Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Besluit overgangsregels werkloosheidswetten stelselherziening sociale zekerheid (vervallen)
- Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (vervallen)
- Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (vervallen)
- Regeling ex artikel 48, vierde lid, Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (vervallen)
- Regeling herziening waardering producten uit eigen bedrijf
- SZW-intrekkingsregeling 2004

Relevante overige regelgeving:
- Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
- Werkloosheidswe

 

 

Inhoudsopgave IWS

Hoofdstuk I Algemene bepalingen artt. 1 - 1a
Hoofdstuk II De werkloosheidswetten artt. 2 - 38
Afdeling Ix Algemene bepalingen artt. 2 - 9
Afdeling IIx De personenkring art. 10
Afdeling IIIx De voorwaarden voor het recht op uitkering artt. 11 - 12
Afdeling IVx Het geldend maken van het recht op uitkering artt. 13 - 15
Afdeling Vx De betaling van de uitkering art. 16
Afdeling VIx De duur van de uitkering artt. 17 - 21
Afdeling VIIx De hoogte van de uitkering artt. 22 - 24
Afdeling VIIIx Toekenning loonsuppletie bij werkaanvaarding tegen lager loon (vervallen) art. 25
Afdeling IXx De vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid artt. 26 - 30
Afdeling Xx De uitvoeringsinstanties artt. 31 - 32
Afdeling XIx Wijziging van de Wet Werkloosheidsvoorziening art. 33
Afdeling XIIx Overgangs- en slotbepalingen artt. 34 - 38
Hoofdstuk III De arbeidsongeschiktheidswetten artt. 39 - 59
Afdeling Ix Wijzigingen van wetten artt. 39 - 42
Afdeling IIx Overgangsbepalingen artt. 43 - 50
Afdeling IIIx Aanvullende uitkeringen artt. 51 - 59
Hoofdstuk IV De Ziektewet artt. 60 - 64a
Afdeling Ix Wijzigingen van de wet artt. 60 - 61
Afdeling IIx Overgangsbepalingen artt. 62 - 64a
Hoofdstuk V De Organisatiewet Sociale Verzekering artt. 65 - 67
Afdeling Ix Wijzigingen van de wet art. 65
Afdeling IIx Overgangsbepalingen artt. 66 - 67
Hoofdstuk VI De Coördinatiewet Sociale Verzekering art. 68
Hoofdstuk VII De Algemene Bijstandswet art. 69 - 72
Afdeling Ix Wijziging van de wet art. 69
Afdeling IIx Wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering art. 70
Afdeling IIIx Wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria art. 71
Afdeling IVx Wijziging van het Bijstandsbesluit krediethypotheek art. 72
Hoofdstuk VIII Overige wetten artt. 73 - 77a
Hoofdstuk IX Slotbepalingen artt. 78 - 82
xxxxxxxxxxxxx   xxxxxxxxxxxr

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1985-1986, 1986-1987, 19 606.
Handelingen II 1986-1987, blz. 408-419, 559.
Kamerstukken I 1986-1987, 19 606 (41, 41a, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1986-1987, zie vergadering d.d. 4 november 1986.

Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 200Staatscourant 1995, 248Staatsblad 1995, 691Staatscourant 1996, 43Staatscourant 1996, 134Staatscourant 1996, 247Staatsblad 1996, 665Staatsblad 1997, 96Staatsblad 1997, 162Staatscourant 1997, 118Staatscourant 1997, 244Staatsblad 1997, 660Staatsblad 1997, 768Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794Staatsblad 1998, 205Staatscourant 1998, 244Staatsblad 1998, 742Staatscourant 1999, 132Staatscourant 1999, 242Staatscourant 2000, 113Staatscourant 2000, 228Staatsblad 2000, 571Staatsblad 2000, 627Staatscourant 2001, 120Staatsblad 2001, 625Staatscourant 2001, 248Staatscourant 2002, 115Staatscourant 2002, 245Staatscourant 2003, 54Staatscourant 2003, 119Staatscourant 2003, 249Staatscourant 2004, 57Staatscourant. 2004, 120Staatsblad 2004, 311Staatsblad 2004, 363Staatscourant 2004, 244Staatsblad 2005, 192Staatscourant 2005, 63Staatsblad 2005, 573Staatscourant 2005, 245Staatsblad 2006, 167Staatscourant 2006, 125Staatsblad 2006, 703Staatscourant 2007, 35Staatscourant 2007, 120Staatsblad 2007, 302Staatscourant 2007, 247.

 

 

WET van 6 november 1986, Stb. 1986, 567, houdende intrekking van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe Werkloosheidswet en een aantal andere wetten, alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een aantal wetten en regelingen (Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid). Inwerkingtreding: 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de intrekking van de Werkloosheidswet, de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet, houdende nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid), de Wet, houdende wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet-gehuwde personen met gehuwden en de Wet, houdende wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten), alsmede regels te stellen met betrekking tot het in het kader van die intrekking en invoering noodzakelijke overgangsrecht, en voorts een aantal wetten en regelingen in verband daarmee aan te passen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96Stb. 1997, 660 + bisStb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Werkloosheidswet: de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt;
c. Wet Werkloosheidsvoorziening: de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt;
d. nieuwe Werkloosheidswet: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Kamerstukken II 1985-1986, 19 261), zoals dat tot wet wordt verheven;
e. Toeslagenwet: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen die één of meer personen tot hun financiële last hebben (Kamerstukken II 1985-1986, 19 257), zoals dat tot wet wordt verheven;
f. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd (Kamerstukken II 1985-1986, 19 260), zoals dat tot wet wordt verheven;
g. Wijzigingswet AAW/WAO: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Kamerstukken II 1985-1986, 19 256), zoals dat tot wet wordt verheven;
h. Wijzigingswet ABW: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet-gehuwde personen met gehuwden (Kamerstukken II 1985-1986, 19 259), zoals dat tot wet wordt verheven;
i. Wijzigingswet AOW: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten) (Kamerstukken II 1985-1986, 19 258), zoals dat tot wet wordt verheven;
j. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
k. gemeentebestuur: burgemeester en wethouders.
-2. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.

 

Art. 1a. Vervallen[GeschiedenisStb. 1997, 789Stb. 2000, 627Stb. 2007, 302]

 

 

HOOFDSTUK  II

De werkloosheidswetten

 

AFDELING  I

Algemene bepalingen

 

Art. 2. [Intrekking WW-oud]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De Werkloosheidswet wordt ingetrokken.
-2. De Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing op de rechten, bevoegdheden en verplichtingen over tijdvakken gelegen vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, voor zover in deze wet of de daarop berustende bepalingen niet anders is bepaald.

 

Art. 3. [Geen nieuw recht op WWV-uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. Vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, ontstaat geen nieuw recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, 10 en hoofdstuk IIIa van die wet.
-2. Aanvragen om uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening ter zake van rechten ontstaan vóór de in het eerste lid bedoelde dag kunnen slechts leiden tot toekenning van uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, 10 en hoofdstuk IIIa van die wet indien deze aanvragen zijn ingediend vóór de eerste dag van de zevende maand na de inwerkingtreding van de wet waarmee dit lid werd toegevoegd aan deze wet.

 

Art. 4. [Overgangsrecht WW-oud inzake oude uitkeringsrechten]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. De Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet had, zolang hij niet de maximumuitkeringsduur op grond van die wet heeft bereikt.
-2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt, zolang voor hem geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet is ontstaan, gelijkgesteld de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt geen recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet had, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of omdat artikel 31, eerste en tweede lid, zo nodig in verbinding met artikel 39 van die wet op hem van toepassing was;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a of b, niet meer op hem van toepassing is, vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet zou hebben gehad indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
-3. De Werkloosheidswet blijft van toepassing ten aanzien van de persoon:
a. wiens werkgever op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt in staat van faillissement was verklaard, surséance van betaling was verleend of in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel 42a, tweede lid, van de Werkloosheidswet en die in verband daarmee recht had op een betaling op grond van hoofdstuk IIIa van laatstgenoemde wet;
b. die op de dag voorafgaand aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op loonsuppletie op grond van hoofdstuk IIIb van de Werkloosheidswet;
voor de duur van de betaling of de duur van de loonsuppletie.
-4. Zolang de Werkloosheidswet op hem van toepassing blijft, wordt de uitkering van de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon wiens uitkering niet is berekend naar het minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a van die wet, voor de toepassing van de Toeslagenwet beschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-5. In afwijking van het eerste lid is artikel 26 van de Werkloosheidswet niet van toepassing op de uitkering van de in het eerste, het tweede of het derde lid bedoelde persoon. In dat geval wordt deze persoon voor de toepassing van de Ziektewet (Stb. 1967, 473) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492) als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet beschouwd, wordt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als werkgever beschouwd en wordt deze uitkering voor de toepassing van artikel 3a, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64) als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet aangemerkt.
-6. In aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in het eerste lid, heeft de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, tenzij die wet of deze wet dat verhindert.

 

Art. 5. [Overgangsrecht WWV inzake oude uitkeringsrechten]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening, zolang geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet is ontstaan.
-2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt gelijkgesteld de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening had, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, van die wet;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a of b, niet meer op hem van toepassing is, vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet heeft.
-3. In afwijking van het eerste en het tweede lid zijn de Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen niet meer op de in die leden bedoelde personen van toepassing indien in de periode gelegen twee jaar na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking is getreden geen recht op uitkering bestaat, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel e tot en met n, of artikel 14, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
-4. De persoon die in de periode gelegen twee jaar na de dag, bedoeld in het derde lid, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening heeft, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a tot en met d bis, van die wet, heeft na afloop van die onderbreking recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-5. Het eerste en tweede lid gelden niet indien ten aanzien van de in die leden bedoelde persoon tevens artikel 4 van toepassing is.

 

Art. 6. [WW-nieuw van toepassing op rechthebbenden 57,5 jaar of ouder]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. In afwijking van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, is ten aanzien van de persoon die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder was en op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening, de nieuwe Werkloosheidswet van toepassing.
-2. Artikel 4, tweede lid, en artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of vanaf het bereiken van de leeftijd van 58 jaar op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening zou hebben gehad.
-3. De arbeidsverhouding van de persoon, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan wie door het Rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt als dienstbetrekking in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet beschouwd.

 

Art. 7. [Recht op Ioaw-uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorziening en op de eerste dag van werkloosheid 47,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 17 of bedoeld in de Wet Werkloosheidsvoorziening, recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 3º, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
-2. De persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de Wet Werkloosheidsvoorziening, heeft met ingang van de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 3º, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
-3. Artikel 4, tweede lid, en artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of vanaf het bereiken van de leeftijd van 48 jaar op grond van hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorziening zou hebben gehad.
-4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt geen recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de Wet Werkloosheidsvoorziening, omdat dat recht is onderbroken door werkaanvaarding of een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, tweede lid, doch die na afloop van die onderbreking recht zou hebben gehad op deze uitkering indien dat hoofdstuk niet zou zijn vervallen.

 

Art. 8. [Uitsluiting uitkeringsrecht WW-nieuw]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
Ter zake van werkloosheid ontstaan vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt en in verband met die werkloosheid de artikelen 4 tot en met 7 niet van toepassing zijn, ontstaat geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.

 

Art. 9. [Nadere regelgeving]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot deze afdeling nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen. [Bowssz]

 

 

AFDELING  II

De personenkring

 

Art. 10. [Aanspraken werkloze overheidswerknemer] [BvawbgaA]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 162Stb. 1997, 768 + bisStb. 1998, 742Stb. 2007, 302]
-1. Tot het tijdstip aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet kunnen ten aanzien van degene die overheidswerknemer is, in de zin van artikel 1, onderdeel l, onder 1º, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot de Stichting Pensioenfonds ABP of een lichaam als bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, niet zijnde het Rijk, een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder, bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent zijn ten laste van die stichting of dat lichaam komende aanspraken bij werkloosheid.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die overheidswerknemer is uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een lichaam als bedoeld in artikel 2, onderdeel b tot en met e, van de Wet privatisering ABP, mits zodanig lichaam krachtens subsidievoorwaarden voorschriften als bedoeld in het eerste lid toepast.
-3. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent aanspraken bij werkloosheid ten laste van een lichaam als bedoeld in dat lid van degene die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt een aanspraak op uitkering ontleent aan de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet.

 

 

AFDELING  III

De voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 11. [Referte-eis]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De personen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden geacht te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 17 van de nieuwe Werkloosheidswet.

 

Art. 12. [Arbeidsweken vóór inwerkingtreding WW-nieuw] [Bowssz]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 167Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet was en die in de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 17 van die wet, in weken gelegen vóór de dag waarop die wet in werking treedt arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening, dan wel zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld, wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet.
-2. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet was en die in de periode van 36 weken, bedoeld in artikel 17 van die wet, in weken vanaf de dag waarop die wet in werking treedt arbeid heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet.
-3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van de Werkloosheidswet was en wiens werkloosheid begint op de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
-4. Artikel 17a van de nieuwe Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
-5. Ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 51 en die op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid intrad werknemer was in de zin van de Werkloosheidswet, zijn het eerste en het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
-6. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.

 

 

AFDELING  IV

Het geldend maken van het recht op uitkering

 

Art. 13. [Ambtshalve vaststelling uitkeringsrecht WW-nieuw]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
In afwijking van artikel 22 van de nieuwe Werkloosheidswet stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ambtshalve vast of de persoon, bedoeld in artikel 4, wiens recht op uitkering is geëindigd wegens het bereiken van de maximumuitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet of artikel 4, en de persoon, bedoeld in artikel 6, recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet hebben.

 

Art. 14. [Overgangsrecht weigering uitkering bij niet-nakoming verplichtingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96 + bisStb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. Indien ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 4, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met artikel 39 van de Werkloosheidswet van toepassing was en ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 6, op dat tijdstip artikel 14 van de Wet Werkloosheidsvoorziening van toepassing was, wordt deze toepassing voortgezet, tenzij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met gebruikmaking van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, anders beslist.
-2. Bij het gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering niet verder weigeren en de uitkeringsduur niet verder beperken dan de mate waarin en de duur waarover uitsluiting of verlaging van de uitkering op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met artikel 39 van de Werkloosheidswet of artikel 14 van de Wet Werkloosheidsvoorziening nog zou hebben plaatsgehad indien de nieuwe Werkloosheidswet niet in werking was getreden.

 

Art. 15. [Schakelbepaling]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De artikelen 36 en 37 van de nieuwe Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

 

 

AFDELING  V

De betaling van de uitkering

 

Art. 16. [Uitbetaling WWV-uitkering via gemeente]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96 + bisStb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
Indien aan een werknemer als bedoeld in artikel 5 of 6, uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening is toegekend over een periode waarover recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet bestaat, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die toegekende uitkering, zonder machtiging van de werknemer, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.

 

 

AFDELING  VI

De duur van de uitkering

 

Art. 17. [Uitkeringsduur]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. In afwijking van artikel 42, eerste en tweede lid, en artikel 49 van de nieuwe Werkloosheidswet is de uitkeringsduur voor de persoon, bedoeld in artikel 4 en artikel 5, vierde lid, die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van acht of meer uren per week te hebben gestaan: een halfjaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar.
-2. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b en c, wordt de uitkeringsduur verlengd met een halfjaar indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande ten minste gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van acht of meer uren per week te hebben gestaan.
-3. Perioden waarin de persoon, bedoeld in artikel 4:
a. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van acht of meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. vóór of vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van acht of meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van acht of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d vóór of vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht had op een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
-4. Tijdens de duur op grond van dit artikel is artikel 34, vierde en vijfde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet niet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel 34, zesde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, tijdens de duur op grond van dit artikel, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep waaruit hij werkloos is.
-5. artikel 42, vierde tot en met negende lid, van de nieuwe Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
-6. De artikelen 43 en 76 van de nieuwe Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste en het tweede lid.

 

Art. 18. [Verlenging WW-uitkeringsduur]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
Indien het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet van de persoon, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid op een tijdstip gelegen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Werkloosheidswet recht op uitkering is ontstaan op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van die wet wordt voldaan, wordt de duur van die uitkering voor zover de werknemer ter zake van het eerstbedoelde recht aan de in artikel 17, eerste en tweede lid, genoemde voorwaarden voldeed, verlengd met de duur, bedoeld in die leden.

 

Art. 19. [Verlenging WWV-uitkeringsduur]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
Indien het recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening van de persoon, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid op een tijdstip gelegen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Werkloosheidswet recht op uitkering is ontstaan op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van die wet wordt voldaan, wordt de duur van die uitkering verlengd met de duur van de uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening die de werknemer als gevolg van de eindiging van het recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening niet heeft ontvangen.

 

Art. 20. [Eindiging uitkering bij bereiken 65-jarige leeftijd]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
In afwijking van artikel 42, eerste en tweede lid, en artikel 49 van de nieuwe Werkloosheidswet eindigt de uitkeringsduur voor de persoon, bedoeld in artikel 6, op de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Het vierde lid van artikel 17 is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 21. [Werknemer ex WW-nieuw]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet was, wordt voor de toepassing van de artikelen 17, onderdeel b, en 17b van die wet als werknemer in de zin van die wet beschouwd gedurende de periode waarin hij:
a. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in dienstbetrekking heeft gestaan dan wel zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld;
b. vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt een arbeidsverhouding had ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd.
-2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 12, derde en vijfde lid, is het eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.
-3. Met betrekking tot de periode vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
-4. Met betrekking tot de periode vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, is artikel 17, derde lid, onderdeel b en e, van overeenkomstige toepassing.
-5. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.

 

 

AFDELING  VII

De hoogte van de uitkering

 

Art. 22. [Uitkeringshoogte]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en 6, bedraagt de uitkering per dag 70% van het dagloon dat gold op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
-2. Indien voor de persoon, bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en 6, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt als dagloon het minimumdagloon in aanmerking werd genomen, blijft, zodra de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt, het minimumdagloon voor hem gelden zolang hij voldoet aan de voorwaarden zoals deze op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt op grond van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen zijn gesteld.
-3. Indien voor de persoon, bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en 6, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt het minimumdagloon in aanmerking werd genomen met toepassing van artikel 12c, derde lid, van de Werkloosheidswet of 5c, derde lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening, wordt voor het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet als dagloon aangemerkt 70% van het voor deze persoon in aanmerking genomen minimumdagloon.

 

Art. 23. [Herziening dagloon]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
In afwijking van de op grond van artikel 12a van de Werkloosheidswet en artikel 5a van de Wet Werkloosheidsvoorziening gestelde regels wordt het dagloon, bedoeld in artikel 22, herzien overeenkomstig artikel 46 van de nieuwe Werkloosheidswet.

 

Art. 24. [Kopjesregeling WW-ers]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200Stcrt. 1995, 248Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 134Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 118Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 789Stb. 1998, 205Stcrt. 1998, 244Stb. 1998, 742Stcrt. 1999, 132Stcrt. 1999, 242Stcrt. 2000, 113Stcrt. 2000, 228Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 120Stcrt. 2001, 248Stcrt. 2002, 115Stcrt. 2002, 245Stcrt. 2003, 54Stcrt. 2003, 119Stcrt. 2003, 249Stcrt. 2004, 57Stcrt. 2004, 120Stb. 2004, 363Stcrt. 2004, 244Stb. 2005, 192Stcrt. 2005, 63Stcrt. 2005, 245Stcrt. 2006, 125Stb. 2006, 703Stcrt. 2007, 35Stcrt. 2007, 120Stb. 2007, 302Stcrt. 2007, 247]
-1. De persoon die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de nieuwe Werkloosheidswet die bij de aanvang van de werkloosheid is berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet of bedoeld in hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswet, indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan €|30,44, €|36,32, onderscheidenlijk €|47,17.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond van de Werkloosheidswet of bedoeld in hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswet dan wel, indien tegelijkertijd recht bestaat op meerdere uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, het totaalbedrag van die uitkeringen, doch ten hoogste het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
-3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand, worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.

 

 

AFDELING  VIII

Toekenning loonsuppletie bij werkaanvaarding tegen lager loon

Vervallen

 

Art. 25. Vervallen[GeschiedenisStb. 2007, 302]

 

 

AFDELING  IX

De vrijwillige verzekering van uitkeringen bij werkloosheid

 

Art. 26. [Toelatingseisen vrijwillige werkloosheidsverzekering]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering, bedoeld in hoofdstuk III van de nieuwe Werkloosheidswet, toe de persoon jonger dan 65 jaar die op de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt:
a. buiten Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is; of
b. Nederlander is en die werkzaamheden verricht in een ontwikkelingsland.

 

Art. 27. [Indieningstermijn toelatingsverzoek vrijwillige werkloosheidsverzekering]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering op grond van artikel 26 dient te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating, ingediend na afloop van de in het eerste lid gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

 

Art. 28. [Gelijktijdige toelating niet-ZW-verzekerde tot vrijwillige ZW-verzekering]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
Met inachtneming van hetgeen in de Ziektewet met betrekking tot de vrijwillige verzekering op grond van die wet overigens is bepaald, laat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de persoon, bedoeld in artikel 26, die niet op grond van de Ziektewet is verzekerd, tegelijkertijd tot die verzekering toe.

 

Art. 29. [In aanmerking te nemen arbeidsweken vrijwillig verzekerde]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 2007, 302]
Met betrekking tot het recht op uitkering, bedoeld in artikel 15 van de nieuwe Werkloosheidswet, en de duur van de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 en 49 van de nieuwe Werkloosheidswet, van de persoon, bedoeld in artikel 26, worden van de periode voorafgaande aan de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt slechts in aanmerking genomen de weken waarin hij:
a. arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet;
b. arbeid heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd;
c. zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld;
d. arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Wet Werkloosheidsvoorziening en voor werkzaamheden buiten Nederland is uitgezonden in het kader van ontwikkelingssamenwerking, of werkzaam is voor een volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund.

 

Art. 30. [Schakelbepaling]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 2007, 302]
Hoofdstuk III van de nieuwe Werkloosheidswet is, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering van de persoon, bedoeld in artikel 26.

 

 

AFDELING  X

De uitvoeringsinstanties

 

Art. 31. [Overgang fondsen WW-oud]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
Een wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 102 van de nieuwe Werkloosheidswet respectievelijk het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103 van die wet, is een voortzetting van een fonds als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk een voortzetting van het fonds, bedoeld in hoofdstuk II van die wet, in de vorm van een afzonderlijk beheerd en geadministreerd onderdeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

Art. 32. [Verzekering rechthebbende 57,5 jaar of ouder bij UWV] [Bowssz]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. De persoon, bedoeld in artikel 6, is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. Het gemeentebestuur waarvan de persoon, bedoeld in artikel 6, uitkering ontvangt, meldt die persoon aan bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

 

AFDELING  XI

Wijziging van de Wet Werkloosheidsvoorziening

 

Art. 33. [Wijziging WWV]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Wet Werkloosheidsvoorziening wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 5b, tweede lid, wordt "als bedoeld in artikel 16a" vervangen door: als bedoeld in artikel 16b.
B.
In artikel 5c, tweede lid, wordt de komma na "87,5% van het minimumdagloon" vervangen door een punt en vervalt de daarop volgende zinsnede.
C. [MvT]
Artikel 5c, vierde lid, wordt vervangen door:
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt:
a. verstaan onder pleegkind een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed;
b. als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de man of de vrouw met wie zij of hij gehuwd is;
c. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;
d. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de man of vrouw met wie zij of hij gehuwd is.
D. [MvT]
In artikel 5c worden het vijfde en zesde lid vernummerd tot het zesde en zevende lid, waarna een nieuw vijfde lid wordt ingevoegd, luidende:
-5. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
E. [MvT]
Onder vernummering van artikel 16a tot artikel 16b wordt na artikel 16 een nieuw artikel 16a ingevoegd, luidende:
Art. 16a.
-1. De werknemer die 21 jaar of ouder is, doch bij de aanvang van een kalenderjaar jonger is dan 27 jaar, die voor de toepassing van artikel 5c niet als gehuwd wordt aangemerkt en die op grond van deze wet recht op uitkering heeft die is berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan ƒ47,96, ƒ55,77, onderscheidenlijk ƒ65,50.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, of indien dit lager is, het dagloon en de uitkering, bedoeld in artikel 16, met dien verstande dat indien artikel 17 wordt toegepast, in aanmerking wordt genomen het uit te betalen bedrag van de uitkering na toepassing van artikel 17, verhoogd met het bedrag van de in laatstgenoemd artikel bedoelde inkomsten.
-3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen genoemd in het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132) worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
-4. Minimumloon als bedoeld in het eerste lid is het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
F.
In artikel 19 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het derde en vierde lid worden vernummerd tot het zesde en zevende lid, waarna een nieuw derde, vierde en vijfde lid worden ingevoegd, luidende:
-3. Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
-4. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-5. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het vierde lid.
2. In het zevende lid wordt "het derde lid" vervangen door: het zesde lid.
G. [MvT]
Artikel 28a wordt vervangen door:
Art. 28a.
-1. Indien een werknemer recht op uitkering heeft over een periode waarover uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is het gemeentebestuur bevoegd de uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of bijstand te verrekenen of de uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die uitkering of de verleende bijstand, zonder machtiging van de werknemer, te betalen aan het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt het gemeentebestuur aan het gemeentebestuur dat de uitkering of de bijstand verleende tevens het bedrag aan premies op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 55) dat ten laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij de verlening van bijstand met de uitkering rekening is gehouden.
-4. Indien het gemeentebestuur gebruikmaakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt het de werknemer daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
H. [MvT]
Hoofdstuk lllb vervalt.

 

 

AFDELING  XII

Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 34. [Overgangsregeling 1 oktober 2006 kopjesregeling WW-ers]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96 + bisStb. 1997, 794Stb. 2001, 625Stb. 2004, 311Stb. 2006, 703Stb. 2007, 302]
Artikel 24 zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 blijft van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb van de nieuwe Werkloosheidswet zoals die hoofdstukken luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Wet wijziging WW-stelsel, waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen op of vóór laatstbedoelde dag.

 

Art. 35. [Wijziging WW]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Indien het bij koninklijke boodschap van 15 december 1980 ingediende voorstel van wet tot nadere wijziging van enige socialeverzekeringswetten, de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds en enige fiscale wetten in verband met het misbruik van rechtspersonen (Kamerstukken II 1980-1981, 16 530) tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 128, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet de zinsnede "bedoeld in artikel 16a en artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering" vervangen door: bedoeld in artikel 16a, artikel 16b en artikel 16c, eerste lid, onderdeel d, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

Art. 36. [Wijziging WW, TW en Ioaw inzake onvervreemdbaarheid uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Totdat het bij koninklijke boodschap van 4 mei 1983 ingediende voorstel van wet houdende algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen (Kamerstukken II 1982-1983, 17 897) tot wet is verheven en in werking is getreden, luiden artikel 40, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, artikel 25, eerste lid, van de Toeslagenwet en artikel 25, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als volgt:
-1. De uitkering is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van levensonderhoud waartoe de betrokkene volgens de wet is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.

 

Art. 37. [Rijksvergoeding WWV-kosten aan gemeente]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 691Stb. 2007, 302]
-1. Vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, vindt geen vergoeding aan de gemeente plaats van de kosten, bedoeld in artikel 40, onderdeel e en f, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
-2. Het Rijk verstrekt gedurende vier perioden van twaalf maanden vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt aan de gemeente een uitkering die is gebaseerd op de kosten die over het dienstjaar 1984 op grond van artikel 40, onderdeel e en f, van de Wet Werkloosheidsvoorziening aan de gemeente zijn vergoed.
-3. De uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt gedurende de eerste tot en met de vierde periode van twaalf maanden vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, onderscheidenlijk 80%, 60%, 40% en 20% van de in het tweede lid bedoelde kosten.
-4. Vanaf 1 januari 1991 verstrekt het Rijk aan de gemeente een uitkering van ƒ1050,00 per toegewezen aanvraag.
-5. Onze Minister is bevoegd de verstrekte uitkering, bedoeld in het tweede en het vierde lid, gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen indien het gemeentebestuur niet of in onvoldoende mate voldoet aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
-6. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot de wijze van verstrekking van de in dit artikel bedoelde uitkeringen nadere regels te stellen.

 

Art. 38. [Beslissingen o.g.v. WW-nieuw en Ioaw]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Beslissingen en uitkeringen op grond van dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen worden, voor zover de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening en de op die wetten berustende bepalingen niet van toepassing blijven, voor de toepassing van wettelijke bepalingen beschouwd als beslissingen en uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

 

 

HOOFDSTUK  III

De arbeidsongeschiktheidswetten

 

AFDELING  I

Wijzigingen van wetten

 

Art. 39. [Wijziging AAW]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 1 vervalt het tweede lid, waarna het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.
B. [MvT]
Artikel 3, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
In artikel 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de verzekerde geacht geen inkomen te hebben verworven indien dit inkomen minder bedroeg dan 48-maal het minimumloon, bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor een persoon van 23 jaar of ouder, zoals dat gold op de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
2. In het tiende lid wordt "Door Onze Minister" vervangen door: Bij algemene maatregel van bestuur.
3. Het elfde lid wordt vervangen door:
-11. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
D. [MvT]
Artikel 10 wordt vervangen door:
Art. 10.
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon.
-2. Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitkeringsgerechtigde die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid niet in een voor zijn beroep normaal te achten duur arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven heeft verricht en die mede als gevolg daarvan minder inkomen heeft verworven dan 260-maal de grondslag, bedoeld in het eerste lid.
-4. Voor de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het derde lid, geldt als grondslag voor de berekening van de uitkering hetgeen hij in het jaar, bedoeld in het derde lid, geacht wordt gemiddeld per dag aan inkomen te hebben verworven.
-5. Indien het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien, wordt de grondslag, bedoeld in het vierde lid, naar evenredigheid herzien.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het inkomen en de arbeid van normaal te achten duur, bedoeld in het derde en het vierde lid, en kunnen ook overigens nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
E. [MvT]
De artikelen 10a, 11 en 11a vervallen.
F. [MvT]
Artikel 12, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25-35%              21% van de grondslag;
35-45%              28% van de grondslag;
45-55%              35% van de grondslag;
55-65%              42% van de grondslag;
65-80%              50,75, van de grondslag;
80% of meer      70% van de grondslag.
G. [MvT]
De artikelen 12a tot en met 12c vervallen.
H. [MvT]
In artikel 29a worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt "artikel 10, vijfde lid," vervangen door: artikel 10, vierde lid,.
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 10, derde lid, in plaats van "het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid" gelezen: de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid.
I. [MvT]
In artikel 34, eerste lid, wordt "90% van de grondslag" vervangen door: 85% van de grondslag.
J. [MvT]
In artikel 44 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede "onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 12a, 12b en 12c".
2. Aan het eerste lid, onderdeel a, wordt toegevoegd: indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde.
3. Het tweede tot en met het vijfde lid worden vernummerd tot het vijfde tot en met het achtste lid, waarna een nieuw tweede, derde en vierde lid worden ingevoegd, luidende:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het derde lid.
4. In het zesde lid wordt "het eerste en het tweede lid" vervangen door: het eerste tot en met het vijfde lid.
5. In het zevende lid wordt "tweede lid" vervangen door: vijfde lid.
6. In het achtste lid wordt "tweede lid" vervangen door: vijfde lid.
K. [MvT]
In artikel 48 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het eerste, tweede en het derde lid vervallen, waarna het vierde, vijfde en zesde lid worden vernummerd tot tweede, derde en vierde lid.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen uitkering op grond van deze wet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en in de gevallen, bedoeld in onderdeel a, b en c, op ziekengeld op grond van de Ziektewet, waaronder in afwijking van artikel 1, tweede lid, mede wordt verstaan uitkering voortvloeiende uit artikel 57 van de Ziektewet, op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien zij door toedoen van de persoon aan wie of de instelling aan welke betaling plaatsvond onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de persoon aan wie of de instelling aan welke betaling plaatsvond redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde; en
c. gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van een herziening van de grondslag op grond van artikel 10, is verlaagd.
3. In de aanhef van het eerste lid wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze toegevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.
4. In het vierde lid wordt "het derde, het vierde en het vijfde lid" vervangen door: het tweede en het derde lid.
5. Aan het artikel wordt een vijfde en zesde lid toegevoegd, luidende:
-5. Indien de betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ziekengeld, een werkloosheidsuitkering of een toeslag ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging van de betrokkene, de bedragen die teruggevorderd kunnen worden of in mindering kunnen worden gebracht te betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
-6. Indien de bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
L. [MvT]
Artikel 49 wordt vervangen door:
Art. 49.
-1. Indien een persoon recht op uitkering heeft over een periode waarover een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of bijstand, zonder machtiging van die persoon, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het bedrag aan premies op grond van deze wet, de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij de verlening van bijstand met de uitkering rekening is gehouden.
-4. Indien de bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
M. [MvT]
In artikel 53, tweede lid, vervalt "12a".
N. [MvT]
In artikel 78, eerste lid, vervalt "diens echtgenoot".
O. [MvT]
In artikel 79 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt "in verband met het bepaalde in artikel 11a" vervangen door: in verband met een herziening van de grondslag op grond van artikel 10.
2. In het tweede lid wordt "artikel 44, vierde lid" twee keer vervangen door: artikel 44, zevende lid.
P. [MvT]
In artikel 80 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt "artikel 44, vierde lid" twee keer vervangen door: artikel 44, zevende lid.
2. In het derde lid vervalt "1, tweede lid,".
Q. [MvT]
Artikel 97 vervalt.

 

Art. 40. [Wijziging WAO]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492) wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt "Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid" vervangen door: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
B. [MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
Artikel 3 wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat:
a. personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
D. [MvT]
Artikel 4, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. In de aanhef wordt tussen de woorden "wordt" en "beschouwd" ingevoegd: mede.
2. Onderdeel e wordt vervangen door:
e. degene die een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687);.
E. [MvT]
In artikel 6, eerste lid, vervalt onderdeel d.
F. [MvT]
In artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel a wordt tussen "krachtens" en "de Werkloosheidswet" ingevoegd "de verplichte verzekering op grond van" en wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.
2. Onderdeel b vervalt en de aanduiding van de onderdelen c tot en met g wordt gewijzigd in b tot en met f
3. In onderdeel b wordt de zinsnede beginnend met "krachtens" en eindigend met "Werkloosheidswet" vervangen door: krachtens artikel 103 [101], tweede lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet.
4. In onderdeel f wordt "wachtgeldreglement van een bedrijfsvereniging, van het reglement voor de werkloosheidsverzekering" vervangen door "uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering van een bedrijfsvereniging" en wordt "f" vervangen door: e.
G. [MvT]
Artikel 8 wordt vervangen door:
Art. 8.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
H. [MvT]
In artikel 9, aanhef, wordt de zinsnede "degene tot wie de dienstbetrekking bestaat," vervangen door: werkgever.
I. [MvT]
In artikel 10, eerste lid, wordt "a, b en c", "d", "e" en "f en g" onderscheidenlijk vervangen door: a en b, c, d, en e en f.
J. [MvT]
In artikel 12 vervalt het tweede lid, waarna de aanduiding van het eerste lid vervalt.
K. [MvT]
Artikel 13, derde lid, wordt vervangen door:
-3. Degene die krachtens de Wet Werkloosheidsvoorziening of krachtens een regeling als bedoeld in artikel 7, onderdeel e, uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover hij die uitkering ontvangt een loon te ontvangen gelijk aan die uitkering.
L. [MvT]
Artikel 21, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
15-25%              14% van 100/107,5-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
25-35%              21% van 100/107,5-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
35-45%              28% van 100/107,5-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
45-55%              35% van 100/107,5-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
55-65%              42% van 100/107,5-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
65-80%              50,75% van 100/107,5-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
80% of meer      70% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon.
M. [MvT]
In artikel 46a, vijfde lid, wordt "de artikelen 10a, 11a en 12a" vervangen door: artikel 10.
N. [MvT]
In artikel 53 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede tot en met het vijfde lid worden vernummerd tot het vijfde tot en met het achtste lid, waarna een nieuw tweede, derde en vierde lid worden ingevoegd, luidende:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het derde lid.
2. In het zesde lid wordt "het eerste en het tweede lid" vervangen door: het eerste tot en met het vijfde lid.
3. In het zevende lid wordt "tweede lid" vervangen door: vijfde lid.
4. In het achtste lid wordt "tweede lid" vervangen door: vijfde lid.
O. [MvT]
Artikel 57 wordt vervangen door:
Art. 57.
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen uitkering op grond van deze wet of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en in de gevallen, bedoeld in onderdeel a, b en c, op ziekengeld op grond van de Ziektewet, waaronder in afwijking van artikel 1, tweede lid, mede wordt verstaan uitkering voortvloeiende uit artikel 57 van de Ziektewet, op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien zij door toedoen van de persoon aan wie of de instelling aan welke betaling plaatsvond onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de persoon aan wie of de instelling aan welke betaling plaatsvond redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde; en
c. gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg en een herziening als bedoeld in artikel 15 is verlaagd.
-2. Indien de betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ziekengeld, een werkloosheidsuitkering of een toeslag ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging van de betrokkene, de bedragen die teruggevorderd kunnen worden of in mindering kunnen worden gebracht te betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
-3. Indien de bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
P. [MvT]
Artikel 57a wordt vervangen door:
Art. 57a.
-1. Indien een persoon recht op uitkering heeft over een periode waarover een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of bijstand, zonder machtiging van die persoon, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het bedrag aan premies op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij de verlening van bijstand met de uitkering rekening is gehouden.
-4. Indien de bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
Q.
In artikel 59b, vierde lid, wordt "artikel 53, derde lid" twee keer vervangen door: artikel 53, zesde lid.
R. [MvT]
In artikel 66, tweede lid, wordt "a, b en c" vervangen door "a en b" en "f en g" vervangen door: e en f.
S. [MvT]
In artikel 77 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. De premie is verschuldigd door de werknemer, behoudens dat de premie door de werkgever verschuldigd is ten aanzien van de werknemer wiens loon geheel bestaat uit verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en onderricht.
2. In het derde lid wordt "het door deze verschuldigde deel der premie" vervangen door: de door deze verschuldigde premie.
T. [MvT]
In artikel 81 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot en met g gewijzigd in f tot en met h
2. In het eerste lid wordt na onderdeel d een nieuw onderdeel e ingevoegd, luidende:
e. degene wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd;.
3. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens verplichte verzekering is geëindigd, die buiten Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is; of
b. die Nederlander is en die werkzaamheden verricht of gaat verrichten in een ontwikkelingsland.
4. Aan het artikel wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3. Onze Minister en Onze Minister belast met de zorg voor ontwikkelingssamenwerking bepalen welk land als ontwikkelingsland wordt beschouwd.
U. [MvT]
Artikel 83 wordt vervangen door:
Art. 83.
-1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering dient te worden ingediend bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in artikel 81, eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel a, bedoelde personen binnen één maand na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel 81, eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde personen binnen één maand na de dagtekening van de beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating binnen één maand na de dagtekening van de beslissing te hebben gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen één maand na de dag waarop zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
V. [MvT]
Na artikel 83 wordt een nieuw artikel 83a ingevoegd, luidende:
Art. 83a.
Toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt ten aanzien van de persoon:
a. bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdeel a, door de bedrijfsvereniging die laatstelijk het risico voor de verplichte verzekering droeg;
b. bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdeel b, door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever zou zijn aangesloten geweest indien de werkzaamheden ter zake waarvan de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten, in het buitenland tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid verzekerd was, in Nederland in dienstbetrekking waren verricht;
c. bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdeel c, door de bedrijfsvereniging waarbij de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten als werkgever zou zijn aangesloten indien voor het bedrijf of beroep dat hij uitoefent of gaat uitoefenen personeel in zijn dienst was;
d. bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdeel d, door de bedrijfsvereniging die het risico van de verplichte verzekering draagt;
e. bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdeel e, door de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen;
f. bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdeel f, g en h, door de bedrijfsvereniging die de beslissing met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genomen;
g. bedoeld in artikel 81, tweede lid, onderdeel a, door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in Nederland personeel heeft of zou hebben;
h. bedoeld in artikel 81, tweede lid, onderdeel b:
1º. die in het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in Nederland gevestigde organisatie naar een ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
2º. die, anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen.
W. [MvT]
Artikel 86a vervalt.
X. [MvT]
In artikel 87, vierde lid, wordt "artikel 53, vierde lid" twee keer vervangen door: artikel 53, zevende lid.
Y. [MvT]
In artikel 88, eerste lid, wordt "artikel 53, vierde lid" twee keer vervangen door: artikel 53, zevende lid.

1. Volgens de redactie dient "Onderdeel b vervalt en de aanduiding van de onderdelen c tot en met g wordt gewijzigd in b tot en met f" te worden vervangen door: Onderdeel b vervalt, onder verlettering van de onderdelen c tot en met g tot onderdelen b tot en met f.
2. Volgens de redactie dient "In het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot en met g gewijzigd in f tot en met h" te worden vervangen door: In het eerste lid worden de onderdelen e tot en met g verletterd tot onderdelen f tot en met h.

 

Art. 41. [Wijziging WAO]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Met ingang van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum wordt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 14 wordt vervangen door:
Art. 14.
-1. Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de regel in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gemiddeld per dag in de dienstbetrekking of de dienstbetrekkingen waarin hij in dat jaar stond, verdiende, voor zover dat loon in de bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast, gegarandeerd en regelmatig verstrekt is of inherent is aan de functie. Dit dagloon wordt aangepast aan de herziening van het loonpeil in het beroep dat of de beroepen die hij gewoonlijk uitoefende gedurende de periode gelegen tussen de datum waarop hij arbeidsongeschikt werd en de datum van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. De Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het tweede lid regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen werknemers.
B. [MvT]
Na artikel 14 wordt een nieuw artikel 14a ingevoegd, luidende:
Art. 14a.
-1. De door de Sociale Verzekeringsraad te stellen regels op grond van artikel 14, tweede en derde lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister alvorens zij in werking kunnen treden.
-2. Indien Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in dat lid genoemde regels door Onze Minister worden vastgesteld.
-3. In de Nederlandse Staatscourant worden openbaar gemaakt:
a. de regels, bedoeld in artikel 14, tweede en derde lid;
b. de regels, bedoeld in het tweede lid.
-4. In de Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het ontwerp van regels van Onze Minister, bedoeld in het tweede lid;
b. het ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het onthouden of intrekken van de in het tweede lid bedoelde goedkeuring.
-5. De vaststelling van de regels en het besluit, bedoeld in het tweede lid, geschiedt niet eerder dan twee maanden na de in het vierde lid bedoelde bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.
C.
In artikel 40 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt na "artikel 14" ingevoegd: en artikel 14a.
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats van de woorden "de datum waarop hij arbeidsongeschikt werd" telkens gelezen "de datum waarop zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen" en voorts in plaats van "de datum van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering" gelezen: de datum met ingang waarvan op grond van artikel 40, eerste lid, hernieuwde vaststelling van een dagloon plaatsvindt.
D.
In artikel 46a, vijfde lid, wordt "de artikelen 14 en 15" vervangen door: de artikelen 14, 14a en 15.
E.
In artikel 48, derde lid, wordt "artikel 14" vervangen door: de artikelen 14 en 14a.

 

Art. 42.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Artikel V van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, vervalt.

 

 

AFDELING  II

Overgangsbepalingen

 

Art. 43. [Recht op AAW- en TW-uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. Ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een grondslag als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van die wet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, worden de wijzigingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 35, onderdeel D tot en met F en Q, geacht niet te hebben plaatsgevonden zolang de betrokkene voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, derde of vierde lid, in verbinding met artikel 10a, tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, doch uiterlijk tot een binnen één jaar na die dag gelegen tijdstip waarop op grond van artikel 10a, tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, het inkomen opnieuw zou dienen te worden vastgesteld indien de in voornoemd artikel 10a bedoelde perioden op één jaar zouden zijn gesteld.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel V van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt. Ten aanzien van de in de vorige volzin bedoelde persoon blijft de wijziging van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, als vervat in artikel 42 buiten toepassing tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
-3. Voor de persoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt de toeslag op grond van de Toeslagenwet vanaf de dag waarop de in het eerste dan wel tweede lid bedoelde wijzigingen op hem van toepassing worden, ten minste vastgesteld op het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht zou hebben bestaan indien de wijzigingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 39, onderdeel D en E, en de wijziging, bedoeld in artikel 42, niet zouden hebben plaatsgevonden, en de som van de uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-4. Het derde lid is van toepassing zolang de betrokkene voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, in verbinding met artikel 10a, tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop op grond van artikel 10a, tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, het inkomen voor de eerste keer na inwerkingtreding van deze wet opnieuw zou dienen te worden vastgesteld.
-5. De in het eerste en tweede lid bedoelde persoon wiens grondslag was vastgesteld of zou zijn vastgesteld indien artikel 90, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet niet op hem van toepassing was geweest, met toepassing van artikel 10, derde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 10, vierde lid, onderdeel b, van die wet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, wordt, zolang hij ongehuwd is en een eigen kind of pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar dat tot zijn huishouden behoort of grotendeels op zijn kosten wordt onderhouden, vanaf het in het eerste lid bedoelde tijdstip tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum voor de toepassing van de Toeslagenwet als gehuwd aangemerkt.
-6. Het verschil tussen het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat op grond van het eerste en het tweede lid wordt uitbetaald en het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat zou worden uitbetaald indien het eerste lid niet zou hebben gegolden, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de Toeslagenwet, ten gunste gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen, onderscheidenlijk het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering verstaan zowel uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-7. Het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dat zou worden uitbetaald dan wel meer zou worden uitbetaald indien het eerste lid niet zou hebben gegolden, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ten gunste gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen.
-8. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, blijft de Toeslagenwet buiten toepassing tot de dag waarop de in het eerste dan wel tweede lid bedoelde wijzigingen op hem van toepassing worden.

 

Art. 43a. [Vaststelling TW-uitkering]  [GeschiedenisStb. 1997, 789Stb. 2007, 302]
-1. Voor de persoon, bedoeld in artikel 43, tweede lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 43, tweede lid, bedoelde wijziging op hem van toepassing wordt, is verhoogd met toepassing van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de toeslag op grond van de Toeslagenwet vanaf laatstgenoemde dag doch niet eerder dan vanaf de dag waarop geen recht meer bestaat op de toeslag, bedoeld in artikel 43, derde lid, vastgesteld op het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht zou hebben bestaan indien de wijziging, bedoeld in artikel 42, niet zou hebben plaatsgevonden en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het eerste lid is van toepassing voor zolang de betrokkene gehuwd is dan wel een eigen kind of pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar en dat tot zijn huishouden behoort of grotendeels op zijn kosten wordt onderhouden, doch uiterlijk zolang artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegepast of tot het tijdstip waarop de echtgenoot van betrokkene aanspraak verkrijgt op een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181).
-3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is;
b. als pleegkind aangemerkt een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.

 

Art. 44. [Verhoging grondslag AAW-uitkering]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
-1. Ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend met toepassing van artikel 10, vijfde lid, van die wet, zoals dat lid luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, en wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet op de dag waarop deze wet in werking treedt niet wordt berekend met toepassing van artikel 10, eerste lid, van die wet, wordt de voor hem geldende grondslag vermenigvuldigd met de factor 8/7.
-2. Indien toepassing van het eerste lid leidt tot een grondslag die hoger is dan het bedrag van de grondslag, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, wordt in afwijking van het eerste lid de grondslag vastgesteld op dat bedrag.

 

Art. 45. [Hoogte AAW- en WAO-uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De uitkeringsgerechtigde op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering die zowel op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt als op de dag waarop deze wet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van één van die of van beide wetten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% of 65 tot 80%, heeft, zolang hij in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, in afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, onderscheidenlijk artikel 21, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die per dag, de zaterdagen en de zondagen niet meegerekend, bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
55-65%: 44% van de grondslag onderscheidenlijk van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
65-80%: 57% van de grondslag onderscheidenlijk van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt te rekenen vanaf 30 januari 1986 een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 28 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of artikel 38 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht niet te hebben plaatsgevonden indien de uitkeringsgerechtigde binnen 48 weken na de herziening weer wordt ingedeeld in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse als vóór die herziening.

 

Art. 46. [Hoogte AAW-uitkering beneden-23-jarigen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De persoon die zowel op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt als op de dag waarop deze wet in werking treedt, recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en op laatstbedoelde dag de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, heeft, indien zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was berekend met toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dat lid luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, zolang hij de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een grondslag die voor een uitkeringsgerechtigde van 18 jaar ƒ62,63, van 19 jaar ƒ72,97, van 20 jaar ƒ83,31 en van 21 en 22 jaar ƒ93,64 bedraagt.
-2. Artikel 10, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is op de grondslag, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 47. [Buitentoepassingverklaring wijzigingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet worden ten aanzien van de verzekerde wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden vóór de dag waarop artikel 39 in werking treedt, de wijzigingen vervat in de onderdelen C en D van dat artikel geacht niet te hebben plaatsgevonden.

 

Art. 48. [Kopjesregeling arbeidsongeschikten]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200Stcrt. 1995, 248Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 134Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 118Stcrt. 1997, 244Stb. 1997, 789Stb. 1997, 794Stb. 1998, 205Stcrt. 1998, 244Stb. 1998, 742Stcrt. 1999, 132Stcrt. 1999, 242Stcrt. 2000, 113Stcrt. 2000, 228Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 120Stcrt. 2001, 248Stcrt. 2002, 115Stcrt. 2002, 245Stcrt. 2003, 54Stcrt. 2003, 119Stcrt. 2003, 249Stcrt. 2004, 57Stcrt. 2004, 120Stb. 2004, 363Stcrt. 2004, 244Stb. 2005, 192Stcrt. 2005, 63Stb. 2005, 573Stcrt. 2005, 245Stcrt. 2006, 125Stcrt. 2007, 35Stcrt. 2007, 120Stb. 2007, 302Stcrt. 2007, 247]
-1. De persoon die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of meer van deze wetten gezamenlijk, in verband met een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en berekend naar een dagloon als bedoeld in artikel 13 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 14 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een vervolgdagloon als bedoeld in artikel 21b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 13, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of berekend naar een grondslag die ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, heeft recht op en verhoging van zijn uitkering indien zijn uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan €|30,44, €|36,32, onderscheidenlijk €|47,17.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag, doch ten hoogste het verschil tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder uitkering verstaan het totaalbedrag aan uitkering per dag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
-4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het aanmerken van de in het eerste lid bedoelde verhoging als een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. [Ra48I]
-5. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand, worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.

 

Art. 49. [Recht op TW-uitkering bij niet-uitbetaling AAW-uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De persoon ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 39 in werking treedt artikel 8 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van toepassing is en over die dag recht heeft op een uitkering op grond van die wet, aan wie die uitkering als gevolg van artikel 39, onderdeel D tot en met F, niet meer wordt betaald, wordt voor de toepassing van de Toeslagenwet geacht een tot uitbetaling komende uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet te hebben, zolang die uitkering zou zijn betaald indien artikel 39, onderdeel D tot en met F, niet in werking zou zijn getreden.

 

Art. 50. Vervallen[GeschiedenisStb. 1997, 96Stb. 1997, 789Stb. 2007, 302]

 

 

AFDELING  III

Aanvullende uitkeringen

 

Art. 51. [Begrip arbeidsongeschiktheidsuitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder arbeidsongeschiktheidsuitkering een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide wetten.

 

Art. 52. [Arbeidsongeschiktheidscriterium AAW en WAO]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 1996, 665Stb. 1997, 96Stb. 1997, 789Stb. 2007, 302]
-1. De artikelen 5, 12, tweede tot en met vierde lid, en 23, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen 18, 21, tweede tot en met vierde lid, en 32 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt.
-2. De artikelen 5, 12, tweede tot en met vierde lid, en artikel 23 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van die wet.
-3. Vanaf de datum dat de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. 1993, 412) in werking is getreden, vinden de voorgaande leden nog slechts toepassing met betrekking tot personen die op die datum de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt.

 

Art. 53. [Aanvullende uitkering bij afschatting]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, en op die dag de leeftijd van 35 jaar nog niet heeft bereikt en wiens arbeidsongeschiktheid als gevolg van het bepaalde in de Wijzigingswet AAW/WAO met ingang van een later gelegen dag minder bedraagt dan 80%, heeft met ingang van die later gelegen dag recht op aanvullende uitkering.
-2. Geen recht op aanvullende uitkering heeft de persoon die niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op werkloosheidsuitkering, bedoeld in de artikelen 15 tot en met 17 van de nieuwe Werkloosheidswet, of op wie een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19 van die wet van toepassing is.
-3. De duur van de aanvullende uitkering is voor de persoon die op de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt:
a. jonger is dan 23 jaar: één jaar;
b. 23 jaar of ouder is, doch jonger dan 30 jaar: twee jaar;
c. 30 jaar of ouder is, doch jonger dan 35 jaar: drie jaar.
-4. Indien de persoon die recht heeft op aanvullende uitkering gedurende de laatste vijf jaar vóór de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, is, in afwijking van het derde lid, de duur van de aanvullende uitkering vijf jaar.
-5. Het bedrag van de aanvullende uitkering wordt berekend met overeenkomstige toepassing van de artikelen 44 tot en met 47 van de nieuwe Werkloosheidswet.
-6. Dit artikel is slechts van toepassing indien de later gelegen dag, bedoeld in het eerste lid, niet later is gelegen dan binnen twee jaar na de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt en ten aanzien van de persoon, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, niet eerder dan één jaar na de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt. Onze Minister is bevoegd voor bepaalde categorieën personen andere tijdvakken dan als genoemd in de eerste volzin vast te stellen.

 

Art. 54. [Aanvullende vervolguitkering bij afschatting]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 2007, 302]
-1. De persoon die recht heeft op de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 53, heeft na het verstrijken van de daarvoor geldende uitkeringsduur aansluitend recht op aanvullende vervolguitkering gedurende één jaar indien hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 15 en 16, alsmede 42, tweede tot en met negende lid, of artikel 48, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, en op wie geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19 van die wet van toepassing is.
-2. Het bedrag van de aanvullende vervolguitkering wordt berekend met overeenkomstige toepassing van de artikelen 51 en 52 van de nieuwe Werkloosheidswet.

 

Art. 55. [Aanvullende bepalingen aanvullende (vervolg)uitkering]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 2007, 302]
-1. Met betrekking tot de aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering zijn de artikelen 20, 22 tot en met 40, 76, 128 en 129 van de nieuwe Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
-2. De persoon die in verband met werkloosheid recht heeft op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering, heeft ter zake van dezelfde werkloosheid geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-3. De aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering worden, voor zover in deze wet of de daarop berustende bepalingen niet anders is bepaald, voor de toepassing van wettelijke bepalingen beschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-4. De aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering komen ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen, en het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de verdeling van de lasten, bedoeld in het vierde lid, over de in dat lid genoemde fondsen.

 

Art. 56. [Herleving recht op aanvullende (vervolg)uitkering]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
-1. Indien het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de nieuwe Werkloosheidswet geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan, zonder dat een recht op uitkering als bedoeld in artikel 15 van die wet is ontstaan, herleeft het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 8 van die wet en de op grond van artikel 21, tweede lid, van die wet gestelde regels.
-2. Telkens nadat het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, eindigt het recht op die uitkering zoveel later dan de in artikel 53, derde of vierde lid, dan wel in artikel 54, eerste lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op die uitkering heeft geduurd.

 

Art. 57. [Herleving recht op aanvullende uitkering]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
-1. Indien het recht op aanvullende uitkering door het verrichten van arbeid geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid een recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 15 van de nieuwe Werkloosheidswet, herleeft het recht op aanvullende uitkering, voor zover geen recht op genoemde uitkering bestaat, met ingang van de dag waarop het recht op die uitkering is ontstaan en overigens met ingang van de eerste dag na het verstrijken van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 42 van die wet.
-2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde dag is gelegen binnen een tijdvak van:
a. twee jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, derde lid, onderdeel a;
b. vier jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, derde lid, onderdeel b;
c. zes jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, derde lid, onderdeel c;
d. tien jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, vierde lid;
te rekenen vanaf de later gelegen dag, bedoeld in artikel 53, eerste lid.
-3. Indien het recht op aanvullende uitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, is de uitkeringsduur de duur van de aanvullende uitkering die betrokkene als gevolg van die eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen, doch ten hoogste de duur van de periode beginnend op de dag, bedoeld in het eerste lid, en eindigend op de laatste dag van het voor betrokkene geldende tijdvak, bedoeld in het tweede lid.

 

Art. 58. [Schakelbepaling]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, is artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de uitkeringsduur op grond van de nieuwe Werkloosheidswet in aanmerking wordt genomen de uitkeringsduur op grond van deze afdeling.

 

Art. 59. [Nadere regelgeving aanvullende uitkering]  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 2007, 302]
Onze Minister is bevoegd in verband met het recht op aanvullende uitkering nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in artikel 53, tweede lid.

 

 

HOOFDSTUK  IV

De Ziektewet

 

AFDELING  I

Wijzigingen van de wet

 

Art. 60. [Wijziging ZW]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Ziektewet (Stb. 1967, 473) wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 1, onderdeel a, wordt "Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid" vervangen door: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
B. [MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
Artikel 3 wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat:
a. personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
D. [MvT]
Artikel 4, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. In de aanhef wordt tussen de woorden "wordt" en "beschouwd" ingevoegd: mede.
2. Onderdeel e wordt vervangen door: 
e. degene die een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687);.
E. [MvT]
In artikel 6, eerste lid, vervalt onderdeel d.
F. [MvT]
In artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel a wordt tussen "krachtens" en "de Werkloosheidswet" ingevoegd "de verplichte verzekering op grond van" en wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.
2. Onderdeel b vervalt, waarna de aanduiding van de onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in b tot en met d
3. In onderdeel b wordt de zinsnede beginnend met: "krachtens" en eindigend met "Werkloosheidswet" vervangen door: krachtens artikel 103 [101], tweede lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet.
4. In onderdeel d wordt het gestelde na "Werkloosheidswet" vervangen door: of van het uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering van een bedrijfsvereniging.
G. [MvT]
Artikel 9 wordt vervangen door:
Art. 9.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
H. [MvT]
In artikel 10, aanhef, wordt de zinsnede "degene toe wie de dienstbetrekking bestaat," vervangen door: werkgever.
I. [MvT]
In artikel 11, eerste lid, wordt "a, b en c", "d" en "e" onderscheidenlijk vervangen door: a en b, c en d.
J. [MvT]
In artikel 13 vervalt het tweede lid, waarna de aanduiding van het eerste lid vervalt.
K. [MvT]
Artikel 14, derde lid, vervalt.
L. [MvT]
Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het derde lid vervalt.
2. Het vierde tot en met het achtste lid worden vernummerd tot het derde tot en met het zevende lid.
3. In het vijfde lid wordt "vierde lid" vervangen door: derde lid.
4. In het zesde lid wordt "vijfde en zesde lid" vervangen door "vierde en vijfde lid" en "vierde lid" vervangen door: derde lid.
M. [MvT]
De artikelen 16 en 17 vervallen.
N. [MvT]
Artikel 33 wordt vervangen door:
Art. 33.
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen ziekengeld op grond van deze wet, op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien zij door toedoen van de verzekerde onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde.
-2. Indien de verzekerde ziekengeld, een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een werkloosheidsuitkering of een toeslag ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging van de verzekerde, de bedragen die teruggevorderd kunnen worden of in mindering kunnen worden gebracht, te betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
-3. Indien de bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de verzekerde daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
O. [MvT]
Artikel 33a wordt vervangen door:
Art. 33a.
-1. Indien een verzekerde recht op ziekengeld heeft over een periode waarover een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd het ziekengeld over die periode tot ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of bijstand, zonder machtiging van de verzekerde, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het bedrag aan premies op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij de verlening van bijstand met de uitkering rekening is gehouden.
-4. Indien de bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de verzekerde daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
P. [MvT]
In artikel 35 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede tot en met het vijfde lid worden vernummerd tot het vijfde tot en met het achtste lid, waarna een nieuw tweede, derde en vierde lid worden ingevoegd, luidende:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het derde lid.
2. In het zesde lid wordt "het eerste en het tweede lid" vervangen door: het eerste tot en met het vijfde lid.
3. In het zevende lid wordt "tweede lid" vervangen door: vijfde lid.
4. In het achtste lid wordt "het tweede en het vierde lid" vervangen door: het vijfde en het zevende lid.
Q.
In artikel 55, tweede lid, wordt "a, b en c" vervangen door "a en b" en wordt "e" vervangen door: d.
R.
Artikel 58, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de persoon die niet verzekerd is uitsluitend omdat bij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, met een verzekerde gelijkgesteld.
S. [MvT]
In artikel 64 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot en met g gewijzigd in f tot en met h
2. In het eerste lid wordt na onderdeel d een nieuw onderdeel e ingevoerd, luidende:
e. degene wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd;.
3. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens verplichte verzekering is geëindigd, die buiten Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is; of
b. die Nederlander is en die werkzaamheden verricht of gaat verrichten in een ontwikkelingsland.
4. Aan het artikel wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Onze Minister en Onze Minister belast met de zorg voor ontwikkelingssamenwerking bepalen welk land als ontwikkelingsland wordt beschouwd.
T. [MvT]
Artikel 66 wordt vervangen door:
Art. 66.
-1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering dient te worden ingediend bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel a, bedoelde personen binnen één maand na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde personen binnen één maand na de dagtekening van de beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating binnen één maand na de dagtekening van de beslissing te hebben gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen één maand na de dag waarop zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
U. [MvT]
Artikel 69 vervalt.
V. [MvT]
Onder vernummering van de artikelen 67 en 68 tot artikelen 68 en 69 wordt na artikel 66 een nieuw artikel 67 ingevoegd, luidende:
Art. 67.
Toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt ten aanzien van de persoon:
a. bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, door de bedrijfsvereniging die laatstelijk het risico voor de verplichte verzekering droeg;
b. bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever zou zijn aangesloten geweest indien de werkzaamheden ter zake waarvan de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten, in het buitenland tegen geldelijke gevolgen van ziekte verzekerd was, in Nederland in dienstbetrekking waren verricht;
c. bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel c, door de bedrijfsvereniging waarbij de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten als werkgever zou zijn aangesloten indien voor het bedrijf of beroep dat hij uitoefent of gaat uitoefenen personeel in zijn dienst was;
d. bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel d, door de bedrijfsvereniging die het risico van de verplichte verzekering draagt;
e. bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel e, door de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen;
f. bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en h, door de bedrijfsvereniging die de beslissing met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genomen;
g. bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
h. bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel b:
1º. die in het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in Nederland gevestigde organisatie naar een ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
2º. die, anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen.
W. [MvT]
Artikel 72a vervalt.
X.
In artikel 73 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt de zinsnede "op grond van het bepaalde in artikel 64, eerste en tweede lid, en artikel 72a".
2. In het derde lid wordt "artikel 35, vierde lid" vervangen door: artikel 35, zevende lid.
Y.
In artikel 73a wordt "artikel 35, vierde lid" vervangen door: artikel 35, zevende lid.

1. Volgens de redactie dient "waarna de aanduiding van de onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in b tot en met d" te worden vervangen door: waarna de onderdelen c tot en met e worden verletterd tot onderdelen b tot en met d.
2. Volgens de redactie dient "In het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot en met g gewijzigd in f tot en met h" te worden vervangen door: In het eerste lid worden de onderdelen e tot en met g verletterd tot onderdelen f tot en met h.

 

Art. 61. [Wijziging ZW]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Met ingang van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum wordt de Ziektewet gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 15 wordt vervangen door:
Art. 15.
-1. Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de regel in de periode van dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn ongeschiktheid tot werken gemiddeld per dag in de dienstbetrekking waarvoor hij ongeschikt tot werken is geworden, verdiende, voor zover dat loon in de bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast, gegarandeerd en regelmatig verstrekt is of inherent is aan de functie.
-2. De Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het tweede lid regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen werknemers.
-4. De bedrijfsvereniging is bevoegd, in afwijking van het tweede en derde lid, regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor alle of voor één of meer groepen bij haar verzekerde werknemers.
-5. De in het tweede, derde en vierde lid bedoelde regels kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot de herziening van het dagloon bij wijziging van het loonpeil in het beroep van de werknemer tijdens de ongeschiktheid tot werken.
B. [MvT]
Na artikel 15 wordt een nieuw artikel 16 ingevoegd, luidende:
Art. 16.
-1. De Sociale Verzekeringsraad hoort alvorens regels te stellen op grond van artikel 15, tweede en derde lid, de bedrijfsverenigingen.
-2. De door de Sociale Verzekeringsraad op grond van artikel 15, tweede en derde lid, te stellen regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister alvorens zij in werking kunnen treden.
-3. Indien Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in dat lid bedoelde regels door Onze Minister worden vastgesteld.
-4. De bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels op grond van artikel 15, vierde lid, de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad.
-5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd de goedkeuring, bedoeld in het vierde lid, in te trekken indien de in artikel 15, tweede en derde lid, bedoelde regels wijziging ondergaan.
-6. Regels van een bedrijfsvereniging als bedoeld in artikel 15, vierde lid, die afwijken van de op grond van het derde lid door Onze Minister vastgestelde regels, van de door Onze Minister aangewezen bepalingen of van de in artikel 15, tweede en derde lid, bedoelde regels, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-7. In de Nederlandse Staatscourant worden openbaar gemaakt:
a. de regels, bedoeld in artikel 15, tweede en derde lid;
b. de regels, bedoeld in artikel 15, vierde lid;
c. de regels, bedoeld in het derde lid.
-8. In de Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het ontwerp van de regels van Onze Minister, bedoeld in het derde lid;
b. het ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het onthouden of intrekken van de in het derde en zesde lid bedoelde goedkeuring.
-9. De vaststelling van de regels en het besluit, bedoeld in het derde en het zesde lid, geschiedt niet eerder dan twee maanden na de in het achtste lid bedoelde bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.

 

 

AFDELING  II

Overgangsbepalingen

 

Art. 62. [Zes weken minimumdagloon bij arbeidsongeschiktheid]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De persoon ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt op grond van artikel 17, eerste lid, van de Ziektewet het minimumdagloon in aanmerking werd genomen en die op de dag van inwerkingtreding van artikel 60 op grond van die bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn gekomen als artikel 17 van de Ziektewet niet was vervallen, wordt ten hoogste gedurende de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken voor het minimumdagloon in aanmerking gebracht.

 

Art. 63. [Minimumdagloon bij ZW- en TW-uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. De persoon ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt op grond van artikel 17, tweede en derde lid, van de Ziektewet het minimumdagloon in aanmerking werd genomen en op de dag van inwerkingtreding van artikel 60 op grond van die bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn gekomen als artikel 17 van de Ziektewet niet was vervallen, wordt zolang hij onafgebroken uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt voor het minimumdagloon in aanmerking gebracht. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt de uitkering geacht niet te zijn onderbroken indien perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-2. Indien voor de in het eerste lid bedoelde persoon op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt het minimumdagloon in aanmerking werd genomen met toepassing van artikel 17, vierde lid, van de Ziektewet, wordt voor het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet als dagloon aangemerkt 70% van het voor deze persoon in aanmerking genomen minimumdagloon.

 

Art. 64. [Begrip minimumdagloon]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Voor de toepassing van de artikelen 62 en 63 wordt onder minimumdagloon verstaan het minimumdagloon dat zou zijn vastgesteld als artikel 16 van de Ziektewet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt, niet was vervallen.

 

Art. 64a. [Kopjesregeling ZW-ers]  [GeschiedenisStb. 1998, 205Stcrt. 1998, 244Stb. 1998, 742Stcrt. 1999, 132Stcrt. 1999, 242Stcrt. 2000, 113Stcrt. 2000, 228Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 120Stcrt. 2001, 248Stcrt. 2002, 115Stcrt. 2002, 245Stcrt. 2003, 54Stcrt. 2003, 119Stcrt. 2003, 249Stcrt. 2004, 57Stcrt. 2004, 120Stb. 2004, 363Stcrt. 2004, 244Stb. 2005, 192Stcrt. 2005, 63Stcrt. 2005, 245Stcrt. 2006, 125Stcrt. 2007, 35Stcrt. 2007, 120Stb. 2007, 302Stcrt. 2007, 247]
-1. De persoon die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Ziektewet berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering op grond van de Ziektewet indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan €|30,44, €|36,32, onderscheidenlijk €|47,17.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond van de Ziektewet, doch ten hoogste het verschil tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
-3. Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
-4. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand, worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.

 

 

HOOFDSTUK  V

De Organisatiewet Sociale Verzekering

 

AFDELING  I

Wijzigingen van de wet

 

Art. 65. [Wijziging OSV]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel a wordt "Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast" vervangen door: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. In onderdeel e wordt "hoofdstuk II" vervangen door "artikel 105" en wordt voorts na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze de jaargang en het nummer van het Staatsblad vermeld waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.
3. De punt aan het slot van het artikel wordt vervangen door een puntkomma, waarna een nieuw onderdeel h wordt toegevoegd, luidende:
h. Toeslagenfonds: het fonds, bedoeld in artikel 29 [31] van de Toeslagenwet.
B. [MvT]
In artikel 2, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel c wordt "wachtgeld- en werkloosheidsverzekering" vervangen door: werkloosheidsverzekering.
2. De punt aan het slot van het lid wordt vervangen door een puntkomma, waarna een nieuw onderdeel d wordt toegevoegd, luidende:
d. de wettelijke regeling met betrekking tot toeslagen op uitkeringen op grond van de in onderdeel a tot en met c bedoelde verzekeringen.
C. [MvT]
In de artikelen 2, derde en vierde lid, 4, eerste lid, onderdeel a en c, 5, eerste lid, onderdeel a en c, 11, 12, vierde lid, 16a, 46, tweede lid, en 48 wordt de zinsnede "onderdeel a tot en met c, genoemde takken van verzekering" vervangen door: onderdeel a tot en met c, genoemde takken van verzekering en de in onderdeel d van dat lid bedoelde voorziening.
D. [MvT]
In de artikelen 14, derde en zesde lid, 16 en 51, eerste lid, wordt de zinsnede beginnend met "de wetten" en eindigend met "geregeld" vervangen door: de wetten, waarbij de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en met c, genoemde takken van verzekering en de in onderdeel d van dat lid bedoelde voorziening zijn geregeld.
E. [MvT]
In artikel 23 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste, tweede en vierde lid wordt na "takken van verzekering" ingevoegd: met inbegrip van de voorziening met betrekking tot toeslagen.
2. In het elfde lid word "wachtgeld- en werkloosheidsverzekering" vervangen door: werkloosheidsverzekering en de wettelijke regeling met betrekking tot toeslagen.
F. [MvT]
In artikel 27 wordt "het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Arbeidsongeschiktheidsfonds" vervangen door: het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds.
G. [MvT]
Artikel 47 wordt vervangen door:
Art. 47.
-1. De Sociale Verzekeringsraad is, voor zover dat toezicht op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen niet aan anderen is opgedragen, belast met het toezicht op de uitvoering van deze wet, op de uitvoering van de wetten die de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en met c, genoemde takken van verzekering en de in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van dat lid bedoelde voorziening regelen, op de organen die deze regelingen uitvoeren of administreren, alsmede op de Gemeenschappelijke Medische Dienst. Onze Minister is bevoegd ter zake nadere regels te stellen.
-2. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd voorschriften te geven omtrent de samenwerking van organen die met betrekking tot de uitvoering van deze wet of van één van de wetten die de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en met c, genoemde takken van verzekering en de in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde voorziening regelen, een controlerende of toezichthoudende taak uitoefenen.
H. [MvT]
In artikel 49, eerste en tweede volzin, wordt "het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, onderscheidenlijk het Arbeidsongeschiktheidsfonds" vervangen door: het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds.
I. [MvT]
In de artikelen 50, 58 en 61, eerste tot en met vijfde lid, wordt na "Arbeidsongeschiktheidsfonds" telkens ingevoegd: het Toeslagenfonds,.
J. [MvT]
In artikel 51, derde lid, wordt "takken der verzekering" vervangen door: wettelijke regelingen.
K. [MvT]
In de artikelen 56 en 61, eerste en derde tot en met zevende lid, en 62, tweede lid, wordt de zinsnede beginnend met "welke" en eindigend met "regelen" vervangen door: die de takken van verzekering, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde voorziening regelen.

 

 

AFDELING  II

Overgangsbepalingen

 

Art. 66. [Voorkoming nadeel voor personeel WWV-uitvoeringsorganen bij overgang naar UWV]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 96 + bisStb. 2001, 625Stb. 2007, 302]
-1. De organen die op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen zijn belast met de uitvoering van de Wet Werkloosheidsvoorziening, en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn gehouden in gezamenlijk overleg al datgene te verrichten waardoor voor hun personeel mogelijke nadelige gevolgen van de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet worden voorkomen.
-2. Onze Minister is bevoegd, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, nadere regels te stellen met betrekking tot de overgang van personeel belast met de uitvoering van de Wet Werkloosheidsvoorziening, naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet.

 

Art. 67. [Wijziging OSV]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Indien het bij koninklijke boodschap van 16 april 1982 ingediende voorstel van wet houdende regelen met betrekking tot de bevordering van de deelname van gehandicapten aan het arbeidsproces (Wet arbeid gehandicapte werknemers) (Kamerstukken II 1981-1982, 17 384) tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 65, onderdeel C, de zinsnede "In de artikelen 2, tweede en derde lid", vervangen door: In de artikelen 2, derde en vierde lid,.

 

 

HOOFDSTUK  VI

De Coördinatiewet Sociale Verzekering

 

Art. 68. [Wijziging CSV]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 1 wordt vervangen door:
Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Sociale Verzekeringsraad: de Sociale Verzekeringsraad, bedoeld in hoofdstuk III van de Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344);
c. uitvoeringsorgaan: het op grond van de Organisatiewet Sociale Verzekering of de daarop berustende bepalingen aangewezen uitvoeringsorgaan; met betrekking tot de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392) wordt onder uitvoeringsorgaan verstaan de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever op grond van de bepalingen van de Organisatiewet Sociale Verzekering voor de betrokken werknemers aangesloten is of zou zijn indien zij verzekerd waren op grond van de Ziektewet (Stb. 1967, 473).
B. [MvT]
In artikel 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel b wordt na "Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering" ingevoegd: (Stb. 1977, 492).
2. In onderdeel c wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.
C. [MvT]
Voor de tekst van artikel 3a wordt de aanduiding "-1." geplaatst, waarna aan het artikel een tweede lid wordt toegevoegd, luidende:
-2. De werknemer die een uitkering ontvangt uit hoofde van de verplichte verzekering op grond van de Ziektewet of de verplichte verzekering dan wel hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet, wordt tijdens de duur van die uitkering geacht in dienstbetrekking te staan tot het uitvoeringsorgaan dat die uitkering verstrekt.
D. [MvT]
In artikel 6, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. De onderdelen e en f worden vervangen door:
e. uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen toeslagen op grond van de Toeslagenwet, behoudens uitkeringen uit hoofde van de verplichte verzekering op grond van de Ziektewet en uitkeringen uit hoofde van de verplichte verzekering en hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet en de daarop verleende toeslagen op grond van de Toeslagenwet;
f. periodieke uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, behoudens indien het betreft een aanvulling op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28) of op grond van beide wetten;
2. Aan het slot van onderdeel h wordt de puntkomma vervangen door een komma, waarna wordt toegevoegd: behoudens indien het betreft een aanvulling op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet tezamen;.
E. [MvT]
Artikel 6, lid 1a, vervalt.

 

 

HOOFDSTUK  VII

De Algemene Bijstandswet

 

AFDELING  I

Wijziging van de wet

 

Art. 69. [Wijziging ABW]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) wordt gewijzigd als volgt:
Na artikel 84d een nieuw artikel 84g ¹ ingevoegd, luidende:
Art. 84g.¹
Indien bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt verleend over een periode waarover een voorschot is ontvangen met toepassing van artikel 31, tweede lid, van de Werkloosheidswet, al dan niet met gelijktijdige toepassing van artikel 15 [17], eerste lid, van de Toeslagenwet, en dit voorschot wordt teruggevorderd, kan deze bijstand zonder machtiging van de rechthebbende tot het bedrag van dit voorschot aan de bedrijfsvereniging worden betaald.

1. Volgens de redactie dient "84g" te worden vervangen door: 84e.

 

 

AFDELING  II

Wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering

 

Art. 70. [Wijziging Bln]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van artikel 1 wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. De onderdelen b, c en d van het eerste lid worden vervangen door:
b. echtpaar: de in gezinsverband levende gehuwden alsmede de niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;
c. eenoudergezin: de man of vrouw met één of meer kinderen die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
d. alleenstaande:
1º. de persoon van 21 jaar of ouder zonder kinderen die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
2º. de persoon van 18 tot 21 jaar zonder kinderen die niet in het gezinsverband van zijn ouder(s) leeft en die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de tweede graad, werknemer is in de zin van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en voor wie geen recht bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;.
3. Toegevoegd worden een tweede en derde lid, luidende:
-2. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-3. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het tweede lid.
B. [MvT]
Artikel 9a wordt vervangen door:
Art. 9a.
Artikel 11, eerste lid, is niet van toepassing op de inkomsten van een alleenstaande van 18 jaar.
C. [MvT]
In artikel 11 worden het tweede en derde lid vervangen door:
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de netto-uitkering op grond van de Ziektewet indien deze uitkering betrekking heeft op de in dat lid bedoelde inkomsten.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op het inkomen uit bedrijf of beroep van de persoon die als zelfstandige bijstand ontvangt.
D. [MvT]
In artikel 18 worden de onderdelen a en c vervangen door:
a. voor een echtpaar waarvan ten minste één der echtelieden de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en waarvoor de in artikel 16, derde lid, genoemde inkomensvrijlating niet van toepassing is, ƒ15 900,00;
c. voor een echtpaar waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn of waarvoor de in artikel 16, derde lid, genoemde inkomensvrijlating van toepassing is, ƒ9600,00;.

 

 

AFDELING  III

Wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria

 

Art. 71. [Wijziging Bld]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria (Stb. 1980, 87) wordt gewijzigd als volgt:
In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Voor de tekst van artikel 1 wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. De onderdelen c, d en e van het eerste lid worden vervangen door:
c. echtpaar: de in gezinsverband levende gehuwden alsmede de niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;
d. eenoudergezin: de man of vrouw met één of meer kinderen die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
e. alleenstaande:
1º. de persoon van 21 jaar of ouder zonder kinderen die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
2º. de persoon van 18 tot 21 jaar zonder kinderen die niet in het gezinsverband van zijn ouder(s) leeft en die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de tweede graad, werknemer is in de zin van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers of zelfstandige in de zin van de Rijksgroepsregeling zelfstandigen, of arbeidsongeschikte in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;
3. De aanduiding van de onderdelen f, g en h van het eerste lid wordt gewijzigd in g, h en i, waarna een nieuw onderdeel f wordt ingevoegd, luidende:
f. kind: het in het gezinsverband levende en ten laste van zijn ouder(s) komende minderjarige kind;.
4. Toegevoegd worden een tweede en derde lid, luidende:
-2. Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d en e, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-3. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het tweede lid.

1. Volgens de redactie dient "De aanduiding van de onderdelen f, g en h van het eerste lid wordt gewijzigd in g, h en i, waarna" te worden vervangen door: Onder verlettering van de onderdelen f, g en h tot onderdelen g, h en i, wordt.

 

 

AFDELING  IV

Wijziging van het Bijstandsbesluit krediethypotheek

 

Art. 72. [Wijziging Bkh]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
Het Bijstandsbesluit krediethypotheek (Stb. 1983, 602) wordt gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 7, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Uitstel van betaling wordt verleend voor zover de verschuldigde rente en aflossing het bedrag overschrijdt dat bij overeenkomstige toepassing van de Beschikking individuele huursubsidie op het inkomen van betrokkene aan woonkosten meer ten laste blijft dan bij het voor betrokkene geldende minimuminkomen. Het uitstel heeft bij voorrang betrekking op de aflossing.
B.
Na artikel 7, tweede lid, wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, toegevoegd een nieuw derde lid, luidende als volgt:
-3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt nadere regelen ter berekening van het in het vorige lid bedoelde bedrag.

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Overige wetten

 

Art. 73. [Wijziging BW]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
A. [MvT]
In artikel 1638c van het Burgerlijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt tussen "korten tijd" en "wanneer" ingevoegd: doch ten minste voor een periode van zes weken op het voor hem geldende wettelijk minimumloon.
2. Het zevende lid wordt vervangen door:
-7. Van de bepalingen van dit artikel mag alleen bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement worden afgeweken, met dien verstande dat de arbeider in het geval, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval over een periode van zes weken aanspraak heeft op het voor hem geldende wettelijk minimumloon.
B. [MvT]
Artikel 1639l wordt gewijzigd als volgt:
In het derde lid wordt na "leefde" ingevoegd: , dan wel de daarmee op grond van een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering ter zake van de uitkering bij overlijden gelijkgestelde persoon,.

 

Art. 74. [Wijziging Wet IB 1964]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
In artikel 37, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1964, 519) vervalt ", alsmede inkomsten in de vorm van uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet".

 

Art. 75. [Wijziging Wet LB]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
In artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964, 521) vervalt ", alsmede loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet".

 

Art. 76. [Wijziging Wamil]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 8 wordt na "Coördinatiewet Sociale Verzekering" ingevoegd: alsmede van de afdelingen II en III van hoofdstuk III en van afdeling II van hoofdstuk IV van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.
B. [MvT]
Artikel 9 wordt vervangen door:
Art. 9.
Artikel 34 van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot uitkeringen, anders dan bedoeld in dat artikel, die worden ontleend aan een andere wettelijke regeling.
C.
In de artikelen 10 en 18 wordt "Onze Ministers van Defensie en van Sociale Zaken" vervangen door: Onze Ministers van Defensie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 77. [Wijziging WSF]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
De Wet op de studiefinanciering (Stb. 1986, 252) wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Onderdeel f wordt vervangen door:
f. partner van een studerende:
1º. degene met wie de studerende is gehuwd en van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft;
2º. de niet met de studerende gehuwde persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie de studerende duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
2. Onderdeel l wordt vervangen door:
l. partner van de debiteur:
1º. degene met wie de debiteur is gehuwd en van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft;
2º. de niet met de debiteur gehuwde persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie de debiteur duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
3. Onder aanduiding van de bestaande tekst van artikel 1 als eerste lid worden twee leden toegevoegd, luidende:
-2. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, onder 2º, en onderdeel I, onder 2º, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-3. Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels stellen voor de toepassing van het tweede lid.
2. Toegevoegd wordt een tweede onderdeel, luidende: ¹
B.
In artikel 26 wordt het derde lid, onderdeel a, vervangen door:
a. een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284), de Toeslagenwet (Stb. ...), dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Stb. ...); en.

1. Volgens de redactie dient de "2. Toegevoegd wordt een tweede onderdeel, luidende:" te vervallen.

 

Art. 77a. [Wijziging Wagw]  [GeschiedenisStb. 2007, 302]
Artikel 8, eerste lid, van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Stb. 1986, 300) wordt vervangen door:
-1. Indien de arbeidsprestatie van een werknemer in een bepaalde functie ten gevolge van ziekte of gebreken duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die in de desbetreffende functie als normaal wordt beschouwd, dan wel indien artikel 33a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 44a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide artikelen worden toegepast dan wel indien beide situaties zich voordoen, vermindert Onze Minister op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, zo nodig in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) is bepaald.

 

 

HOOFDSTUK  IX

Slotbepalingen

 

Art. 78. [Vermelding vindplaats TW, Ioaw en WW-nieuw]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. In de artikelen 36, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, 48, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, 57, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33, eerste lid, van de Ziektewet, 1, onderdeel h, van de Organisatiewet Sociale Verzekering, 6, eerste lid, onderdeel e, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, 9, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 26, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de studiefinanciering, zoals deze luiden op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na "Toeslagenwet" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de Toeslagenwet is geplaatst.
-2. In de artikelen 37, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, 21, eerste lid, van de Toeslagenwet, 49, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, 57a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33a, eerste lid, van de Ziektewet en 26, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de studiefinanciering, zoals deze luiden op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na "Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers is geplaatst.
-3. In de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 1, eerste lid, onderdeel d, van de Toeslagenwet, zoals deze luiden op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.

 

Art. 79. [Nummering artikelen; tekstplaatsing IWS]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. Waar in deze wet nummeringen van artikelen en van leden van artikelen en aanduidingen van onderdelen van artikelen worden aangehaald van:
a. de nieuwe Werkloosheidswet;
b. de Toeslagenwet;
c. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
d. de Wijzigingswet AAW/WAO;
e. de Wijzigingswet ABW;
worden deze door Onze Minister in overeenstemming gebracht met de nummering en de aanduiding zoals deze komen te luiden indien de voorstellen van de onder a tot en met e bedoelde wetten tot wet zijn verheven.
-2. De tekst van deze wet zoals die luidt na toepassing van het eerste lid wordt door Onze Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst.

 

Art. 80. [Nadere regelgeving]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.

 

Art. 81. [Inwerkingtreding]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2007, 302]
-1. Deze wet, met uitzondering van artikel 40, onderdeel S, de nieuwe Werkloosheidswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wijzigingswet AAW/WAO, de Wijzigingswet ABW en de Wijzigingswet AOW treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende wetten en artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
-2. Artikel 40, onderdeel S, treedt in werking op 1 januari 1987.

1. Bij Besluit van 26 november 1986, Stb. 1986, 597, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1987, red.

 

Art. 82. [Citeertitel]  [GeschiedenisVvWStb. 2007, 302]
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 6 november 1986

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning

 

Uitgegeven de achttiende november 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING