Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

DAGLOONREGELS  INVOERINGSWET  STELSELHERZIENING  SOCIALE  ZEKERHEID

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. VI, onderdeel B, Walvis)

 
 

18 juni 1987, Stb. 1987, 130
Inwerkingtreding: 1 januari 1987
(T.a.v. artt. 34:3 IWS en 45:2 WW)

 

 

 

 
Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 juni 1987

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze regels wordt onder loon verstaan het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, met dien verstande dat hetgeen niet of niet geheel is uitbetaald eveneens tot het loon behoort.
-2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden geacht tot het loon te behoren:
a. het werknemersaandeel in de pensioenpremie;
b. het rechtens geldende loon, voor zover dit niet is genoten;
c. bijdragen strekkende tot betaling van premie van een door of voor de werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering, tenzij op de werkgever de verplichting rust deze ook tijdens werkloosheid te verstrekken;
d. bedragen welke zijn ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen aanspraken op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg, of als bijdrage voor aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit tengevolge van een ongeval.
-3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden geacht niet tot het loon te behoren:
a. aanspraken uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. bedragen welke de hoogte van het rechtens geldende loon te boven gaan;
c. bedragen strekkende tot vergoeding van te maken onkosten, ook al zijn deze niet in een afzonderlijke onkostenvergoeding vastgesteld;
d. gratificaties, tantièmes, uitkeringen ingevolge winstdeling, uitkeringen in de vorm van aandelen en andere dergelijke uitkeringen;
e. loon bestemd voor vakantiedagen, niet zijnde vakantietoeslag, vergoeding voor niet-genoten vakantie, alsmede, ingeval de dienstbetrekking voortduurt, vakantietoeslag;
f. feestdagentoeslag, tenzij in het desbetreffende beroep onder normale omstandigheden in de bedrijfstak arbeid op feestdagen wordt verricht;
g. bedragen uitbetaald als beloning voor overwerk;
h. prestatie- en productiepremie, voor zover deze een incidenteel of uitzonderlijk karakter dragen;
i. vergoeding voor reisuren, voor zover door het in aanmerking nemen van deze uren de normale wekelijkse arbeidsduur volgens arbeidsovereenkomst en toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zou worden overschreden;
j. afzonderlijke bijdragen strekkende tot betaling van premie van een door of voor de werknemer afgesloten verzekering;
k. uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen;
l. uitkeringen en verstrekkingen tot dekking van kosten ter zake van ziekte, invaliditeit, bevalling en sterfgeval;
m. vrije uniform- en andere kleding;
n. kindertoeslagen;
o. afzonderlijke bijdragen strekkende tot tegemoetkoming in de betaling van de rente van een hypotheek rustende op de woning van de werknemer, alsmede het voordeel dat de werknemer heeft van aan hem vanwege zijn werkgever verstrekte geldleningen waarvoor hem geen of een lagere rente, dan wel geen of een lagere afsluitprovisie in rekening wordt gebracht;
p. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in het gebruik voor privédoeleinden van een auto en/of telefoon waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk door de werkgever worden gedragen;
q. uitkeringen die het karakter hebben van een dertiende maandloon of een eindejaarsuitkering ingeval de dienstbetrekking voortduurt;
r. uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen toeslagen op grond van de Toeslagenwet (Stb. 1987, 91) en uitkeringen op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
s. periodieke uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987, 89), de Ziektewet (Stb. 1987, 88), hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet;
t. uitkeringen over tijdvakken waarin de werknemer geen arbeid verricht, indien die uitkeringen minder bedragen dan de helft van zijn loon;
u. de waarde van door de werkgever verstrekte aandelenoptierechten;
v. het voordeel dat voor de werknemer in de geestelijke en/of lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg is gelegen in het gebruiken van de maaltijd in de werktijd tezamen met de hem toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien hiertoe op basis van de arbeidsovereenkomst of aanstelling een verplichting bestaat op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of anderszins overwegingen van resocialiserende aard;
w. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in kinderopvang, die door of vanwege de werkgever wordt verzorgd, alsmede een vergoeding van de werkgever in de kosten van kinderopvang;
x.
vervallen;
y. het voordeel dat voor de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf is gelegen in een gratis abonnement op een dagblad uitgegeven door dat bedrijf.
-4. In afwijking van het eerste en derde lid, onderdeel c, wordt voor de gehuwde buitenlandse werknemer die tijdelijk hier te lande te werk is gesteld en wiens gezin in het buitenland verblijft, de door de werkgever aan de werknemer verstrekte kostgeldvergoeding geacht tot het loon te behoren.

 

Art. 1a.
Voor de toepassing van deze regeling wordt onder salarisbetalingsperiode verstaan de door de werkgever gehanteerde gebruikelijke periode waarover de werknemer zijn salaris ontvangt van ten hoogste één maand.

 

Art. 2.
-1. Voor de toepassing van deze regels wordt een dienstbetrekking in het buitenland geacht in Nederland te zijn vervuld onder de op een overeenkomstige dienstbetrekking in Nederland van toepassing zijnde voorwaarden.
-2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet voor werknemers die hun recht op uitkering ontlenen aan artikel 71, eerste lid, onderdeel a, onder ii, alsmede onderdeel b, onder ii, van de EEG-verordening 1408/71.

 

 

HOOFDSTUK  II

Dagloonberekening naar het beroep

 

Art. 3.
-1. Voor de werknemer die een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende, wordt het dagloon vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen van dit hoofdstuk.
-2. In die artikelen wordt onder beroep verstaan het in het vorige lid bedoelde beroep, behoudens dat:
a. voor de werknemer die werkloos is als gevolg van een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd, als beroep wordt aangemerkt het beroep dat hij uitoefent in de dienstbetrekking waarvoor de vorenbedoelde regeling geldt;
b. onverminderd het onder a bepaalde voor de werknemer aan wie ouderdomspensioen ter zake van door hem verrichte werkzaamheden is toegekend en die sedert de dag van ingang van dat pensioen in ten minste dertien weken als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet heeft gewerkt, als beroep wordt aangemerkt het beroep dat hij na ingang van dat pensioen laatstelijk uitoefende.

 

Art. 4.
-1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de werknemer in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd werkzaam was, met dien verstande dat bij deze berekening:
a. indien en zodra de dienstbetrekking niet voortduurt, een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering die het karakter heeft van een dertiende maandloon of een eindejaarsuitkering, voor zover de werknemer tijdens de duur van het dienstverband tegenover zijn werkgever recht had op deze uitkering, wordt aangemerkt als loon dat in die periode over bedoelde dagen is genoten;
b. indien en zodra de verplichting, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, eindigt, de werkgeversbijdrage in de premie van de particuliere ziektekostenverzekering wordt aangemerkt als loon dat in die periode over bedoelde dagen is genoten;
c. de dagen waarop hij tengevolge van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan vijf te bedragen;
e. onverminderd onderdeel c, dagen waarop de werknemer niet heeft gewerkt en daarover onverminderde doorbetaling van zijn loon heeft genoten, worden aangemerkt als dagen waarop de werknemer heeft gewerkt.
-2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend dat de werkgever in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die periode gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdeel a tot en met e, van toepassing.
-3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de werknemer voor wie bij het intreden van zijn arbeidsurenverlies een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, worden de woorden "het intreden van zijn werkloosheid" gelezen als: de invoering van de regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd. Onder een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd wordt niet verstaan onbetaald verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet.
-4. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de werknemer op wie artikel 2 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren van toepassing is, worden de woorden "het intreden van zijn arbeidsurenverlies" gelezen als: het eerste verlies van arbeidsuren.
-5. Het dagloon van de werknemer op wie artikel 3 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren van toepassing is, wordt vastgesteld op het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering ter zake van zijn arbeidsurenverlies waarbij op grond van voormeld artikel een daaropvolgend arbeidsurenverlies wordt samengeteld.
-6. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden weken, tot het maximum van 78 weken, waarin de werknemer onbetaald verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager verdiend loon dan wanneer die weken wel in aanmerking zouden worden genomen.

 

Art. 5.
Indien het loon van de werknemer na de aanvang van de in artikel 4 bedoelde periode, doch uiterlijk op de eerste dag van het arbeidsurenverlies krachtens een voor hem geldende regeling is of zou zijn gewijzigd, wordt de uitkomst van de berekening ingevolge het vorige artikel - voor zoveel nodig - herzien, alsof die wijziging reeds was ingegaan op de eerste dag waarop hij zijn beroep uitoefende in de bedoelde periode.

 

Art. 6.
-1. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 4, eerste lid, en 5 - gelet op het loon dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag in zijn beroep placht te genieten - kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, en 5 uitgegaan van het loon dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in die periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten.
-2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 4, tweede lid, en 5 - gelet op het loon dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag in zijn beroep placht te genieten - kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 5 uitgegaan van het loon dat de werknemer in die periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten.
-3. Het eerste of tweede lid vindt in ieder geval toepassing indien de werknemer in de 26 kalender- of loonweken, bedoeld in artikel 4, tariefverdiensten heeft genoten die, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste of tweede lid, al dan niet op grond van de eerste volzin, gelet op de tariefverdiensten die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
-4. Indien de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste lid, niet op ten minste twintig dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. Het eerste en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdeel a tot en met e, en artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer arbeidsuren hadden verloren.
-5. Indien de werknemer in de periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het tweede lid, niet op ten minste twintig dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel 4, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in die weken gelegen dagen waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. Het tweede en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdeel a tot en met e, en artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer arbeidsuren hadden verloren.
-6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot en met vijfde lid en in artikel 4, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.

 

Art. 7.
-1. Indien de werknemer laatstelijk vóór het intreden van zijn arbeidsurenverlies in zijn beroep werkzaam was tegen een loon dat was vastgesteld op een vast bedrag per dag, week, maand of jaar, wordt het dagloon vastgesteld op respectievelijk dat vaste bedrag per dag, 1/260 van het 52-voud van het weekloon of 1/261 van het 12-voud van het maandloon of van het jaarloon. Regelmatig verstrekte, naar tijdsruimte vastgestelde toeslagen worden tot het vaste bedrag gerekend. 
-2. Het bepaalde in artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Het in dit artikel bepaalde blijft buiten toepassing indien het - mede gelet op het loon dat de werknemer in zijn beroep pleegt te genieten - tot een kennelijk onjuist dagloon zou leiden.

 

 

HOODFSTUK  III

Bijzondere bepalingen

 

Art. 8.
Het dagloon van de werknemer wiens beroep is musicus of artiest en die anders dan in het kader van een vaste dienstbetrekking op basis van uitsluitend of vrijwel uitsluitend losse optredens in zijn beroep werkzaam is geweest, wordt met uitsluiting van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, als volgt vastgesteld:
a. indien de werknemer in het jaar aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande op ten minste 130 dagen, al dan niet als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, in zijn beroep werkzaam is geweest, wordt het dagloon berekend op de wijze als is aangegeven in de artikelen 4, tweede lid, en 5, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een periode van 52 kalender- of loonweken in plaats van 26 en van het loon dat de werknemer in die periode in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten;
b. indien de werknemer in het jaar aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande niet op ten minste 130 dagen als onder a bedoeld heeft gewerkt, wordt het dagloon vastgesteld op het loon dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten, gedeeld door 130, met dien verstande dat het dagloon niet lager wordt gesteld dan op het wettelijk minimumloon voor een volledige werkdag.

 

Art. 9.
-1. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
-2. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende en er in één of meer dienstbetrekkingen geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over de in die weken gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
-3. De artikelen 4, eerste lid, onderdeel a tot en met e, en derde tot en met zesde lid, 5 en 6, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien het arbeidsurenverlies intreedt binnen 52 kalender- of loonweken na afloop van perioden waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, wordt bij de overeenkomstige toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, de periode van 52 kalender- of loonweken met deze perioden verlengd.

 

Art. 10.
-1. Het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon wordt evenredig verlaagd voor de werknemer die in de periode, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Werkloosheidswet, dan wel, indien voor de werknemer op grond van artikel 16, derde lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet een kortere of langere periode voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren geldt, in die kortere of langere periode:
a. anders dan ingevolge een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd of onbetaald verlof gemiddeld een geringer dan het normale aantal uren per week werkzaam was;
b. anders dan op grond van onbetaald verlof afwisselend wel en niet werkzaam was;
c. afwisselend wel en niet arbeid verrichtte ter zake waarvan een verzekering ingevolge de Werkloosheidswet bestaat.
-2. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing voor zover in verband met de in dat lid genoemde omstandigheden reeds een lager dagloon is vastgesteld, dan wel in verband daarmede over minder dan het normale aantal werkdagen per week uitkering wordt verstrekt.

 

Art. 11.
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder handelsvertegenwoordiger verstaan: degene wiens werkzaamheden bestaan in het tegen beloning regelmatig bemiddeling verlenen bij het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een ander en die uit dien hoofde verzekerd is ingevolge artikel 3 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c of d, van de Werkloosheidswet.
-2. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 7, wordt het dagloon van de handelsvertegenwoordiger vastgesteld op het loon dat hij in de volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld per dag  heeft genoten. Hierbij kunnen dagen waarop hij anders dan als handelsvertegenwoordiger heeft gewerkt en dagen waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, buiten beschouwing worden gelaten.
-3. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 7, wordt, indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het tweede lid, het dagloon van de handelsvertegenwoordiger vastgesteld op het loon dat hij in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld per dag heeft genoten. Hierbij kunnen dagen waarop hij anders dan als handelsvertegenwoordiger heeft gewerkt en dagen waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, buiten beschouwing worden gelaten.
-4. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en d, en vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 12.
-1. Het dagloon van een werknemer die laatstelijk uitsluitend of vrijwel uitsluitend in een seizoen of een gedeelte daarvan werkzaam was, wordt vastgesteld met toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen, met uitzondering van het bepaalde in artikel 10.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt het dagloon van de in dat lid bedoelde werknemer over de dagen die buiten het seizoen zijn gelegen, vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt het loon vastgesteld dat de werknemer had kunnen verdienen, door de som van het aantal, in de volledige salarisbetalingsperioden in de in onderdeel a bedoelde perioden van 52 kalender- of loonweken gewerkte dagen en het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in die 52 kalender- of loonweken waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking niet heeft gewerkt, te vermenigvuldigen met het loon dat hij gemiddeld heeft genoten over de in die volledige salarisbetalingsperioden gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering wordt gebracht:
1º. het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voor zover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b; en
2º. de werkdagen in niet volledige salarisbetalingsperioden.
-3. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt het dagloon van de in het eerste lid bedoelde werknemer over de dagen die buiten het seizoen zijn gelegen, in afwijking van dat lid vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt vastgesteld het loon dat de werknemer had kunnen verdienen, door de som van het aantal gewerkte dagen en het aantal dagen waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking niet heeft gewerkt, te vermenigvuldigen met het loon dat hij gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering wordt gebracht het aantal dagen waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voor zover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b.
-4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer wiens dienstbetrekking naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ertoe strekt dat al dan niet onder handhaving van die dienstbetrekking in steeds terugkerende perioden bij dezelfde werkgever wordt gewerkt.
-5. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en d, en vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-6. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer wiens beroep is musicus of artiest.

 

Art. 13.
-1. Het dagloon van de werknemer die in aansluiting op de vervulling van zijn militaire dienstplicht of, in plaats daarvan, zijn vervangende dienstplicht, arbeidsurenverlies ¹, wordt vastgesteld op de bruto wedde per dag, doch ten minste op het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Werkloosheidswet.
-2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer op grond van door hem verrichte arbeid vóór de vervulling van zijn militaire dienstplicht of zijn vervangende dienstplicht bij de aanvang van die dienstplicht aanspraak op uitkering had, dan wel had kunnen maken, indien hij op die dag arbeidsuren had verloren of zou hebben verloren. Voor de vaststelling van het dagloon wordt alsdan uitgegaan van het dagloon, herzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 van de Werkloosheidswet, dat aan de uitkering als bedoeld in de vorige volzin ten grondslag heeft dan wel zou hebben gelegen.
-3. Indien het dagloon, berekend volgens het tweede lid, lager is dan op grond van het eerste lid, wordt het dagloon vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid.

1. Volgens de redactie dient "arbeidsurenverlies" te worden vervangen door: arbeidsuren verliest.

 

Art. 13a.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde op de dag waarop hij zijn arbeidsuren verliest de leeftijd nog niet heeft bereikt waarop hij recht kan doen gelden op het minimumloon als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), terwijl hij, ware hij niet werkloos, met ingang van een daarna gelegen dag, krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals deze op de dag waarop op het arbeidsurenverlies optreedt, luidde, aanspraak zou hebben gehad op een hoger loon op grond van zijn leeftijd, wordt met ingang van laatstbedoelde dag dat hogere loon aan zijn dagloon ten grondslag gelegd.
-2. Telkens alvorens het dagloon in verband met de leeftijd ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt herzien, vindt ten aanzien van dit dagloon het bepaalde bij of krachtens, dan wel met betrekking tot de toepassing van, artikel 46 van de Werkloosheidswet overeenkomstige toepassing, alsof bedoeld  dagloon was vastgesteld op de dag waarop het arbeidsurenverlies optrad.
-3. Het bepaalde in artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 14.
-1. Het dagloon van de werknemer die op de eerste werkloosheidsdag, of op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering, een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt of - indien het bepaalde in artikel 25, 28, 30 of 33 van die wet te zijnen aanzien niet van toepassing was - zou ontvangen, is gelijk aan het dagloon berekend volgens de bij en krachtens die wet vastgestelde bepalingen. Het aldus berekende dagloon wordt evenredig verlaagd door het dagloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld en de noemer door het getal 100.
-2. Indien de werknemer, bedoeld in het eerste lid, op een tijdstip na de dagloonberekening overeenkomstig dat lid op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ingedeeld in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die welke bij de evenredige verlaging is gehanteerd, wordt het krachtens de eerste volzin van dat lid berekende dagloon evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsklasse en de noemer door het getal 100.
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer, bedoeld in het eerste lid, op een tijdstip na de dagloonberekening overeenkomstig dat lid niet meer volledig wordt uitbetaald op grond van artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het krachtens de eerste zin van het eerste lid berekende dagloon evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse die bij de toepassing van laatstgenoemd artikel in acht wordt genomen en de noemer door het getal 100.
-4. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op een tijdstip na de dagloonberekening overeenkomstig dat lid wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, is het dagloon het krachtens de eerste zin van het eerste lid berekende dagloon.
-5. Dit artikel is niet van toepassing indien en zolang bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met de arbeid die de werknemer, na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, heeft verricht in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden.
-6. Dit artikel is evenmin van toepassing indien de werknemer, bedoeld in het eerste lid, een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen ontleent of mede ontleent aan de dienstbetrekking waaraan hij zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontleent of mede ontleent, tenzij hij aan die dienstbetrekking tevens een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontleent.

 

Art. 15. Vervallen

 

Art. 16.
Met uitsluiting van het bepaalde in de artikelen 9, 13a, 14 en 15 wordt het dagloon van de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden, berekend met toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen, echter met dien verstande dat:
a. in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 onder beroep wordt verstaan het beroep dat de werknemer uitoefende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. bij toepassing van deze artikelen de aanhef van artikel 4, eerste lid, en artikel 6, eerste tot en met derde lid, respectievelijk worden vervangen door de volgende bepalingen:
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de werknemer in de kalender- of loonweek aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in zijn laatste dienstbetrekking werkzaam was.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste lid - gelet op het loon dat de werknemer in de periode van werkloosheid in zijn beroep zou kunnen verdienen - kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de in het eerste lid bedoelde periode in het beroep van de werknemer gemiddeld hebben genoten over in die periode gelegen dagen waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren.

 

Art. 16a.
-1. Ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer van 55 jaar of ouder op wie artikel 7 van toepassing is en die aantoont dat zijn loon, bij dezelfde werkgever tot wie hij in dienstbetrekking stond als bij het intreden van de werkloosheid, op de dag van het bereiken van die leeftijd, of daarna, is verlaagd, zijn de volgende leden van dit artikel van toepassing.
-2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. verlaging van zijn loon: verlaging van het vaste bedrag per dag, week, maand of jaar waarop het loon was vastgesteld;
b. voorafgaande dagloon: het dagloon dat voor de werknemer zou hebben gegolden indien zijn arbeidsurenverlies op de dag voorafgaand  aan de verlaging van zijn loon zou zijn ingetreden en hij vanaf die dag onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
-3. Indien het dagloon berekend op grond van de voorgaande artikelen lager zou zijn dan het voorafgaande dagloon, wordt het dagloon vastgesteld op een bedrag dat overeenkomt met het voorafgaande dagloon, doch niet meer dan het dagloon vermenigvuldigd met 9/7.
-4. Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid op deze wijze toegepast dat het dagloon en het voorafgaande dagloon worden vastgesteld zonder toepassing van artikel 10, eerste lid. Op het aldus vastgestelde bedrag wordt vervolgens artikel 10, eerste lid, toegepast.
-5. Het derde lid is niet van toepassing op de werknemer op wie artikel 14 van toepassing is.

 

Art. 17.
-1. Met afwijking voor zoveel nodig van het bepaalde in de voorgaande artikelen zijn ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer die na ontslag uit een dienstbetrekking hetzij onmiddellijk, hetzij binnen twaalf maanden na de ingang van dat ontslag, opnieuw arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard, de volgende bepalingen van dit artikel van toepassing, tenzij het bedoelde ontslag valt binnen de in het derde lid genoemde periode van 36 maanden, welke ingevolge een eerdere toepassing van dat lid ten aanzien van de werknemer in acht moet worden genomen.
-2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. ontslag: iedere beëindiging van een dienstbetrekking;
b. primair ontslag: het in het vorige lid bedoelde ontslag;
c. primaire werkloosheid: de werkloosheid die in onmiddellijke aansluiting aan het primaire ontslag is ontstaan dan wel zou ontstaan indien de werknemer niet onmiddellijk na het ontslag arbeid had aanvaard;
d. primair dagloon: het dagloon dat voor de werknemer zou hebben gegolden indien de primaire werkloosheid onafgebroken zou hebben voortgeduurd.
-3. Indien het dagloon, uitsluitend berekend naar de in het eerste lid bedoelde na het primaire ontslag aanvaarde arbeid, lager zou zijn dan het primaire dagloon, wordt niettemin gedurende elke door ontslag ontstane werkloosheidsperiode welke binnen 36 maanden na het primaire ontslag aanvangt, het dagloon vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het primaire dagloon. Indien de werknemer op de datum van het primaire ontslag 55 jaar of ouder is, is de in de vorige zin genoemde termijn van 36 maanden niet van toepassing.
-4. Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid op deze wijze toegepast dat eerst het dagloon en het primaire dagloon worden vastgesteld zonder toepassing van artikel 10, eerste lid. Indien het op deze wijze berekende dagloon lager is dan het op deze wijze berekende primaire dagloon, wordt het dagloon vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het primaire dagloon. Op vorenbedoeld bedrag wordt vervolgens het bepaalde in artikel 10, eerste lid, toegepast.
-5. Het in het derde lid bepaalde geldt niet, indien:
a. de primaire werkloosheid een verwijtbare werkloosheid is;
b. de werknemer bij de ingang van het primaire ontslag of gedurende de werkloosheidsperiode waarover uitkering wordt toegekend, moet worden beschouwd als een werknemer op wie het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, artikel 8, artikel 12 of artikel 14, eerste lid, van toepassing is.
-6. De in het eerste lid genoemde termijn van twaalf maanden wordt verlengd met in deze periode gelegen perioden van arbeidsongeschiktheid.

 

Art. 17a.
-1. Indien een recht op uitkering dat is ontstaan terwijl de dienstbetrekking niet voortduurde, herleeft in een situatie waarin de dienstbetrekking wel voortduurt, geldt als dagloon het dagloon dat zou hebben gegolden indien bij de oorspronkelijke vaststelling:
a. de vakantietoeslag en uitkeringen die het karakter hebben van een dertiende maandloon of een eindejaarsuitkering op grond van de artikelen 1, derde lid, aanhef en onder e en q, en 4, eerste lid, onderdeel a, niet tot het loon zouden zijn gerekend;
b. de door de werkgever verstrekte bijdrage strekkende tot betaling van premie van een door of voor de werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel c, niet tot het loon zou zijn gerekend.
-2. Indien een recht op uitkering dat is ontstaan terwijl de dienstbetrekking voortduurde, herleeft in een situatie waarin de dienstbetrekking niet voortduurt, geldt als dagloon het dagloon dat zou hebben gegolden indien bij de oorspronkelijke vaststelling:
a. de vakantietoeslag en uitkeringen die het karakter hebben van een dertiende maandloon of een eindejaarsuitkering, in afwijking van artikel 1, derde lid, aanhef en onder e en q, en op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wél tot het loon zouden zijn gerekend;
b. de door de werkgever verstrekte bijdrage strekkende tot betaling van premie van een door of voor de werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel c, wél tot het loon zou zijn gerekend.

 

Art. 18.
-1. Ingeval het dagloon als gevolg van toepassing van artikel 17, derde lid, een dagloon is dat aansluit bij een regeling krachtens welke over zes dagen, onderscheidenlijk over zeven dagen per week uitkering wordt verleend, wordt dat dagloon vermeerderd met 1/5, onderscheidenlijk met 2/5 gedeelte.
-2. Indien aan de werknemer over zes dagen, onderscheidenlijk over zeven dagen per week uitkering wordt verstrekt, wordt het dagloon van deze werknemer, zoals vastgesteld volgens de voorgaande artikelen en het eerste lid van dit artikel, verminderd met 1/6, onderscheidenlijk 2/7 gedeelte.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 18a.
Artikel 17, derde lid, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 september 2004 tot wijziging van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid in verband met de verlaging van de leeftijdgrens in de dagloongarantieregeling (Stcrt. 2004, 184),¹ blijft van toepassing op de persoon wiens recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan op of vóór die dag, met betrekking tot dat recht.

1. Inwerkingtreding: 1 januari 2005, red.

 

Art. 19.
Dit besluit treedt in werking op de tweede maandag na de dag van publicatie in de Nederlandse Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 1987.

 

Art. 20.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | IWS | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x