Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 1 november 2011

 

BESLUIT  BUITENGEWOON  OPSPORINGSAMBTENAAR  UWV  2007

Vervallen
m.i.v. 2 november 2011
(art. 7 Besluit van 24 oktober 2011, Stcrt. 2011, 19532)

 
 

8 november 2006, Stcrt. 2006, 224
Inwerkingtreding: 1 januari 2007
Vervalt m.i.v. 1 januari 2012
(T.a.v. artt. 17:1,2ļ WED, 142:1b,c en 142:3 Sv, 85 Wet SUWI en 8:7 Politiewet 1993)

 

 

 

 
BESLUIT van de Minister van Justitie van 8 november 2006, nr. 5452159/06/CBK, houdende de aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het UWV (Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar UWV 2007)

     De Minister van Justitie;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten, artikel 142, eerste lid, onderdeel b en c, van het Wetboek van Strafvordering, artikel 142, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, artikel 85 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2;
b. Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

Art. 2.
Maximaal 200 ambtenaren, werkzaam bij het UWV en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

 

Art. 3.
-1. De in artikel 2 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten, genoemd in domein V Werk, Inkomen en Zorg van bijlage A-I van de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
-2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
-3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het domein waarin hij is aangesteld.

 

Art. 4.
-1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te Amsterdam.
-2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland.

 

Art. 5.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.

 

Art. 6.
De directeur van het directoraat Fraude Preventie en Opsporing van het UWV brengt jaarlijks, vůůr 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie verslag uit over:
a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij het UWV;
b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
c. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen voor dat examen zijn geslaagd.

 

Art. 7.
Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 2, die reeds eenmaal met goed gevolg het examen buitengewoon opsporingsambtenaar heeft afgelegd, wordt ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, onder de voorwaarden gesteld in het onderdeel semi-permanente ontheffing van bijlage B-IV van de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar.

 

Art. 8.
Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar UWV 2002 wordt ingetrokken.

 

Art. 9.
De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beŽdiging en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het Besluit van 8 november 2006, nr. 5452159/06/CBK, worden geacht mede te zijn afgegeven op basis van het onderhavige besluit.

 

Art. 10.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007 en vervalt met ingang van 1 januari 2012.

 

Art. 11.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar UWV 2007.

 

 

     Dit besluit wordt in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad geplaatst.

 

Den Haag, 8 november 2006.
De Minister van Justitie,
namens deze,
Hoofd Afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken,
R.R. Joesoef Djamil
.

 

     Binnen zes weken na publicatie van dit besluit kan een belanghebbende daartegen een bezwaarschrift indienen bij de Minister van Justitie, postbus 20301, 2500 EH, Den Haag. Het bezwaarschrift dient te zijn gemotiveerd.

 

 

 

TOELICHTING
[8 november 2006]

 

     Bij brief van 4 september 2006 heeft de Directeur Fraude Preventie en Opsporing van het UWV verzocht om verlenging van de categoriale beschikking betreffende de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij het UWV.
     Onderhavig besluit beoogt de opsporingsbevoegdheid van de met opsporingstaken belaste ambtenaren werkzaam bij de UWV met een periode van vijf jaar te verlengen. Het besluit berust op de in artikel 4, derde lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar neergelegde bevoegdheid hiertoe over te gaan indien de noodzaak van de te hanteren opsporingsbevoegdheid aanwezig blijft. Gelezen voornoemd verzoek van het UWV, acht ik de noodzaak voor verlenging van de opsporingsbevoegdheid aanwezig.
    Gezien het feit dat het wegens administratieve procedures praktisch niet uitvoerbaar is om met ingang van 1 januari 2007 aan alle buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van het UWV een nieuwe akte van beŽdiging en een nieuw legitimatiebewijs uit te reiken, is in artikel 6 van dit besluit een overgangsregeling opgenomen. Op grond van deze regeling behouden de akten, legitimatiebewijzen en overige benoemingsbescheiden van de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaren nog tot de datum waarop zij vervallen hun geldigheid.

 

De Minister van Justitie,
namens deze:
Hoofd Afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken,
R.R. Joesoef Djamil
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x