt ook voor schulden. Niet te gelde gemaakte vermogensbestanddelen worden overgebracht naar het privévermogen en gewaardeerd. Het is ook mogelijk dat (een deel) van het vermogen belegd blijft in de woning waarvan de gewezen zelfstandige eigenaar is en die voor hem als hoofdverblijf dient, of is belegd in bijvoorbeeld lijfrentepolissen. Voor de waardering daarvan is deze regeling van toepassing.
     Ingeval het vermogen bij de beëindiging van bedrijf of beroep (nog) niet is vast te stellen, omdat bijvoorbeeld nog bezittingen moeten worden verkocht, kan het nodig zijn het vermogen voorlopig te waarderen. Dit geldt bijvoorbeeld ook bij uittreding uit een samenwerkingsverband of rechtspersoon omdat het aandeel van degene die uittreedt uit een samenwerkingsverband of rechtspersoon moet worden vastgesteld. Dit speelt met name in het geval het vermogen naar verwachting meer bedraagt dan de in artikel 8 [van de Ioaz, red.] genoemde grens. Als de werkelijke opbrengst van de beëindiging van het bedrijf bekend is, wordt het vermogen op grond van deze regeling nader vastgesteld.
     Bij geruisloze overdracht vindt de overdracht plaats tegen de waarde zoals die voorkomt op de fiscale balans. Dit vermogen moet worden geherwaardeerd. Uitgangspunt in deze regeling is immers de waarde in het economisch verkeer. Indien sprake is van een overdracht tegen een lagere dan de reële waarde, dient eveneens gewaardeerd te worden naar de waarde in het economisch verkeer. Dit geldt ook indien in vergelijkbare situaties grond is verpacht binnen drie jaar vóór het indienen van de aanvraag ingevolge de Ioaz.
     Voor gevallen waar waardering van met (vrucht)gebruik belast vermogen tot een kennelijke hardheid leidt, is een hardheidsclausule opgenomen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Dit artikel geeft een overzicht van de in de regeling gehanteerde definities. De definities onder b, c en d stemmen overeen met de Wet IB 2001. Bij een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, wezenpensioen en een arbeidsongeschiktheidspensioen.

 

Artikel 2

     Het vermogen wordt gewaardeerd op het moment van bedrijfsbeëindiging. Er kan pas van bedrijfsbeëindiging worden gesproken als de bedrijfsvoering door de zelfstandige is gestaakt. Uit concrete feiten en omstandigheden moet blijken dat het bedrijf wordt of zal worden overgedragen, geliquideerd of dat de zelfstandige uittreedt. Het moet voor de ondernemer niet meer mogelijk zijn het bedrijf "morgen" al dan niet in afgeslankte vorm voort te zetten, bedrijfsactiva dienen te zijn verkocht of overgebracht naar het privévermogen. Het staken van de bedrijfsactiviteiten alleen is niet hetzelfde als bedrijfsbeëindiging in de zin van de Ioaz, omdat er sprake moet zijn van verkoop of liquidatie en/of uittreding uit een samenwerkingsverband. Het kan echter in de praktijk zo zijn dat er nog activa moeten worden verkocht als het bedrijf is beëindigd. Hieruit blijkt dat het begrip bedrijfsbeëindiging in de zin van de Ioaz niet samenvalt met de begrippen liquidatie of overdracht in fiscale zin. Ter illustratie het volgende voorbeeld. De slager die zijn slagerij, inclusief toonbank en voorraden als geheel aan een derde heeft verhuurd, heeft zijn bedrijf niet beëindigd in de zin van de Ioaz. Er vindt geen liquidatie plaats, omdat het bedrijf in zijn geheel in stand blijft: het wordt ook niet overgedragen, omdat de oorspronkelijke ondernemer de eigendom van het bedrijf behoudt.
     De slager die echter zijn voorraad, gereedschap, inventaris e.d. verkoopt en het pand vervolgens leeg verhuurt, heeft zijn bedrijf wél beëindigd. De bedrijfsuitoefening werd immers door hem gestaakt, de onderlinge functionele band van de bedrijfsactiva is verbroken en de activa zijn hetzij verkocht, hetzij overgegaan naar het privévermogen van de zelfstandige. Het is aanvaardbaar dat bepaalde vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld grond of gebouwen, in bezit van de gewezen zelfstandige blijven, voor bijvoorbeeld verhuur of verpachting. Deze bestanddelen dienen gewaardeerd te worden naar de waarde in het economisch verkeer.

 

Artikel 3

     In beginsel worden alle onroerende en roerende zaken aangemerkt als bezittingen. Roerende zaken worden alleen als vermogen aangemerkt indien die roerende zaken niet door de gewezen zelfstandige of door personen die tot zijn huishouden behoren voor persoonlijke doeleinden worden ge- of verbruikt. Indien de gewezen zelfstandige in het bezit is van een aantal voorwerpen van kunst of wetenschap, dient beoordeeld te worden of sprake is van een belegging. Bij de beoordeling kan een rol spelen of het voorwerp deel uitmaakt van een collectie of verzameling en of het voorwerp wordt gebruikt of enkel in een kluis is opgeborgen. Voorts kan bij de beoordeling de waarde van de collectie of verzameling een rol spelen. Heeft de verzameling of collectie een zekere waarde, dan kan sprake zijn van een belegging. Voorkomen dient te worden dat bezittingen met het zicht op de bedrijfsbeëindiging aan de vermogenswaardering worden onttrokken door onderdelen van het bezit te beleggen in voorwerpen van kunst en wetenschap.
     Onder schulden wordt verstaan verplichtingen met waarde in het economisch verkeer. Er dient rekening te worden gehouden met over gerealiseerde boekwinst verschuldigde belasting: deze wordt derhalve tot de schulden gerekend.

 

Artikel 4

     Tot de bezittingen behoren niet rechten die berusten op een pensioenregeling. Evenmin worden, in aansluiting op de Wet IB 2001, tot de bezittingen gerekend bossen, natuurterreinen en onroerende zaken ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed. De op de landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen worden wel als bezit aangemerkt.

 

Artikel 5

     Indien zij geen deel uitmaken van het vermogen van een onderneming, worden niet tot het vermogen gerekend een (niet-)ingegane lijfrente die niet voortvloeit uit een koopsom en een lijfrente waarvoor de premiebetaling is aangevangen meer dan drie jaar vóór de aanvraag ingevolge de Ioaz. De waarde van (niet-)ingegane lijfrenten kan worden opgevraagd bij de verzekeringsmaatschappij. Bij bedrijfsbeëindiging heeft de gewezen zelfstandige de keuze om de in het bedrijf of beroep opgebouwde fiscale oudedagsreserve (FOR) om te zetten in een lijfrente of af te rekenen met de fiscus. Wordt de FOR omgezet in een lijfrente, dan blijft deze voor de vermogenswaardering buiten beschouwing. Kiest de gewezen zelfstandige voor afrekening met de fiscus, dan wordt, rekening houdend met de fiscale verplichtingen, het uit de FOR voortvloeiende vermogen tot het vermogen gerekend.
     Mits niet deel uitmakend van het vermogen van de onderneming, behoren niet tot de bezittingen polissen van levensverzekering indien daarvoor geen koopsom is voldaan en deze polissen niet dienen als basis voor de woning waar de gewezen zelfstandige eigenaar van is en die hem als hoofdverblijf dient.
     Aangezien pensioen niet als deel uitmakend van het vermogen wordt aangemerkt, worden premies en bijdragen ter zake van rechten die rusten op een pensioenregeling of rechten op uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval die toekomen aan de gewezen zelfstandige of zijn echtgenoot, niet tot de schulden gerekend.

 

Artikel 6

     Bezittingen die zijn belast met vruchtgebruik of gebruik worden, alleen in het geval het een door één of beide ouders of schoonouders van de gewezen zelfstandige bewoonde woning betreft, aangemerkt als bezit van de (vrucht)gebruiker. In alle andere gevallen worden deze bezittingen aangemerkt als bezittingen van de blote eigenaar. Eveneens worden schulden behorende tot met vruchtgebruik belast vermogen als schulden van de blote eigenaar aangemerkt. Deze bezittingen worden ingevolge artikel 8 gewaardeerd op 80% van de waarde in het economisch verkeer.

 

Artikel 7

     Bij de bedrijfsbeëindiging komen de fiscale consequenties van de opgebouwde reserves, zoals de oudedagsreserve, vast te staan. In deze regeling wordt rekening gehouden met over stamrechten, waaronder lijfrente, verschuldigde inkomstenbelasting. Omdat stamrechten pas bij de uitbetaling ervan door de fiscus worden belast, dient daarmee bij het vaststellen van het vermogen rekening te worden gehouden. Eveneens wordt rekening gehouden met over aandelen, winstbewijzen en dergelijke, die tot een aanmerkelijk belang behoren, verschuldigde inkomstenbelasting. De percentages, genoemd in het tweede lid, hebben een forfaitair karakter.

 

Artikel 8

     De eigen woning waarvan de gewezen zelfstandige eigenaar is en die tot zijn hoofdverblijf dient, wordt gewaardeerd op 60% van de waarde in het economisch verkeer indien de woning vrij en onbezwaard wordt opgeleverd. Deze waardering geldt ook voor de in waarde vergelijkbare woning die de gewezen zelfstandige koopt direct na verkoop van de bedrijfswoning. Daarbij dient het te gaan om een woning met een waarde die niet aanzienlijk hoger is dan de verkochte bedrijfswoning.
     De waarde van de woning in het economisch verkeer is bepalend, niet de waarde vastgesteld in het kader van de Wet onroerend zaakbelasting (WOZ) [Wet waardering onroerende zaken, red.]. In deze regeling geldt de waarde in het economisch verkeer, aangezien de regeling voorschrijft dat de waarde van het vermogen wordt vastgesteld onmiddellijk nadat het bedrijf of beroep is beëindigd. De waardevaststelling in het kader van de WOZ vindt maar eenmaal per vijf jaar plaats en voldoet daarmee niet aan het vereiste dat de vermogenswaardering plaatsvindt onmiddellijk na beëindiging van het bedrijf of beroep.
     In het vijfde lid is bepaald dat voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan de Euronext effectenbeurs te Amsterdam, de waarde in het economisch verkeer wordt gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant uitgegeven door AEX-Dataservices die geldt naar het tijdstip waarnaar de waarde moet worden bepaald, dat wil zeggen de datum van bedrijfsbeëindiging. De noteringen van de AEX-dataservices zijn voor een breed publiek kenbaar, omdat ze onder meer worden gepubliceerd in de landelijke dagbladen.
     De veldinventaris wordt gewaardeerd op basis van gemaakte kosten. Tot deze kosten behoren ook de arbeidskosten van de (gewezen) zelfstandige.

 

Artikel 9

     Met voortzetting van het volwaardig bedrijf wordt bedoeld dat het bedrijf moet dienen als bestaansvoorziening voor degene die het bedrijf overneemt. Als het bedrijf wordt voortgezet als nevenactiviteit, is er geen sprake van voortzetting van het bedrijf zoals in deze regeling bedoeld.
     Heeft de gewezen zelfstandige de keuze bij beëindiging van het bedrijf de grond te verpachten dan wel te verkopen, dan dient gewaardeerd te worden naar de verkoopwaarde in het economisch verkeer. Dit geldt eveneens voor grond die binnen drie jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag is verpacht.

 

Artikel 11

     Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders de vermogensbestanddelen waarderen die in het zicht van de bedrijfsbeëindiging zodanig zijn overgedragen of verkocht dat daarmee de inkomenstoets geheel of gedeeltelijk wordt ontweken. Dit kan het geval zijn indien de eigendom is overgedragen, waarbij het vruchtgebruik is voorbehouden. Het vermogen wordt dan nader vastgesteld naar de waarde in het economisch verkeer bij overdracht zonder bezwaring. Voorts kan correctie nodig zijn indien vermogensbestanddelen zijn verkocht voor een niet-reële prijs.

 

Artikel 12

     Dit artikel is opgenomen met het oog op die gevallen waarin de waardering van de vermogensbestanddelen belast met vrucht(gebruik) op basis van de vermogensgrondslag van artikel 8, derde lid, voor de gewezen zelfstandige kennelijk onbillijk zou zijn. In dergelijke gevallen kan de waardering van deze vermogensbestanddelen lager worden vastgesteld dan wel, indien hiertoe in bijzondere gevallen aanleiding bestaat, achterwege blijven.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ioaz | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x