Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 september 2006

 

FINANCIERINGSREGELING  HOOFDSTUK  7  WET  ARBEID  EN  ZORG  2004

Vervallen
m.i.v. 1 oktober 2006
(art. III Regeling van 4 september 2006, Stcrt. 2006, 182)

 
 

15 april 2004, Stcrt. 2004, 79
Inwerkingtreding: 28 april 2004
(T.a.v. artt. 122 Wfsv en 53 Wet SUWI)

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 april 2004,  Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/WTZ/04/27237, houdende regels rijksbijdrage in de financiering van hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg (Financieringsregeling hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg)
 
     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van FinanciŽn;
     Gelet op artikel 53 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
 
     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
c. WW: Werkloosheidswet;
d. AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 103 van de WW;
e. uitgaven financiŽle tegemoetkomingen: de financiŽle tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7:6 van de Wet arbeid en zorg, aan de verlofganger en de daaraan verbonden uitvoeringskosten, die op grond van artikel 93, onderdeel i, van de WW ten laste komen van het AWf, en de op grond van enige wet over die tegemoetkoming verschuldigde premies die niet daarop in mindering kunnen worden gebracht;
f. Wwb: Wet werk en bijstand;
g. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
h. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
i. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsheidsvoorziening jonggehandicapten;
j. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsheidsverzekering;
k. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
l. Anw: Algemene nabestaandenwet;
m. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
 
 
 
Art. 2. Rijksbijdrage
-1. De rijksbijdrage, bedoeld in artikel 92, onderdeel g, van de WW, dient ter financiering van de uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen, voor zover deze samenhangen met tegemoetkomingen met betrekking tot verlofgangers die worden vervangen door een persoon die recht op uitkering heeft op grond van de Wwb, de Ioaw, de Ioaz of de Wajong dan wel door een persoon die geen recht heeft op enige uitkering alsmede ter financiering van de uitvoeringskosten verbonden aan de overige financiŽle tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7:6 van de Wet arbeid en zorg, aan de verlofganger, die op grond van artikel 93, onderdeel i, van de WW ten laste komen van het AWf.
-2. Indien een verlofganger wordt vervangen door een vervanger bij wie sprake is van samenloop van uitkeringen als bedoeld in het eerste lid en een uitkering op grond van de WW, WAZ, WAO of Anw, wordt de gehele tegemoetkoming gefinancierd uit de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid.
-3. Indien een verlofganger wordt vervangen door meer dan ťťn vervanger waarbij zowel een vervanger is betrokken zonder uitkering of met een uitkering als bedoeld in het eerste lid als een vervanger met een uitkering op grond van de WW, WAZ, WAO of Anw, wordt de gehele tegemoetkoming gefinancierd uit de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid.
 
 
 
Art. 3. Raming en opgave uitgaven
-1. Op de zesde dag van februari, mei, augustus en november verstrekt het UWV aan de minister:
a. een raming van de uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen in het lopende kalenderkwartaal; en
b. een opgave van de gerealiseerde uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen in het laatst verstreken kalenderkwartaal;
-2. Indien de dag, bedoeld in het eerste lid, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, vindt de verstrekking plaats op de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
-3. In de raming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld: de totaalbedragen aan geraamde uitgaven voor financiŽle tegemoetkomingen, waarbij zowel de uitgaven die door middel van een rijksbijdrage worden gefinancierd als de uitgaven die anders dan door middel van een rijksbijdrage worden gefinancierd, worden weergegeven.
-4. In de opgave van de gerealiseerde uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2, vermeld: de totaalbedragen aan gerealiseerde uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen, waarbij zowel de uitgaven die door middel van een rijksbijdrage worden gefinancierd als de uitgaven die anders dan door middel van een rijksbijdrage worden gefinancierd, worden weergegeven.
 
 
 
Art. 4. Afdracht
-1. Met als valutadag de elfde dag van februari, mei, augustus en november stort de minister het bedrag van de geraamde uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in dat kalenderkwartaal op de rekening-courant ten name van het UWV bij de Minister van FinanciŽn. De minister kan, na overleg met het UWV, van het geraamde bedrag afwijken.
-2. Met als valutadag de elfde dag van februari, mei, augustus en november verrekent de minister het verschil tussen de gerealiseerde en de geraamde uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het laatst verstreken kalenderkwartaal met het bedrag, bedoeld in het eerste lid.
-3. Indien de dag, bedoeld in het eerste en tweede lid, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, vindt de afdracht plaats met als valutadag de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
 
 
 
Art. 5. Afrekening
-1. Uiterlijk op 1 juni dient het UWV de afrekening over het afgelopen kalenderjaar bij de minister in.
-2. In de afrekening wordt, op basis van de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, de kasstroom inzichtelijk gemaakt voor de totale uitgaven voor de financiŽle tegemoetkomingen.
-3. Indien de afrekening, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geeft, vindt vůůr 15 juli een betaling plaats ten gunste of ten laste van het AWf.
 
 
 
Art. 6. Vaststelling rijksbijdrage
De minister stelt jaarlijks vůůr 31 oktober de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2, over het afgelopen kalenderjaar vast.
 
 
 
Art. 7. Intrekking regeling
De Financieringsregeling hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg wordt ingetrokken.
 
 
 
Art. 8. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
-2. Artikel 3 en 4 worden voor de eerste maal toegepast over het tweede kwartaal van 2004.
 
 
 
Art. 9. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Financieringsregeling hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg 2004.

 

 

     Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1 en 2 liggen ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Den Haag, 16 april 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

TOELICHTING
[16 april 2004]

 

Toelichting op de loopbaanonderbrekingsregeling en de rijksbijdrage hiervoor


     Hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg beschrijft de loopbaanonderbrekingsregeling. Deze regeling schept onder voorwaarden mogelijkheden voor het verstrekken van een tegemoetkoming bij het opnemen van verlof ten behoeve van het verlenen van zorg of ten behoeve van educatie.
     De loopbaanonderbrekingsregeling wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), zodat alle tegemoetkomingen aan de verlofganger ten laste van dat fonds komen, met uitzondering van de tegemoetkomingen aan de verlofganger die ten laste van het UFO [Uitvoeringsfonds voor de overheid, red.] komen (zie hieronder). In de financiering van de uitvoeringskosten van de regeling en de tegemoetkomingen aan verlofgangers die worden vervangen door herintreders (in de regeling worden zij omschreven als vervanger zonder uitkering) en uitkeringsgerechtigden met een Wwb-, Ioaw-, Ioaz- of Wajong-uitkering, wordt voorzien door een rijksbijdrage.
     Wat onder de rijksbijdrage valt en de wijze waarop de rijksbijdrage aan het AWf tot stand komt, is in de onderhavige financieringsregeling beschreven.

 

Vervanger met zowel een rijks- als een premiegefinancierde uitkering


     In een situatie dat een vervanger zowel een rijksgefinancierde als een premiegefinancierde uitkering ontvangt, is ter voorkoming van hogere administratieve lasten voor de uitvoeringsorganen gekozen voor het volgende. Indien een verlofganger wordt vervangen door een vervanger met een rijksgefinancierde uitkering (een uitkering op grond van de Toeslagenwet alsmede een uitkering op grond van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria uitgezonderd), in combinatie met een (vervanger met) een premiegefinancierde (WW-, WAO-, WAZ- of Anw-)uitkering, komt de financiering van deze samenloopgevallen ten laste van de rijksbijdrage.

 

Tegemoetkomingen ten laste van het UFO


     Op grond van artikel 97f van de WW komen ten laste van het UFO de financiŽle tegemoetkomingen aan de verlofganger op grond van artikel 7:6 van de Wet arbeid en zorg en daaraan verbonden uitvoeringskosten, indien de vervanger een uitkering kreeg voortvloeiend uit zijn dienstbetrekking als overheidswerknemer (artikel 78a, derde lid, van de WW). Het UWV hoeft de in de vorige zin genoemde lasten niet mee te nemen in de ramingen en andere opgaven op grond van de onderhavige regeling.

 

Wijze waarop rijksbijdrage aan het AWf plaatsvindt


     Tot en met het eerste kwartaal van 2004 werd de rijksbijdrage op grond van de financieringsregeling na afloop van elk kwartaal doorbelast naar SZW op basis van de rekening-courantafschriften van het ministerie van FinanciŽn. Deze systematiek vertroebelde het inzicht in de begrotingsuitputting. In verband hiermee is de regeling aangepast. De belangrijkste inhoudelijke wijziging vanaf het tweede kwartaal 2004 betreft het invoeren van een voorschotsystematiek. Hierbij is aansluiting gezocht bij de bestaande systematiek voor de AKW (uitgevoerd door de SVB [Sociale verzekeringsbank, red.]), zij het dat - gezien de geringe omvang van de bedragen - gekozen is voor kwartaalbevoorschotting en niet voor maandbevoorschotting. Het UWV dient per kalenderkwartaal op ťťn moment de raming voor het betreffende kalenderkwartaal en de realisatie van het voorliggende kalenderkwartaal in. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt op ťťn moment in het kalenderkwartaal de door UWV benodigde bedragen af. Dit geeft een scherper beeld van de uitputting van de SZW-begroting. Voor het UWV levert de wijziging nauwelijks veranderingen in de administratieve werkwijze in de relatie met het ministerie op. De verhouding tussen het ministerie van FinanciŽn en het UWV (het zgn. geÔntegreerd middelenbeheer) blijft ongewijzigd.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1

     In dit artikel worden enige begrippen die in de regeling worden gebruikt nader gedefinieerd.

 

Artikel 2

     De financiering van alle uitvoeringskosten van de regeling en de tegemoetkomingen aan verlofgangers die worden vervangen door herintreders en uitkeringsgerechtigden met een Wwb-, Ioaw-, Ioaz- of Wajong-uitkering, vindt plaats op basis van een rijksbijdrage die ten gunste komt van het AWf dat door UWV wordt beheerd. In gevallen waarin een verlofganger wordt vervangen door een Wwb-gerechtigde, een Ioaw-gerechtigde, een Ioaz-gerechtigde, een Wajong-gerechtigde of een vervanger zonder uitkering, in combinatie met een vervanger met een WW-gerechtigde, een WAO-gerechtigde, een WAZ-gerechtigde of een Anw-gerechtigde, evenals bij vervanging door een vervanger met zowel een rijks- als een premiegefinancierde uitkering, wordt de gehele tegemoetkoming gefinancierd uit de rijksbijdrage.

 

Artikelen 3 en 4

     In deze artikelen worden de aard en de frequentie van de door het UWV aan te leveren financiŽle gegevens geregeld, alsmede de wijze waarop en de frequentie waarmee de rijksbijdrage aan het AWf plaatsvindt.

 

Artikelen 5 en 6

     In dit artikel worden voorschriften gegeven voor de definitieve eindafrekening en vaststelling van de rijksbijdrage.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x